VII.

Zoo ging de zomer voorbij en het najaar.

Nu kwam Wouter wel eens niet zoo vroolijk thuis, liep hij zwijgend de

trap op en keek hij bedrukt als hij binnenkwam. Als zijn moeder dan

vroeg wat er was, zei hij: "Och! zaken, moedertje, zaken, de drukke tijd

komt nu aan, ziet u!" of: "Ja, ja, 't is een slechte tijd voor ons vak,

de menschen koopen geen boeken meer!" Maar den volgenden dag was hij

altijd weer vroolijk en zong en lachte.

In 't eerst kwam Margreet ook Anna wel eens afhalen om te gaan wandelen

en dan kwam Anna altijd vroolijk thuis en vol over Wouter's meisje. Maar

dat kwam al minder en minder voor. 't Was dan ook najaar en 't was geen

weer meer om te wandelen, zei de moeder, als Anna zich er over

beklaagde. Maar ze zag ook wel, dat Anna dikwijls de kamer uitliep als

Margreet er was en ze hoorde wel, dat ze koel en kort tegen haar sprak,

zoodat moeder Rubrecht eens op een morgen aan Anna vroeg: "Zeg, heb je

wat gehad met Margreetje?"

"Ik? Wel, nee, Ma, hoe komt u daaraan?"

"Waarom ben je dan zoo stroef tegen haar en loop je soms de kamer uit,

als ze 'r is?"

"Och! zoo! .... ik weet niet!...."

"Wèl ja, .... wat is dat nou, An?--je weet 't natuurlijk heel goed,

waarom wil je 't me niet zeggen?"

"Och, u kunt toch immers geen kwaad van Wouter z'n meisje hooren! Ik heb

immers toch ongelijk!"

"Kwaad? Kwaad van Wouter z'n meisje? Wat dan? Wat is er dan? Ik wil, dat

je 't me zegt."

"Nou, goed dan! .... ziet u, Wim en ik vinden haar wel lief, maar niets

hartelijk tegen ons. Tegen u en pa is ze eigenlijk ook niet hartelijk,

wèl altijd heel lief, maar...., ik weet niet, niet gewoon, zooals

iedereen, ze wordt dan toch uw dochter!.... Wim zegt, dat ze trotsch is,

maar dat geloof ik niet, want waarop zou in 's hemelsnaam trotsch zijn?

Omdat haar pa nou boekdrukker is? Is dat dan voornamer dan

boekhouder?--Maar, ziet u, weet u, wat ik ook vind? Waarom verwent

Wouter haar zoo? Alles wat ze hebben wil, dat krijgt ze. Altijd opschik!

Een ring met een diamant, voor haar verjaardag een vreeselijk dure

broche, nu weer pas dat gouden kettinkje, zóó maar 's, omdat ze 't zoo

snoezig vond! En hij gaat met haar naar de komedie, soms twee, drie maal

in de week, omdat ze er zoo vreeselijk veel van houd, zegt-ie; nou ja,

wie zou daar niet van houden, maar waar moet Wouter dat allemaal van

betalen? Hij is toch ook maar kantoorbediende net als Wim! En waarom

vraagt ze niet vast wat in hun huishouden, daar heeft ze wat aan.... Al

die opschik, als je al geëngageerd bent!...." Zoo ratelde Anna door,

zich meer en meer opwindend, tot haar moeder, verbaasd, haar in de rede

viel: "Maar kind, zoo spreek je nooit! Hoe kom je daar allemaal aan? Je

weet toch wel, dat Wouter geen onverstandige dingen doet!.... Geloof dat

maar gerust, hoor! Wouter weet wel wat hij doen en laten mag...."

"Maar Wim zegt...."

"Wim moest zich liever met zijn eigen zaken bemoeien!" zei moeder

Rubrecht scherp, maar 't speet haar dadelijk en op Anna toekomend zei

ze zacht: "Nou ja, An, je weet wel hoe 'k 't bedoel, hè? Maar heusch,

Wim is een goeie jongen, maar over Wouter z'n zaken kan hij niet

meepraten.... Je weet toch ook wel dat Wouter tegenwoordig een aandeel

in de winst heeft?...."

"Nou ja, die winst! daar gelooft-ie zelf niet aan!"

"Wat?.... Daar heeft-ie mij nooit iets van gezegd!...."

"Niet?.... Nou, 't kan zijn, dat ik 't overdrijf!.... Enfin, spreekt u

er hem dan ook maar niet over!.... 't Zijn ook eigenlijk mijn zaken

niet!...." En Anna liep de kamer uit.

Moeder Rubrecht was erg geschrokken. Ze had een gevoel alsof haar beenen

opzwollen, ze kon ze haast niet verzetten, ze moest gaan zitten. 't

Bonsde in haar keel, haar lippen brandden. En in haar gilde een stem:

Daar is het! daar heb je 't al! Den heelen dag was 't haar onmogelijk

helder te denken. Ze was angstig, gejaagd, ze gaf verstrooide

antwoorden. Wouter at dien dag bij zijn meisje, hij kwam laat thuis.

Zijn moeder was al naar bed toen hij thuis kwam. Maar zij sliep niet.

Zij hoorde hem de voordeur sluiten, de trap opkomen, naar zijn kamertje

gaan. 't Was vlak boven haar kamer. Zij hoorde hem stommelen op zijn

kamertje. Maar al gauw werd het stil, hoorde ze alleen 't geronk van den

ouden man, die naast haar lag, achterover in zijn slaapmuts. Toen

draaide ze zich om, duwde 't kleine gezichtje weg in 't kussen en ze bad

weer.

Toen week de angst, ze werd kalmer, ze voelde zich wegzinken in doffen

weemoed.

Eindelijk sliep ze in.

De vreemde plant · 第 12 / 47 题