XIV.

't Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor

den rug toedraaide--voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om

was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje--hij

verlangde naar haar liefkoozende omhelzing--hij had er behoefte aan

begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem

begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch

duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden,

zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode

vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok

toen ze 'm zag. "God, Wouter! wat is er gebeurd," vroeg ze. "Wat is er?"

"Niets, lieveling, niets," zei hij, "als ik jou maar weer heb, is al het

andere niets!" En hij drukte haar tegen zich aan, vol innige behoefte

aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen.

"Maar wat is er dan toch eigenlijk," vroeg ze angstig, zich losmakend

uit zijn armen om hem aan te kijken.

"Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik

ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel

wat anders vinden .... ik zal...."

Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: "Wat? ben je weg

uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?...."

Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd

had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan

zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn

moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu

vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting

voor dien man, die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede

tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij

stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van

niet-in-woorden-te-uiten ergernis.

Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend.

En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht

gestemd, fluisterde: "Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel

troosten, en helpen?" toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die

hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: "Je begrijpt toch wel, dat

't niet anders kon, hè?"

"'k Weet 't niet," zei ze,.... "nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er

niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu

beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten

hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?"

"Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?"

Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook

op te winden: "Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen,

.... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou

doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?...."

"Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders

zoeken!"

"Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen

ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?"

"Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede

betrekkingen...."

"Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?" viel ze in, met minachting in

haar stem, die hoog klonk, schel.

"Greetjelief .... wind je niet zoo op .... toe, blijf kalm! .... ja,

ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog...."

Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar.

"Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch

niet?--bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap...."

"Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!...." zei hij, haar handen

pakkend.

Maar zij rukte zich los. "Bespottelijk!" riep zij nogmaals uit. "Stel je

voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!"

"Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op

dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van

elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?....

Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven

zooals we nu doen. Al dat uitgaan en zoo...., dat zou op den duur toch

niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve

lieveling, niets, niets!" En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar

tegen zich aandrukken.

Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een

boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden;

heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond.

"Greetje," fluisterde hij wanhopig.

"Och!" zei ze, "je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd,

maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd

komt...."

"Greetje!"

"Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar

weg, ga maar weg!"

"Greetje," herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning,

verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n

stoel en schreide luid uit en klaagde over zijn bitter verdriet en

smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij

zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond.

Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk

kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te

praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van

vertrouwen op elkaar.

Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in

de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze

neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. "Ga nou weg,"

kreet ze, "laat me nou huilen!"

"Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog

alleen," bad hij.

"Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! .... laat

me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!"

Toen ging Wouter.

De vreemde plant · 第 19 / 47 题