Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De
Sneffels.--Over zee of land?
Het middagmaal was gereed; het werd gulzig verslonden door professor
Lidenbrock, wiens maag door het gedwongen vasten aan boord in
een bodemloozen afgrond was veranderd. Deze meer deensche dan
ijslandsche maaltijd had op zichzelven niets bijzonders; maar onze
meer ijslandsche dan deensche gastheer herinnerde mij de helden der
aloude gastvrijheid. Het was duidelijk zichtbaar, dat wij beter bij
hem te huis waren dan hij zelf.
Het gesprek werd in de landtaal gevoerd, welke mijn oom met duitsch
en de heer Fridriksson met latijn vermengden, opdat ik het zou kunnen
volgen. Het liep over wetenschappelijke onderwerpen, zooals dat aan
geleerden past; maar professor Lidenbrock was uiterst behoedzaam, en
zijne oogen bevalen mij bij iederen volzin een volstrekt stilzwijgen
aan betreffende onze toekomstige plannen.
Allereerst vroeg de heer Fridriksson mijn oom naar de uitkomsten
zijner nasporingen in de bibliotheek.
"Uwe bibliotheek," riep de laatste, "bestaat slechts uit geschonden
boeken op bijna ledige planken!"
"Wat!" riep de heer Fridriksson, "wij bezitten acht duizend
deelen, waaronder vele kostbaar en zeldzaam zijn, werken in de
oude Scandinavische taal, en al het nieuws, waarvan Kopenhagen ons
jaarlijks voorziet."
"Waar zitten die acht duizend deelen dan? Ik...."
"O, mijnheer Lidenbrock! zij gaan het gansche land door; men heeft
smaak voor de studie op ons oud bevrozen eiland! Geen boer, geen
visscher zult gij aantreffen, of hij kan lezen en leest. Wij denken,
dat de boeken niet bestemd zijn om te beschimmelen achter een ijzeren
traliehek, ver van de blikken der nieuwsgierigen, maar om versleten
te worden onder de oogen der lezers. Ook gaan die deelen van hand tot
hand, doorbladerd, gelezen en herlezen, en dikwijls komen zij eerst
na één of twee jaar weder op hunne plank terecht."