De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende
zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees
voor voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.
Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich
terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan
verbaasd.
"De zee!" riep ik.
"Ja!" antwoorde mijn oom, "de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat
geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben,
noch het recht om haar naar mij te noemen!"
Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een oceaan
strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever
vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel
zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin de eerste wezens der
schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas,
dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeën, het
lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en
eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand,
omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van
verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene
onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar
scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der
branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver
uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder.
Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers,
maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen.
Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat
een "bijzonder" licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht
met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding
zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin
der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De
sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere
en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien
van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen
oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te
zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een
oceaan kon bevatten.
Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit
groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der
verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou
gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene
verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene
natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar
nu "was het mooi weer." De electrische plekken brachten verbazende
spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere
schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls
schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke
kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak
dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen
indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde
door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte
op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet
toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet.
Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde
gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht
ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl twee sterren,
Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij
de waarheid gesproken hebben?
Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare
breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het
gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik
werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat
hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar
steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet
waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte
op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der
aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke
dichtheid der lucht moest worden toegeschreven.
Het woord "hol" drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze
onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal
schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt.
Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk
eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar
kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers
sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen.
Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht,
het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over
eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte
zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke
Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar
zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief
en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te
bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat,
hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische
uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne
verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid.
Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan
woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de
eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn
van verschijnselen, waarvan mijne "aardsche" natuur geen begrip
had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne
verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht,
bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik.
Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op
mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te
behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe
geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij de kracht eener
zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde.
Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche
opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen
zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen.
Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere
grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was,
verwonderde zich niet meer.
"Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?" vroeg hij mij.
"Ja zeker!" antwoordde ik, "niets zal mij aangenamer zijn."
"Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever
volgen."
Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs
de kust van dezen nieuwen oceaan.
Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde
rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking
maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot
heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen
wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan,
en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl
zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen.
Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek,
die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan
had sedert de schepping der wereld.
"Haar zullen wij voortaan missen!" zeide ik zuchtende.
"Ba!" antwoordde de professor, "haar of eene andere, wat maakt
dat uit?"
Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar.
Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne
aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog
voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan
onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige
zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de
luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks
den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen.
Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze
zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe
bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar
eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat
water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen,
bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over.
Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, maar op
eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk
bij hun naam.
"Het is een woud van paddestoelen," zeide hij.
En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling
dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen
ophouden. Ik wist, dat de "lycoperdon giganteum," volgens Bulliard,
een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte,
dertig à veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde
middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door
hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte
onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de
ronde daken eener afrikaansche stad.
Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel
neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in
die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen
begroette ik weder de oevers der zee.
Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet
louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze
een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren
gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met
wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige
zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge
breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in
lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige
cactussen.
"Verbazend," riep mijn oom. "Ziedaar de geheele plantenwereld uit
het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die
nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste
eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een
plantenkenner op zulk een feest geweest!"
"Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke
broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de
scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld."
"Gij zegt terecht, dat het eene broeikas is, mijn jongen! maar
gij zoudt u nog juister uitdrukken, als gij er bijvoegdet, dat het
misschien eene diergaarde is."
"Eene diergaarde!"
"Ja, zonder twijfel. Bezie het stof maar, dat wij vertreden; die op
den grond verspreide beenderen."
"Beenderen!" riep ik. "Ja! beenderen van voorwereldlijke dieren!"
Ik viel aan op die eeuwenoude overblijfselen, bestaande uit eene
onvergankelijke delfstoffelijke zelfstandigheid [12]. Ik gaf zonder
aarzelen een naam aan die reusachtige beenderen, die op uitgedroogde
boomstammen geleken.
"Dat is de onderkaak van den Mastodont," zeide ik; "dat zijn de
maaltanden van het Dinotherium, ziedaar een dijbeen, dat alleen aan het
grootste dezer dieren, het Megatherium, kan toebehoord hebben. Ja,
wel is het eene diergaarde, want die beenderen zijn hier zeker
niet gebracht door een zondvloed; de dieren, waaraan zij behooren,
hebben geleefd aan de oevers dezer onderaardsche zee, in de schaduw
dezer boomachtige planten. Zie, daar bespeur ik geheele geraamten. En
toch...."
"En toch?" zeide mijn oom.
"Begrijp ik de aanwezigheid van zulke viervoetige dieren niet in dit
hol van graniet."
"Waarom niet?"
"Omdat het dierlijke leven op aarde eerst bestaan heeft in de
secundaire tijdperken, toen de aangespoelde grond gevormd is door
het alluvium en de witgloeiende rotssteenen van het eerste tijdperk
heeft vervangen."
"Hoe! op zulk eene diepte onder de oppervlakte der aarde?"
"Zonder twijfel, en deze daadzaak kan geologisch verklaard worden. In
een zeker tijdperk bestond de aarde uit eene veerkrachtige schors,
aan afwisselende op- en nedergaande bewegingen onderworpen, tengevolge
van de wetten der aantrekkingskracht. Het is waarschijnlijk, dat
er verzakkingen in den bodem zijn gekomen, en dat een gedeelte
der aangespoelde gronden weggezonken is in de plotseling geopende
afgronden."
"Dat moet zoo zijn. Maar als er voorwereldlijke dieren geleefd hebben
in deze onderaardsche streken, wie verzekert ons dan, dat er nog niet
het eene of andere van die monsters rondzwerft in deze sombere wouden
of achter die steile rotsen?"
Bij deze gedachte onderzocht ik, niet zonder angst, de verschillende
punten van den gezichteinder; maar geen levend wezen vertoonde zich
op die eenzame oevers.
Ik was een weinig vermoeid; ik ging zitten op het uiteinde van een
voorgebergte, aan welks voet de golven met veel geraas braken. Van
daar omvatte mijn blik de geheele baai, die door een inham van de kust
werd gevormd. Achterin werd eene kleine haven door pyramidale rotsen
ingesloten. Haar kalm water was tegen den wind beschut. Een brik en
twee of drie schoeners hadden er gemakkelijk in kunnen omkeeren. Ik
rekende er bijna op het eene of andere vaartuig met volle zeilen te
zien uitloopen en met den zuidenwind het ruime sop kiezen.
Maar die begoocheling verdween weldra. Stellig waren wij de eenige
levende schepselen in deze onderaardsche wereld. Als de wind
soms ging liggen, daalde eene stilte, nog veel dieper dan die der
woestijn, op de dorre rotsen, en drukte op de oppervlakte van den
oceaan. Dan trachtte ik door de verre nevelen heen te boren en die
gordijn te verscheuren, die voor den geheimzinnigen achtergrond
van den gezichteinder hing. Wat al vragen verdrongen zich op mijne
lippen! Waar eindigde die zee? Waar voerde zij heen? Zouden wij immer
hare tegenoverliggende oevers bereiken?
Mijn oom twijfelde er volstrekt niet aan. Ik wenschte en vreesde het
te gelijk.
Na een uur doorgebracht te hebben met de beschouwing van dit
wonderlijke tooneel, gingen wij weder langs het strand naar de grot,
en met het hoofd vol van de zonderlingste denkbeelden viel ik in een
gerusten slaap.