't Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor
den rug toedraaide--voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om
was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje--hij
verlangde naar haar liefkoozende omhelzing--hij had er behoefte aan
begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem
begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch
duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden,
zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode
vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok
toen ze 'm zag. "God, Wouter! wat is er gebeurd," vroeg ze. "Wat is er?"
"Niets, lieveling, niets," zei hij, "als ik jou maar weer heb, is al het
andere niets!" En hij drukte haar tegen zich aan, vol innige behoefte
aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen.
"Maar wat is er dan toch eigenlijk," vroeg ze angstig, zich losmakend
uit zijn armen om hem aan te kijken.
"Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik
ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel
wat anders vinden .... ik zal...."
Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: "Wat? ben je weg
uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?...."
Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd
had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan
zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn
moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu
vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting
voor dien man, die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede
tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij
stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van
niet-in-woorden-te-uiten ergernis.
Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend.
En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht
gestemd, fluisterde: "Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel
troosten, en helpen?" toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die
hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: "Je begrijpt toch wel, dat
't niet anders kon, hè?"
"'k Weet 't niet," zei ze,.... "nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er
niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu
beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten
hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?"
"Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?"
Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook
op te winden: "Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen,
.... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou
doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?...."
"Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders
zoeken!"
"Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen
ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?"
"Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede
betrekkingen...."
"Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?" viel ze in, met minachting in
haar stem, die hoog klonk, schel.
"Greetjelief .... wind je niet zoo op .... toe, blijf kalm! .... ja,
ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog...."
Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar.
"Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch
niet?--bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap...."
"Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!...." zei hij, haar handen
pakkend.
Maar zij rukte zich los. "Bespottelijk!" riep zij nogmaals uit. "Stel je
voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!"
"Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op
dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van
elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?....
Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven
zooals we nu doen. Al dat uitgaan en zoo...., dat zou op den duur toch
niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve
lieveling, niets, niets!" En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar
tegen zich aandrukken.
Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een
boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden;
heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond.
"Greetje," fluisterde hij wanhopig.
"Och!" zei ze, "je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd,
maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd
komt...."
"Greetje!"
"Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar
weg, ga maar weg!"
"Greetje," herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning,
verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n
stoel en schreide luid uit en klaagde over zijn bitter verdriet en
smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij
zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond.
Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk
kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te
praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van
vertrouwen op elkaar.
Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in
de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze
neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. "Ga nou weg,"
kreet ze, "laat me nou huilen!"
"Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog
alleen," bad hij.
"Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! .... laat
me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!"
Toen ging Wouter.