(_Spreuk van Maurits._)
De vrije Nederlanden
Met regt alom vermaard,
Wier vlag, aan alle stranden,
Beroemd is over de aard',--
Ontwoekerd aan de plassen,
Aan wier en aan moerassen,
Door 't volk zoo vroed als vroom;
Door ongehoorden nijver;
Het pronkjuweel van d' ijver,--
Het spruitje wordt een boom.
Het hemeltergend Spanje
Hoont Neêrlands goed en bloed,
Maar Neêrland en Oranje,
Ontvlamt in Heldenmoed!
"Wat! droppel aan den emmer!"
Brult Spanjes schepterklemmer,
"Wat wil uw ijdle droom?"
Doch, drupjes worden vloeden,
Die toomeloos vaak woeden,--
Het spruitje wordt een boom!
De noeste Koopvaardije,
Met welvaart op 't gelaat;
De bloei der maatschappije,
De zenuw van den staat!
Wier altoos volle horen,
Haar goud, bij goud trezoren,
Ontlast met milden stroom;
Ofschoon uit niet gesproten,
Wie telt heur rijke vloten?
Het spruitje wordt een boom!
Gij, landbouw en gij veeteelt,
Gezegend tweelingpaar!
Die zoo veel wellust meêdeelt,
Waarheen het oog ook staar';
Uw welige akkers bloeijen,
Uw malsche kudden loeijen,
En geven enkel room!
Hoe klein gij zijt begonnen,
Wat schat hebt gij gewonnen ...
Het spruitje wordt een boom!
Zie, Kunst en Wetenschappen,
Veredelen den geest!
Wie hoog staat op heur trappen,
Is ook eens laag geweest!
Maar langzaam opgeklommen,
Tot hare heiligdommen,
Met telkens minder schroom;
Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen,
De kroon der eere glimmen,--
Het spruitje wordt een boom!
De vrije Nederlanden,
Met regt alom vermaard,
Wier vlag aan alle stranden,
Beroemd is over de aard,--
Ontwoekerd aan de plassen,
Aan wier en aan moerassen,
Door 't volk zoo vroed als vroom;
Door ongehoorden nijver,
Het pronkjuweel van d' ijver,--
Het spruitje wordt een boom.