Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet,
Is, Dood! dees beeldtnis uw portret?
De Schilder wou u wis begekken!
Hoe! dit uw houding? dit uw trekken?
Gij groeide leelijk door uw haar,
Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar!
Noch bakkebaard, of zijns gelijken,
Geen enkel donsje zie ik prijken,
En waar uwe oogen moesten staan,
Daar kijken holle gaten me aan!
Uw neus is zeker uit logeren,--
O! mogt hij spoedig wederkeeren;
Want toch de gevel siert het huis!
Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis:
Die armen schijnen dorre takken,
Die krachteloos ter neder zakken;
Daar aan de hand, slechts knok en been,
De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên!
Uw borst lijkt wel een traliehokje,
(Van vleesch vindt men geen enkel brokje!)
Waaraan het beestjen is ontvlugt;
En, tot volmaking van de klucht,
Kreegt gij voor beenen, lange fluiten;
Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten!
Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is
Verschrikklijk mooi, die beeldtenis!
Het is u sprekend weêrgegeven!
Geloof me, Dood! gij schijnt te leven!
En dan dat heerlijk coloriet
Des Schilders ... wit, al wat men ziet!
Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend,
Behoefde één verw slechts ... 't is benijdend!
Alleen, flatteert hij niet wat mild? ...
Doch, gekheid op een stokje, wilt
Gij over 't stuk en zonder fleemen,
Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen,
Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen:
Hoor, 't is een guit, of brekebeen,
Dat allerliefste Apelles Zoontje!
'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje,
Had dus zijn dom of schalksch palet,
Vol wansmaak me op 't paneel gezet!
Is dat het beeld van u, wiens krachten,
Reeds zoo veel duizende geslachten,
Met forschen arm en stalen vuist
Tot stof en pulver hebt vergruisd?
Is dat uw uitzigt, dat uw houding,
Waar eeuw aan eeuwen geen verouding,
Geen kreuk op hebben neêrgedrukt,
De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt?
En geeft dit misselijk geraamte,
(O kladderij, der kunst tot schaamte!)
Uw kloeke leest en aanschijn weêr?
Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer!
Uw wraak moet hem den kop verpletten,
Die dus uw beeld ten toon dorst zetten,
Zoo wage, een magtloos schilderworm,
Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm!