"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent?
"Erast, de nieuwe lichter,
"Koopt steeds 't antiekste ameublement,
"Maar blijft Gomaars betichter,
"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt,
"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"
Ik vonnis niet en haat den twist,
Ja, laat aan elk zijn keuze,
Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist,
De vrijheid zij mijn leuze!
Maar toch, ik zeg uit vol gemoed,
In 't oud en nieuw is kwaad en goed!
Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift
Bragt heel mij van 't chapiter;
Het kaartspel, luidt het bovenschrift,
Voor 't kaartspel klink' de citer;
Welaan, mijn zangster! men verbeidt,
Zing luid van de oudste antiquiteit!
1. Met regt, dat Memphis boezem zwell',
Om de eer haar rijk beschoren;
Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel,
Door 't schoonst genie geboren;
En de allergrijste piramied,
Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!
2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat,
Den schat van eigen vinding,
En bragt, door hieroglyphen, 't blad,
Met godsdienst in verbinding;
Zoodat, van vromen geest bezield,
Men kaartenspelend oefning hield!
3. Sibyllen! uw orakelhol,
Hadd' nooit van goud geblonken,
Zoo niet de kaart, den vragersbol
Het antwoord hadd' geschonken;
Uw goochelkunst staat nog in eer,
Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!
4. Hoe! rukken Moor en Arabier
Zoo plotsling uit het Oosten?
U, Spanje! geldt het krijgsgetier,
Maar 't zoetst geschenk zal troosten!
De vijand biedt de kaart u aan,
En gij--verwenscht heur naar de maan!
5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland,
't Wou eerst ook dáár niet lukken,
Maar--zesde Karel,--zijn verstand,
Kreeg eensklaps bijstre nukken!
De Vorst wordt meer dan stapel gek,
En nu, nu komt de kaart in trek!
6. De groote schilder Gringoneur,
Een baas in 't portretteren,
Liet in het spel, door frissche kleur,
Geheel het hof spanceren;
Dat deed den Koning zulk een deeg,
Dat Gringoneur een lintje kreeg!
7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart,
In vier verscheiden rijken;
Hij had het opperbest geklaard,
Elk stond er van te kijken!
Geen mensch, die iets te vitten had,
En, bij de Vorsten, zegt dat wat!
8. Bourgondië verkreeg een ruit;
De Frank, een schop, op 't plaatje;
Een hart viel Orleans ten buit;
Brittanje een klaverblaadje;
Naauw was het af,--of zie, 't palet
Schonk nu den hofstoet zijn portret!
9. La Hire en Hector, o, hoe schoon
Wist u de kunst te malen!
Gij spreidt het beeld van Mars ten toon,
Kloekhafte Generalen!
En wie de ronde boeren ziet,
Miskent uw sprekend wezen niet!
10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel,
Het liefje van den Koning,
't Was met des Konings hoofd niet wel,
Daarom dient hij verschooning,
Geen ander Vorst, bij vol verstand,
Heeft immers liefjes aan de hand?
11. Wie, Pallas, maagd van Orleans!
Die streed voor 's Konings regten,
Wie waagt niet liefst met u een kans
In 't eten, dan in 't vechten?
Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein,
Gij schopte menige _Goddem_!
12. Wat majesteit, wat fiere bouw,
Wat pracht van zijde lokken,
O, overschoone klavervrouw!
Gij hebt mijn oog getrokken!
Maar dat mijn min zich zelv' verwinn',
Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin.
13. Wat lacht die freule harten wit,
Haar hartje speelt in harten,
Voor 't klooster had de maagd geen zit,
Wis bragt ze er vreemde parten!
Foei, Isabel van Beijren, foei!
Uw goede naam krijgt nog een' knoei!
14. Maar wie of schoppenheer mag zijn?
Dat 's wel een uitgelezen!
't Is Isrels David--de Dauphin,
Er schijnt iets joodsch in 't wezen!
Hij is, gemeten met een zeef,
Nog Koning Davids achterneef!
Zoo biedt u elke pop het beeld
Van eene onschatbre parel;
En ieder, die een kaartje speelt,
Speelt met het Hof van Karel!
Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop!
Sla zelv' uw kunstverzaamling op.
Wij keeren tot den Koning weêr,
Hoor, 'k wil het niet verhelen,
't Was droevig toch, een Vorst en Heer,
Met prentjes te zien spelen,
Maar wonder, zonder wedergâ,
Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!
Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond
Kwam 't kaartspel in de mode;
Nu, daar een Koning 't aardig vond,
Een zot, die 't niet vergoodde,
En was het spel, het spel eens dwaas,
't Was toch ook 't spel eens grooten baas!
Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart!
Wier kunst de tijd doet spoeijen;
Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard,
Dat gekken zelfs kan boeijen,
Lof, lof, aan de oudste antiquiteit,
Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!
* * * * *