Door een zeebad versterkt!--Vloed, ebbe en magnetische
helling.--Scheepstimmerhout.--Het vlot.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte was ik geheel genezen. Ik
meende, dat een bad zeer heilzaam voor mij zou zijn, en dompelde mij
daarom eenige minuten lang in het water dezer Middellandsche zee. Dien
naam verdiende zij zeker meer dan eenige andere.
Ik kwam met goeden eetlust aan het ontbijt. Hans verstond zeer goed
de kunst om onze kleine spijskaart gereed te maken; hij had water en
vuur ter zijner beschikking, zoodat hij eenige afwisseling kon brengen
in onzen gewonen kost. Bij het nagerecht schonk hij ons eenige kopjes
koffie in, en nooit proefde ik met meer smaak dien heerlijken drank.
"Nu," zeide mijn oom, "is het de tijd van den vloed, en wij moeten
de gelegenheid niet verzuimen om dit verschijnsel waar te nemen."
"Hoe, de vloed!" riep ik.
"Zonder twijfel."
"Doet de invloed van maan en zon zich dan zelfs hier gevoelen?"
"Waarom niet? Zijn de lichamen niet in hun geheel aan de algemeene
aantrekking onderworpen? Derhalve kan deze watermassa zich niet aan de
algemeene wet onttrekken. Ook zult gij zien, dat zij zich in weerwil
van de luchtdrukking op hare oppervlakte even goed verheft als de
Atlantische Oceaan zelf."
Op dit oogenblik betraden wij het zand van den oever en de golven
kwamen langzamerhand verder het strand op.
"Dat is toch het begin van den vloed," riep ik.
"Ja, Axel! en aan de strepen van het schuim kunt gij zien, dat de
zee omtrent tien voet stijgt."
"Het is vreemd!"
"Neen, het is natuurlijk."
"Gij moogt zeggen wat gij wilt: dit alles schijnt mij buitengewoon
toe en nauwelijks kan ik mijne oogen gelooven. Wie zou ooit binnen
de schors der aarde een echten oceaan met zijne ebbe en zijn vloed,
zijne winden en stormen verwacht hebben!"
"Waarom niet? Is er eene natuurkundige reden tegen?"
"Ik zie er geene, zoodra ik het stelsel der inwendige warmte moet
opgeven."
"Tot nu toe wordt de theorie van Davy dus bevestigd?"
"Zeker, en dan is er ook niets te zeggen tegen het bestaan van zeeën
of landen binnen den aardbol."
"Zonder twijfel, maar onbewoond."
"Waarom? zouden deze wateren geene onbekende vischsoorten kunnen
herbergen?"
"In allen gevalle hebben wij er tot nu toe geene aangetroffen."
"Welnu, wij kunnen hengels maken en zien, of de hoek hier beneden
even gelukkig zal zijn als in de ondermaansche zeeën.
"Wij kunnen het beproeven, Axel! want wij moeten al de geheimen dezer
nieuwe gewesten uitvorschen."
"Maar waar zijn wij, oom? want ik heb u deze vraag nog niet gedaan,
waarop uwe werktuigen u het antwoord moeten geven."
"In een waterpasse richting driehonderd vijftig uur gaans van IJsland."
"Zoo ver?"
"Ik ben zeker, dat ik mij geen vijf honderd vadem bedrieg."
"En wijst het kompas nog altijd zuidoost?"
"Ja! met eene westelijke afwijking van negentien graad en twee en
veertig minuten, juist als op aarde. Met zijne helling heeft iets
bijzonders plaats, dat ik met de uiterste zorg heb waargenomen."
"En dat is?"
"Dat de naald, in plaats van naar de pool te hellen, zooals zij op
het noordelijk halfrond doet, integendeel rijst."
"Daaruit moeten wij dus opmaken, dat het punt van magnetische
aantrekking ligt tusschen de oppervlakte van den aardbol en de plaats
waar wij ons thans bevinden?"
"Juist! en het is waarschijnlijk, dat, als wij onder de poolstreken
kwamen, waar James Ross de magnetische pool ontdekt heeft, wij
zien zouden, dat de naald loodrecht gaat staan. Derhalve ligt dat
geheimzinnige middelpunt van aantrekking niet zeer diep."
"Dat is inderdaad een feit, dat de wetenschap niet vermoed heeft."
"De wetenschap, mijn jongen! is samengesteld uit dwalingen, maar uit
zulke, die het goed is te begaan, want zij voeren langzamerhand tot
de waarheid."
"En op welke diepte zijn wij?"
"Op eene diepte van vijf en dertig uur gaans."
"Dan is," zeide ik de kaart naziende, "het Schotsche Hoogland boven
ons, en daar verheft het Grampian-gebergte zijne met sneeuw bedekte
kruin tot eene aanzienlijke hoogte."
"Ja!" antwoordde de professor lachende, "de vracht is wel wat zwaar,
maar het gewelf is stevig; de groote bouwmeester van het heelal heeft
het van goede bouwstoffen gemaakt, en nooit zou de mensch er zulk eene
draagkracht aan hebben kunnen geven! Wat zijn de bogen der bruggen
en de spitsbogen der hoofdkerken vergeleken met dit schip van een
straal van drie uur gaans, waaronder een oceaan en stormen zich op
hun gemak kunnen ontwikkelen?"
"O! ik vrees niet, dat de hemel zal instorten. Oom, wat zijn nu uwe
plannen? Denkt gij er niet aan om naar de oppervlakte van den aardbol
terug te keeren?"
"Terugkeeren! Nu nog mooier! Onze reis voortzetten, ja! daar tot nu
toe alles zoo goed gaat."
"Maar ik zie niet in, hoe wij door deze vloeibare massa heen moeten
komen."
"Ik ben niet van plan om er mij met het hoofd naar beneden in te
storten. Maar als de oceanen eigenlijk gezegd slechts meren zijn, daar
het land hen omringt, dan is het zeker dat deze binnenzee ingesloten
is door het vaste graniet."
"Dat is niet twijfelachtig."
"Welnu! op den tegenoverliggenden oever ben ik zeker nieuwe uitwegen
te zullen vinden."
"Hoe lang veronderstelt gij dan, dat deze oceaan is?"
"Dertig of veertig uur gaans."
"Zoo!" antwoordde ik, maar dacht toch dat die schatting wel
onnauwkeurig zou zijn.
"Wij hebben dus geen tijd te verliezen, en morgen reeds steken wij
in zee."
Onwillekeurig zochten mijne oogen het schip, dat ons moest overbrengen.
"Wij zullen ons dus inschepen," zeide ik. "Goed! En met welk schip
zullen wij den overtocht doen?"
"Niet met een schip, mijn jongen! maar met een goed en stevig vlot."
"Een vlot!" riep ik; "een vlot is even onmogelijk te vervaardigen
als een schip, en ik zie niet...."
"Gij ziet niet, Axel! maar als gij luisterdet, zoudt gij kunnen
hooren!"
"Hooren?"
"Ja! eenige hamerslagen, die u zouden zeggen, dat Hans reeds aan het
werk is."
"Vervaardigt hij een vlot?"
"Ja!"
"Heeft hij dan reeds boomen onder zijne bijl doen vallen?"
"O! de boomen waren reeds geveld. Kom mede en gij zult hem aan het
werk zien."
Na eene wandeling van een kwartier uurs zag ik Hans werken aan de
andere zijde van het voorgebergte, dat de kleine natuurlijke haven
vormde; nog eenige stappen en ik was bij hem. Tot mijne groote
verbazing lag een half voltooid vlot op het zand; het bestond uit
balken van eene bijzondere houtsoort, en een groot aantal zware
planken. Kromhouten en allerlei spanten bedekten letterlijk den
bodem. Er lag daar genoeg om eene geheele vloot te timmeren.
"Oom!" riep ik, "wat is dat voor hout?"
"Het is pijnboomhout, dennenhout, beukenhout, al de soorten van
noordsche kegeldragers, die versteend zijn door de werking van het
zeewater."
"Is het mogelijk!"
"Dat noemt men "Surtarbrandur" of versteend hout."
"Maar als fossiel hout moet het zoo hard zijn als steen, en kan het
dan drijven?"
Soms niet; dat hout wordt wel eens echte koolblende; weder ander hout,
zooals dit, heeft nog slechts een begin van versteening ondergaan. "Zie
maar," voegde mijn oom er bij, terwijl hij een stuk van dat kostbare
strandgoed in zee wierp.
Het hout zonk eerst, kwam toen weder boven en dreef op de golven.
"Zijt gij overtuigd?" zeide mijn oom.
"Vooral daarvan, dat het onmogelijk is."
Den avond van den volgenden dag was, dank zij de bekwaamheid van
den gids, het vlot voltooid; het was tien voet lang en vijf breed;
de balken van Surtarbrandur met stevige touwen aan elkander verbonden
boden een vaste oppervlakte aan, en toen het te water was gelaten,
dreef dit nieuwe vaartuig rustig op de golven der Lidenbrock-zee.