Weer ging een maand voorbij.
De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar
kantoor, maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest.
Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens,
zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder
riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet.
En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen,
en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam
en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar
zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs,
iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig
bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de
krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de
anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen.
Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaar
geleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen
vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek
schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden.
Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar
vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat
was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en
hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren
wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: "Nee, eigenlijk
beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!"
"Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?"
vroeg ze verschrikt.
Maar hij had zich al hersteld. "Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig
niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs." En hij dronk
haastig zijn kop thee uit en ging weg.
Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die
daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze
zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en
luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer
stil gebleven.
Tobbend leefde ze door.