„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie

rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield

naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af

toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er

is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”

„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.

„Nee Oom,” zei ook Wiesje.

Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al

donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder

acht op haar.

„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat

Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik

vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal

ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”

„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen,

die ’t zóó goed bij ons heeft.”

„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is

al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei

Oom.

„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de

piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.

’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene

van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker

zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet

zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen

avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar

bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo

stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:

„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”

Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij

zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen

avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat

kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde

ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest.

En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of

Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar

verstelwerk.

Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam

maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot

zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan

denken, ze kón niet anders.

Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien

moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en

haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf

gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en

bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou

hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan

had.... O, ’t was vreeselijk!

Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder,

zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.

Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t

wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor

Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had

ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.

Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t

moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging,

hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur

geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje

achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den

rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:

„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”

En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze

nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch

stemmetje ’t heele verhaal.

Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze

vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t

kind zoo’n innig berouw toonde.

„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder

handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest

zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen.

Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes

verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich

gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.

Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog

gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem

achterna, de studeerkamer in.

„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen....

Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar

ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel

veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde

hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf

niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar

niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die

moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden

zien.

’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte,

terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.

Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat

Dolf ruw-goedig ineens zei:

„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat

vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.

Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t

natuurlijk niet.

Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje

voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide

bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter

gekomen, wie hem die gestuurd heeft.

Opa en Ineke · 第 3 / 3 段