Met zekere spijt antwoordde mijn oom: "Vreemdelingen intusschen...."

"Wat zou dat! De vreemdelingen hebben hunne bibliotheek te huis, en

voor alles moeten onze boeren leeren. Ik herhaal het, de liefde voor

de studie zit in het ijslandsche bloed. Zoo hebben wij in 1816 een

letterkundig genootschap opgericht, dat goed gaat; vreemde geleerden

stellen er eene eer in om er toe te behooren; het geeft boeken uit,

bestemd voor de opvoeding onzer landgenooten en bewijst ware diensten

aan het land. Als gij één onzer correspondeerende leden wilt zijn,

mijnheer Lidenbrock! zult gij ons het grootste genoegen doen."

Mijn oom, die reeds lid was van een honderdtal geleerde genootschappen,

nam het aanbod zoo goedgunstig aan, dat de heer Fridriksson er door

getroffen werd.

Deze hernam: "Wees nu zoo goed mij de boeken op te noemen, die

gij in onze bibliotheek gehoopt hadt te vinden; misschien zal ik u

dienaangaande inlichtingen kunnen geven."

Ik zag mijn oom aan. Hij aarzelde om te antwoorden. Dat raakte

rechtstreeks zijne plannen. Na eenig nadenken besloot hij echter

te spreken.

"Mijnheer Fridriksson!" zeide hij, "ik wilde weten, of gij onder de

oude werken ook die van Arne Saknussemm bezit?"

"Arne Saknussemm!" antwoordde de reikiaviksche hoogleeraar; "gij wilt

spreken van dien geleerde uit de zestiende eeuw, die tegelijk een

groot natuurkundige, een groot goudmaker en een groot reiziger was?"

"Juist!"

"Een van de sieraden der ijslandsche letterkunde en wetenschap?"

"Zoo als gij zegt."

"Een der vermaardste mannen?"

"Ik stem het toe."

"En wiens vermetelheid zijn vernuft evenaarde?"

"Ik zie, dat gij hem goed kent."

Mijn oom was buiten zich zelven van vreugde, toen hij zoo over zijn

held hoorde spreken. Hij verslond den heer Fridriksson met de oogen.

"Welnu!" vraagde hij, "zijne werken?"

"Ach! zijne werken bezitten wij niet."

"Hoe! op IJsland?"

"Zij bestaan noch op IJsland noch ergens anders."

"En waarom niet?"

"Omdat Arne Saknussemm wegens ketterij werd vervolgd en zijne werken

in 1573 te Kopenhagen door beulshanden werden verbrand."

"Zeer goed! In orde!" riep mijn oom tot groote ergernis van den

professor in de natuurwetenschappen.

"Wat zegt gij daar?" vroeg deze.

"Ja! alles wordt duidelijk, alles staat in verband, alles is

opgehelderd, en nu begrijp ik, waarom Saknussemm, op den index

geplaatst en gedwongen om de ontdekkingen van zijn vernuft te

verbergen, onder een onverstaanbaar geheimschrift het geheim...."

"Welk geheim?" vraagde de heer Fridriksson driftig.

"Een geheim, dat ... waarvan...." antwoordde mijn oom aarzelend.

"Hebt gij misschien het een of ander bijzonder document?" hernam

onze gastheer.

"Neen ... Het was slechts eene veronderstelling."

"Goed," hernam de heer Fridriksson, die de vriendelijkheid had er

niet verder op aan te dringen, toen hij de verwarring van zijn gast

zag. "Ik hoop," voegde hij er bij, "dat gij ons eiland niet zult

verlaten, voor gij uit zijn delfstoffelijken rijkdom geput hebt?"

"Zeker niet," antwoordde mijn oom; "maar ik kom wat laat; zijn hier

reeds geleerden geweest?"

"Ja, mijnheer Lidenbrock! de arbeid van de heeren Olafsen en

Povelsen, op bevel des konings verricht, de studiën van Troïl,

de wetenschappelijke zending van de heeren Gaimard en Robert aan

boord van de fransche korvet la Recherche [2], en onlangs nog de

waarnemingen der fransche geleerden op het fregat la Reine Hortense,

hebben de kennis van IJsland zeer vermeerderd. Maar, geloof mij,

er is nog wel wat te doen."

"Denkt gij?" vroeg mijn oom met een onnoozel gezicht, terwijl hij

zijn best deed om het flikkeren zijner oogen te matigen.

"Ja! Wat al ter nauwernood bekende bergen, gletschers en vulkanen zijn

er nog te bestudeeren! Zonder ver weg te gaan, ziet gij dien berg,

die zich aan den gezichteinder verheft? dat is de Sneffels."

"Zoo!" sprak mijn oom, "de Sneffels."

"Ja een der merkwaardigste vulkanen, wiens krater men zelden bezoekt."

"Een uitgebrande?"

"O, al sedert vijf honderd jaar."

"Welnu!" antwoordde mijn oom, die zenuwachtig zijne beenen over

elkander sloeg om niet van zijn stoel op te springen, "ik heb wel lust

om mijne geologische studiën te beginnen met dien Seffel ... Fessel

... hoe zegt gij?"

"Sneffels," hernam de uitmuntende heer Fridriksson.

Dit gedeelte van het gesprek was in het latijn gevoerd; ik had alles

verstaan en kon mij moeielijk goed houden, toen ik zag, hoe mijn

oom zijne aan alles zichtbare tevredenheid bedwong; hij zette een

onschuldig gezicht, dat wel op het grijnzen van een ouden duivel

geleek.

"Ja!" sprak hij, "mijn besluit is door uw gezegde bepaald; wij zullen

beproeven dien Sneffels te bestijgen, misschien wel zijn krater

te bestudeeren!"

"Het spijt mij zeer," antwoordde de heer Fridriksson, "dat mijne

bezigheden mij niet toelaten mij te verwijderen; ik zou u met genoegen

en nut vergezeld hebben."

"O, neen! o neen!" antwoordde mijn oom driftig; "wij willen niemand

lastig vallen, mijnheer Fridriksson! ik bedank u hartelijk. De

tegenwoordigheid van een geleerde zoo als gij zou zeer nuttig geweest

zijn, maar de plichten van uw ambt...."

Ik vertrouw, dat onze gastheer in de onschuld zijner ijslandsche ziel

de grove spotternij mijns ooms niet begreep.

"Ik keur het zeer goed, mijnheer Lidenbrock!" zeide hij, "dat gij met

dien vulkaan begint; gij zult daar een rijken oogst van wetenswaardige

waarnemingen inzamelen. Maar zeg eens, hoe denkt gij het schiereiland

van den Sneffels te bereiken?"

"Over zee door de baai over te steken. Dat is de kortste weg."

"Ongetwijfeld, maar gij kunt dien onmogelijk nemen."

"Waarom?"

"Omdat er te Reikiavik geene enkele boot is."

"Duivels!"

"Gij moet de kust volgen en over land gaan. Dat is langer maar

belangwekkender."

"Goed. Dan zal ik mij van een gids trachten te voorzien."

"Ik kan u er een verschaffen."

"Een vertrouwd verstandig persoon?"

"Ja! een bewoner van het schiereiland. Het is een eiderganzenjager,

een zeer bekwaam man, over wien gij tevreden zult zijn. Hij spreekt

goed deensch."

"En wanneer kan ik hem spreken?"

"Morgen, als gij wilt."

"Waarom niet van daag?"

"Omdat hij eerst morgen komt."

"Tot morgen dan!" antwoordde mijn oom zuchtend.

Dit belangrijke gesprek eindigde eenige oogenblikken later

met de warme dankbetuigingen van den duitschen professor aan den

ijslandschen. Gedurende dit middagmaal had mijn oom belangrijke dingen

vernomen, o.a. de geschiedenis van Saknussemm, de reden van zijn

geheimzinnig document, dat zijn gastheer hem niet op zijn tocht zou

vergezellen, en dat den volgenden dag een gids ter zijner beschikking

zou zijn.

Naar het middelpunt der Aarde · 第 14 / 60 题