VIII.

Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na het

eten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen

en weer, zijn gezicht stond ernstig. "Wouter," zei ze, toen ze de deur

achter zich gesloten had, op gedempten toon, "gaat 't slecht in de

zaken?"

Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen

kant op. "Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo

geheimzinnig vragen?" zei hij met een heldere stem.

"Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen," zei ze,--want Anna had haar

gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had--"maar ik maak me

soms zoo ongerust!"

"Maar daar is geen reden voor!" zei hij, haar aldoor niet aankijkend,

"ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand

wiens zaken beroerd gaan?...."

"Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je

denken, dat 't niet ging op den duur?"

"Och, wel jà .... wel jà!...."

"Waarom kijk je me niet aan?"

Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht

bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op

haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming,

als een zegen. "Moeder," zei hij, en zijn stem trilde nu even, "er is

heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik

kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo

dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet

meer na'!...."

"Maar .... wat?...."

"Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal

uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee

drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de

komedie...."

En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien

avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en

sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte

zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn

luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn

moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg.

Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor,

Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook

immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste

was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek

hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand,

dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als

vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig, gejaagd soms. Hij kreeg ook

iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van

vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte

zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken

en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was

altijd dezelfde.

De vreemde plant · 第 13 / 47 题