HOOFDSTUK XXX

De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende

zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees

voor voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.

Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich

terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan

verbaasd.

"De zee!" riep ik.

"Ja!" antwoorde mijn oom, "de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat

geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben,

noch het recht om haar naar mij te noemen!"

Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een oceaan

strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever

vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel

zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin de eerste wezens der

schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas,

dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeën, het

lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en

eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand,

omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van

verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene

onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar

scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der

branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver

uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder.

Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers,

maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen.

Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat

een "bijzonder" licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht

met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding

zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin

der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De

sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere

en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien

van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen

oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te

zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een

oceaan kon bevatten.

Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit

groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der

verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou

gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene

verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene

natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar

nu "was het mooi weer." De electrische plekken brachten verbazende

spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere

schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls

schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke

kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak

dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen

indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde

door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte

op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet

toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet.

Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde

gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht

ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl twee sterren,

Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij

de waarheid gesproken hebben?

Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare

breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het

gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik

werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat

hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar

steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet

waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte

op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der

aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke

dichtheid der lucht moest worden toegeschreven.

Het woord "hol" drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze

onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal

schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt.

Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk

eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar

kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers

sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen.

Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht,

het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over

eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte

zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke

Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar

zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief

en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te

bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat,

hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische

uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne

verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid.

Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan

woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de

eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn

van verschijnselen, waarvan mijne "aardsche" natuur geen begrip

had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne

verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht,

bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik.

Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op

mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te

behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe

geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij de kracht eener

zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde.

Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche

opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen

zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen.

Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere

grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was,

verwonderde zich niet meer.

"Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?" vroeg hij mij.

"Ja zeker!" antwoordde ik, "niets zal mij aangenamer zijn."

"Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever

volgen."

Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs

de kust van dezen nieuwen oceaan.

Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde

rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking

maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot

heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen

wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan,

en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl

zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen.

Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek,

die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan

had sedert de schepping der wereld.

"Haar zullen wij voortaan missen!" zeide ik zuchtende.

"Ba!" antwoordde de professor, "haar of eene andere, wat maakt

dat uit?"

Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar.

Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne

aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog

voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan

onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige

zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de

luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks

den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen.

Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze

zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe

bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar

eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat

water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen,

bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over.

Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, maar op

eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk

bij hun naam.

"Het is een woud van paddestoelen," zeide hij.

En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling

dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen

ophouden. Ik wist, dat de "lycoperdon giganteum," volgens Bulliard,

een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte,

dertig à veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde

middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door

hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte

onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de

ronde daken eener afrikaansche stad.

Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel

neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in

die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen

begroette ik weder de oevers der zee.

Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet

louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze

een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren

gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met

wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige

zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge

breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in

lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige

cactussen.

"Verbazend," riep mijn oom. "Ziedaar de geheele plantenwereld uit

het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die

nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste

eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een

plantenkenner op zulk een feest geweest!"

"Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke

broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de

scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld."

"Gij zegt terecht, dat het eene broeikas is, mijn jongen! maar

gij zoudt u nog juister uitdrukken, als gij er bijvoegdet, dat het

misschien eene diergaarde is."

"Eene diergaarde!"

"Ja, zonder twijfel. Bezie het stof maar, dat wij vertreden; die op

den grond verspreide beenderen."

"Beenderen!" riep ik. "Ja! beenderen van voorwereldlijke dieren!"

Ik viel aan op die eeuwenoude overblijfselen, bestaande uit eene

onvergankelijke delfstoffelijke zelfstandigheid [12]. Ik gaf zonder

aarzelen een naam aan die reusachtige beenderen, die op uitgedroogde

boomstammen geleken.

"Dat is de onderkaak van den Mastodont," zeide ik; "dat zijn de

maaltanden van het Dinotherium, ziedaar een dijbeen, dat alleen aan het

grootste dezer dieren, het Megatherium, kan toebehoord hebben. Ja,

wel is het eene diergaarde, want die beenderen zijn hier zeker

niet gebracht door een zondvloed; de dieren, waaraan zij behooren,

hebben geleefd aan de oevers dezer onderaardsche zee, in de schaduw

dezer boomachtige planten. Zie, daar bespeur ik geheele geraamten. En

toch...."

"En toch?" zeide mijn oom.

"Begrijp ik de aanwezigheid van zulke viervoetige dieren niet in dit

hol van graniet."

"Waarom niet?"

"Omdat het dierlijke leven op aarde eerst bestaan heeft in de

secundaire tijdperken, toen de aangespoelde grond gevormd is door

het alluvium en de witgloeiende rotssteenen van het eerste tijdperk

heeft vervangen."

"Hoe! op zulk eene diepte onder de oppervlakte der aarde?"

"Zonder twijfel, en deze daadzaak kan geologisch verklaard worden. In

een zeker tijdperk bestond de aarde uit eene veerkrachtige schors,

aan afwisselende op- en nedergaande bewegingen onderworpen, tengevolge

van de wetten der aantrekkingskracht. Het is waarschijnlijk, dat

er verzakkingen in den bodem zijn gekomen, en dat een gedeelte

der aangespoelde gronden weggezonken is in de plotseling geopende

afgronden."

"Dat moet zoo zijn. Maar als er voorwereldlijke dieren geleefd hebben

in deze onderaardsche streken, wie verzekert ons dan, dat er nog niet

het eene of andere van die monsters rondzwerft in deze sombere wouden

of achter die steile rotsen?"

Bij deze gedachte onderzocht ik, niet zonder angst, de verschillende

punten van den gezichteinder; maar geen levend wezen vertoonde zich

op die eenzame oevers.

Ik was een weinig vermoeid; ik ging zitten op het uiteinde van een

voorgebergte, aan welks voet de golven met veel geraas braken. Van

daar omvatte mijn blik de geheele baai, die door een inham van de kust

werd gevormd. Achterin werd eene kleine haven door pyramidale rotsen

ingesloten. Haar kalm water was tegen den wind beschut. Een brik en

twee of drie schoeners hadden er gemakkelijk in kunnen omkeeren. Ik

rekende er bijna op het eene of andere vaartuig met volle zeilen te

zien uitloopen en met den zuidenwind het ruime sop kiezen.

Maar die begoocheling verdween weldra. Stellig waren wij de eenige

levende schepselen in deze onderaardsche wereld. Als de wind

soms ging liggen, daalde eene stilte, nog veel dieper dan die der

woestijn, op de dorre rotsen, en drukte op de oppervlakte van den

oceaan. Dan trachtte ik door de verre nevelen heen te boren en die

gordijn te verscheuren, die voor den geheimzinnigen achtergrond

van den gezichteinder hing. Wat al vragen verdrongen zich op mijne

lippen! Waar eindigde die zee? Waar voerde zij heen? Zouden wij immer

hare tegenoverliggende oevers bereiken?

Mijn oom twijfelde er volstrekt niet aan. Ik wenschte en vreesde het

te gelijk.

Na een uur doorgebracht te hebben met de beschouwing van dit

wonderlijke tooneel, gingen wij weder langs het strand naar de grot,

en met het hoofd vol van de zonderlingste denkbeelden viel ik in een

gerusten slaap.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 35 / 60 题