Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen--De
Vor-Frelsels kerk.--Duizeligheid.
Altona, eigenlijk stadsgebied van Hamburg, is het eerste station
van den Kielerspoorweg, die ons naar den oever van de Belt zou
brengen. Binnen twintig minuten kwamen wij op Holsteinschen grond.
Om half zeven uur hield het rijtuig stil voor het station, de talrijke
kisten van mijn oom, zijn verbazende reisbehoeften werden afgelaten,
vervoerd, gewogen, van briefjes voorzien, weder in den goederenwagen
geladen, en om zeven uur zaten wij over elkander in dezelfde afdeeling
van een waggon. De locomotief floot en zette zich in beweging. Wij
waren vertrokken.
Had ik mij in mijn lot geschikt? Nog niet. Doch de frissche
morgenlucht, de bijzonderheden van den weg, die telkens afwisselden
door de snelheid van den trein, gaven mij eenige afleiding van mijn
diep gepeins.
Wat de gedachte van den professor aangaat, deze liep gewis den
trein vooruit die te te langzaam ging naar den maatstaf van zijn
ongeduld. Wij zaten alleen in den waggon, maar spraken niet. Mijn oom
onderzocht nog eens zeer oplettend den ganschen inhoud van zijne zakken
en van de reistasch. Ik zag wel, dat hem geen enkel stuk ontbrak,
dat hij noodig had voor de uitvoering zijner plannen.
Zoo droeg o.a. een netjes gevouwen papier het opschrift van de deensche
kanselarij met de handteekening van den heer Ghristiensen, consul te
Hamburg en vriend van den professor. Het moest dienen om voor ons de
gelegenheid te openen om te Kopenhagen aanbevelingsbrieven voor den
gouverneur van IJsland te verkrijgen.
Ook bemerkte ik het beruchte document, zorgvuldig weggestopt in den
geheimsten zak der brieventasch. Ik vervloekte het uit den grond van
mijn hart, en liet mijne blikken weder over het land gaan. Het was
een lange aaneenschakeling van niet zeer bezienswaardige, eentonige,
drassige en vrij vruchtbare vlakten: eene zeer gunstige landstreek
voor den aanleg van een spoorweg en bijzonder geschikt voor die rechte
lijnen, waarop de spoorwegmaatschappijen zoo gesteld zijn.
Maar de tijd was te kort, dan dat die eentonigheid mij had kunnen
vervelen, want drie uur na ons vertrek hield de trein te Kiel stil,
op een paar schreden afstands van de zee.
Daar onze bagage naar Kopenhagen bestemd was, behoefden wij er ons niet
mede bezig te houden. Toch volgde de professor ze met een ongerust
oog, terwijl zij naar de stoomboot gebracht werd. Daar verdween zij
in het ruim.
Mijn oom had in den haast de aansluiting van den spoorweg met de boot
zoo goed berekend, dat wij een geheelen dag voor ons hadden. De boot,
Ellenora genoemd, vertrok niet voor den nacht. Dit verwekte eene
koorts van negen uur, gedurende welke de lichtgeraakte reiziger
het bestuur der booten en der spoorwegen, en de regeeringen, die
zulke misbruiken duldden, naar den duivel wenschte. Ik moest met hem
medepraten, toen hij den kapitein der Ellenora daarover den mantel
uitveegde. Hij wilde dezen dwingen om oogenblikkelijk het vuur aan
te stoken. De andere liet hem praten.
Te Kiel moet er, even goed als op iedere andere plaats, een einde
aan den dag komen. Al wandelende langs de groene oevers der baai,
aan welker uiteinde het stadje zich verheft; al dwalende door de
dichte boschjes, die haar het voorkomen geven van een nest in een
bundel takken, en de villa's bewonderende, die elk voorzien zijn van
hare koudbad-inrichting, kortom, al loopende en vloekende, werd het
eindelijk tien uur des avonds.
De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde
door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters
van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot.
Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep
snel over het donkere water van de groote Belt.
De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene
hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet
niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was
alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield.
Des morgens te zeven uur landden wij te Korsör, een stadje op de
westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen
spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van
Holstein voerde.
Wij moesten nog drie uur reizen, vóór wij de hoofdstad van Denemarken
bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn
ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort.
Eindelijk kreeg hij de zee in het oog.
"De Sond!" riep hij uit.
Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen
te wezen.
"Het is een krankzinnigengesticht," zeide een onzer reisgenooten.
"Goed!" dacht ik, "in zulk eene inrichting moesten wij ons leven
eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog
te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen."
Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de
bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hôtel de
Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid,
want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt
had, sleepte hij mij mede. De portier van het hôtel sprak duitsch en
engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed
deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het
Museum van noordsche oudheden.
De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen
opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des
lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen
en kleinoodiën, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg,
professor Thomson.
Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen
ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het
anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor
Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig
te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het
Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers
IJsland gaan bezoeken.
De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen
de kaaien af om een zeilreê schip te vinden.
Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn;
maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie,
zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de
heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in
zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig
verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan,
daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige
kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten
betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet.
"Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn," zeide Bjarne,
nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken.
Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en
keerden naar het hôtel de Phoenix terug.
"Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!" herhaalde mijn oom. "Welk
een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden
hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien."
Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats,
waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen,
die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche
restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor
den matigen prijs van vier mark per hoofd. [1]
Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de
stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch
het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de
zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat
verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke
muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen;
noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch
het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn
klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier
bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende
wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip.
Hoe heerlijk zouden de lieve Gräuben en ik gewandeld hebben naar de
haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun
rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes,
in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten
muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken!
Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Gräuben, en mocht ik hopen
haar ooit weder te zien?
Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo
werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren
klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van
Kopenhagen uitmaakt.
Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine
stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken
legde zij aan bij de dokwerf-kade.
Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half
gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren
werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets
merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht
des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich
van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden
zich hoog in de lucht.
"Laten wij hem beklimmen," zeide mijn oom.
"Maar de duizeligheid?" hernam ik.
"Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen."
"Evenwel...."
"Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen."
Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat
woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon.
Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder
angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid
der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen.
Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar
na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het
gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon
de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die
hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen.
"Ik kan er nooit komen!" riep ik uit.
"Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!" antwoordde de professor
onmeedoogend.
Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht
bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne
beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieën,
toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken.
Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij
den kloot.
"Zie eens!" zeide hij mij, "zie goed uit! gij moet in den afgrond
leeren zien!"
Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware
platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te
midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde
wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe,
terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden
rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene
veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een bundel stralen. De
Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte
zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten
oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare kusten van Zweden. Die
eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen.
Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne
eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk
vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten
te betreden, was ik stijf geworden.
"Morgen beginnen wij weder," sprak de professor.
En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende
oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de
kunst "om uit de hoogte rond te zien."