Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na het
eten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen
en weer, zijn gezicht stond ernstig. "Wouter," zei ze, toen ze de deur
achter zich gesloten had, op gedempten toon, "gaat 't slecht in de
zaken?"
Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen
kant op. "Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo
geheimzinnig vragen?" zei hij met een heldere stem.
"Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen," zei ze,--want Anna had haar
gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had--"maar ik maak me
soms zoo ongerust!"
"Maar daar is geen reden voor!" zei hij, haar aldoor niet aankijkend,
"ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand
wiens zaken beroerd gaan?...."
"Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je
denken, dat 't niet ging op den duur?"
"Och, wel jà .... wel jà!...."
"Waarom kijk je me niet aan?"
Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht
bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op
haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming,
als een zegen. "Moeder," zei hij, en zijn stem trilde nu even, "er is
heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik
kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo
dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet
meer na'!...."
"Maar .... wat?...."
"Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal
uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee
drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de
komedie...."
En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien
avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en
sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte
zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn
luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn
moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg.
Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor,
Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook
immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste
was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek
hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand,
dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als
vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig, gejaagd soms. Hij kreeg ook
iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van
vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte
zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken
en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was
altijd dezelfde.