Wat! mijn hand zou ooit zich wennen,
Aan die harde stalen pennen?
Hoe de smaak ze hulde doet,
'k Haat dat schriftbedervend goed!
Telkens als haar punten sprikkelen,
Spatten zij wel duizend spikkelen
Op het hagelblanke vel,
Tot uw tergend zielsgekwel!
Dan, door vrekheid weêr gedreven,
Willen zij geen' inkt meer geven,
En, hoe forsch de hand ook drukt,
't Is een kerel, wien 't gelukt,
't Krabblend tuig tot deugd te schikken!
Wordt gij driftig, aanstonds prikken
Zij met scherp geslepen stift,
Gat bij gat, in blad en schrift!
Wisten onze voorgeslachten
Anders dan van ganzenschachten?
En, wat is ons vuil gevlek,
Bij hun' zuivren pennetrek?
Op wat rij van kunstenaren,
Mogt het juichende oog niet staren,
Kunstenaars, wier eedle zwier,
(Of zij tooverde op 't papier!)
Keur van letters deden vloeijen!
Voor ons hanepooten knoeijen,
Had, voorheen, een schoolknaap wat
Duchtig met de plak gehad!
Ja, de kunst van sierlijk schrijven,
Zag men reeds zoo ver verdrijven,
Dat men, draaglijk schrift, verheft
Of het oog een wonder treft!
Fraaije kunst! schoon 't staal u bande,
Keer, o keer weêr in den lande!
Breng ons, nutte ganzenveer!
Breng ons de eedle schrijfkunst weêr!