„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze

lui.

Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.

„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk

overeind, maar Freda antwoordde:

„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver

af.”

Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle

bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals

Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen

en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze

den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd

een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik

doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar

hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.

„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar

Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze

zeker krijgen zou en dan.... de repetitie.

„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De

Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t

water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s

hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van

rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda

mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.

„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk

droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van

uit de serre het tweetal zag aankomen.

„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht,

dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een

natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende

meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een

schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn

drooggewreven.

Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist

gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze

goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze

vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een

wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel.

„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,”

wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had

meegemaakt.

„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze

keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.

„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n

weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik

telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.”

„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven,

maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke

sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke.

„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,”

zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven

vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen.

„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn

atlas, want die kan er niet in.”

„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.

„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel

gauw de voornaamste dingen op.”

„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”

Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders

ophalend, naar de telefoon, die juist belde.

„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even,

Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.

Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De

Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar

zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd

Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t

paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.

En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou

zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen

’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met

Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het

aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas

kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed.

’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t

merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet

pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te

krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó

graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t

eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen

was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles

al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar

aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift

staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke

niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in

een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf,

stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en

drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet

lang wachten liet gelukkig.

Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder

’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het

tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke

eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen

en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en

verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van

akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei

met sommen, die niet wilden uitkomen....

⁂

Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze

overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al

uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de

groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t

hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig,

dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen

en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf

moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf

uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest

was!.....

Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t

koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na.

De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het

laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met

de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden

inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs

den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar

aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze

onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra

had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken

zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst,

hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér

magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag

te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij

er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen

doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn

bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel

goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi

rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld

van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw

gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de

laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende,

had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en

Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen

gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een

„min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel

er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa,

die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing

moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis

zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar

school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar

nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke

vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en

Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld!

Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas

Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de

waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon

schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden

en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis

klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er

geen koudje aan de lucht was.

„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West,

zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.

Ineke bloosde tot achter haar ooren.

„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.

„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer

Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes,

zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar

natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt

hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je

zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op

uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet

anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje

verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn

kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen

antwoordde:

„Heel graag, Opa!”

„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”

Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding

naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen

uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had

om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen

schuld zóó zou moeten teleurstellen!

Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal

over stuur raakte ze.

„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was

opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht

boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen.

„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa

troonde Ineke zacht mee naar buiten.

Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar

als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst

nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild

gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school

en van de ongeluks-repetitie.

Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s

verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel

begreep.

„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t

me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,”

vroeg Opa, toen Ineke zweeg.

„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige,

maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles

zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze

vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”

„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte

cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt

zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet

je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en

eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar

de Heikamp.”

„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind

niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om

huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef

steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.

„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is

al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de

eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met

zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord

leeg en ging toen gedwee rusten.

Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan

meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en

sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet.

„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel

ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me

alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te

hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de

vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen

school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom

vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook

’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s

middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van

spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet

ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie

dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”

Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om

alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar

dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles

uitlegde, aan Ineke’s ouders....

Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de

enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer

teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar

uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets

minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van

opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle

vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met

duidelijke letters onder geschreven:

„Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met

vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en

Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar

bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te

bevorderen.

C. J. P. HOOGSTRA,

Hoofd-onderwijzer.”

„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel

van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers

komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk.

„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook

overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt,

omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht

helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter

zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.

Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te

deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op

de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje

in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje

er aan gemaakt had.

UIT LOGEEREN.

Hè, wat was dat?

Was ’t nou al morgen?

Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend

uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier

van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op

haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de

duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.

Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!

Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en

ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch

gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de

tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de

konijnen.

Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t

warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier

mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader

haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen

en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien

jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en

kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel

in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen....

Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds

wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en

Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En

ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:

„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”

En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht

uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar

had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap

gevallen.

Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!

’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal

geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:

„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”

„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.

Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier

dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel

neerploften.

„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte

lachend, niet in staat een woord te zeggen.

„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen

we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze

wat bekomen waren.

„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water

in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later

waren ze beneden. Allebei tegelijk!

In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De

glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar

binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of

hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en

kleine, gele roosjes.

„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje,

die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep

den fijnen geur in te ademen.

„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.

„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken

brood, strooi dat maar voor de vogels.”

Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en

gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend

kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar

hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander

dreven.

De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan

kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.

„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn

tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe

mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie

van mij, als u nu van Dolf hebt!”

„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een

beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”

„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren

waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”

„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens

van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende

kibbelpartij door te zeggen:

„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen

heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”

„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet

eens praten.”

„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze

meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan

te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje

naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor

zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.

Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging

bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun

viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens

kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar

’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was

om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar

huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde

gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.

En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem

en Tante Lida doorbracht.

Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon

Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in

’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan

haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt

van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen

waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.

Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje

wist geen raad....

Zóó was ’t gebeurd.

Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij

zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een

anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt

achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden.

Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf

een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar

schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je

gevonden werd, hoe meer eer!

Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen

den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige

perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan

hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net

zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen....

Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één

vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm

van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o

wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes

voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar

wangen werden nog rooder dan de perziken.

Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!

Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante

Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?

Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd

plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog

zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een

paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken....

Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de

overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten,

waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en

haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde

de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb

jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:

„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”

Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als

anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t

theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem

aanzien, dat hij heel ontstemd was.

Opa en Ineke · 第 2 / 3 段