XIII.

Dien avond vond Margreet Wouter stil,--maar dat was hij wel meer in

gezelschap! Hij bracht haar naar huis, pratend over onverschillige

dingen. 't Was niet ver, en 't was laat geworden. Hij was blij dat hij

goede reden had dat andere tot morgen uit te stellen.

Den volgenden morgen, toen hij op kantoor kwam, vroeg Wouter zijn oom,

of hij 'm een oogenblik alleen kon spreken en toen ze samen waren begon

hij dadelijk met nagebootste bedaardheid over dat bezoek aan zijn

moeder. Hij zag het spotachtig glimlachend gezicht van zijn oom en al

gauw voelde hij, dat, zijn woede hem te machtig werd. Hij voelde zijn

hoofd vol bloed, zijn oogen deden hem zeer.

"'t Is 'n laag idee van u," zei hij, zijn stem met groote inspanning

smorend, "den invloed van mijn moeder te willen gebruiken om mij van

mijn meisje af te brengen! 't Is lage zelfzucht, niets anders!.... Nee,

laat me uitspreken," riep hij uit, met 'n driftig gebiedend gebaar,

ziende dat zijn oom hem in de rede wou vallen, "'t Heet, dat u het

voornaamste werk doet en dat ik maar zorgen moet, dat uw bevelen

gehoorzaamd worden. Larie! praatjes! u verzint allerlei zotte dingen,

ja, en ik moet me doodwerken om groote ongelukken te voorkomen! ....

maar, wacht maar! .... 't duurt niet lang meer met u, .... want ik ga

weg, vandaag nog! .... 'k kan hier niet langer werken...."

"Je gaat weg?" vroeg Van Plaswijk verschrikt, bleek wordend....

"Waarachtig!" riep Wouter. "Ik zal toch wel zorgen dat 'k aan den kost

kom,--zóó schitterend is mijn positie hier toch ook waarachtig niet!....

U weet heel goed, dat de zaken beroerd gaan, dank zij al uw mooie

plannen! en over 'n jaar of drie .... is alles uit!.... Dan is 't geld

van uw vrouw op en dan zult u weer wat anders moeten beginnen, 't

twaalfde ambacht, 't dertiende ongeluk...."

"Vlegel!" riep oom Frits, opstaand, "brutale vlegel!...."

"Ba!" zei Wouter, "als 't op scheldwoorden aankwam, dan zou ik er

zooveel weten, die raak waren!.... 'k Groet u!.... 'k Zal me boel

natuurlijk allemaal opruimen--u kunt 't van middag van me overnemen--of

laten overnemen, want zelf zoudt u er niet veel van snappen!...."

Pas toen hij weer voor zijn lessenaar stond en daar al de dingen zag

waar hij zoolang mee verkeerd had, allen dag, kleine dingen waar hij

aan gehecht was zonder 't te weten, en den jongste-bediende, die

aandachtig een lange punt aan zijn potlood zat te slijpen, toen pas

begreep hij wat hij had gedaan. Hij had er geen plan op gehad, dien

morgen, maar 't was hem te machtig geworden. Wat 'n wellust was 't

geweest dien man zijn verachting in 't gezicht te spuwen. O, lang niet

genoeg had hij nog gezegd! lang niet genoeg, .... er was nog zooveel,

zooveel! Een oogenblik wou hij weer terug, opnieuw woedend nu hij voelde

wat hij ging doen, nu hij met één blik een langen weg van misère voor

zich zag: 't aan zijn meisje vertellen, aan haar vader, een nieuwe

betrekking, getuigschriften.... Maar hij bedwong zich. Hij leunde een

poosje soezend op zijn lessenaar .... en begon toen, kalm, gelaten,

alles op te ruimen .... sorteerend zijn papieren .... opschrijvend wat

er gedaan moest worden....

De vreemde plant · 第 18 / 47 题