HOOFDSTUK VIII

Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen--De

Vor-Frelsels kerk.--Duizeligheid.

Altona, eigenlijk stadsgebied van Hamburg, is het eerste station

van den Kielerspoorweg, die ons naar den oever van de Belt zou

brengen. Binnen twintig minuten kwamen wij op Holsteinschen grond.

Om half zeven uur hield het rijtuig stil voor het station, de talrijke

kisten van mijn oom, zijn verbazende reisbehoeften werden afgelaten,

vervoerd, gewogen, van briefjes voorzien, weder in den goederenwagen

geladen, en om zeven uur zaten wij over elkander in dezelfde afdeeling

van een waggon. De locomotief floot en zette zich in beweging. Wij

waren vertrokken.

Had ik mij in mijn lot geschikt? Nog niet. Doch de frissche

morgenlucht, de bijzonderheden van den weg, die telkens afwisselden

door de snelheid van den trein, gaven mij eenige afleiding van mijn

diep gepeins.

Wat de gedachte van den professor aangaat, deze liep gewis den

trein vooruit die te te langzaam ging naar den maatstaf van zijn

ongeduld. Wij zaten alleen in den waggon, maar spraken niet. Mijn oom

onderzocht nog eens zeer oplettend den ganschen inhoud van zijne zakken

en van de reistasch. Ik zag wel, dat hem geen enkel stuk ontbrak,

dat hij noodig had voor de uitvoering zijner plannen.

Zoo droeg o.a. een netjes gevouwen papier het opschrift van de deensche

kanselarij met de handteekening van den heer Ghristiensen, consul te

Hamburg en vriend van den professor. Het moest dienen om voor ons de

gelegenheid te openen om te Kopenhagen aanbevelingsbrieven voor den

gouverneur van IJsland te verkrijgen.

Ook bemerkte ik het beruchte document, zorgvuldig weggestopt in den

geheimsten zak der brieventasch. Ik vervloekte het uit den grond van

mijn hart, en liet mijne blikken weder over het land gaan. Het was

een lange aaneenschakeling van niet zeer bezienswaardige, eentonige,

drassige en vrij vruchtbare vlakten: eene zeer gunstige landstreek

voor den aanleg van een spoorweg en bijzonder geschikt voor die rechte

lijnen, waarop de spoorwegmaatschappijen zoo gesteld zijn.

Maar de tijd was te kort, dan dat die eentonigheid mij had kunnen

vervelen, want drie uur na ons vertrek hield de trein te Kiel stil,

op een paar schreden afstands van de zee.

Daar onze bagage naar Kopenhagen bestemd was, behoefden wij er ons niet

mede bezig te houden. Toch volgde de professor ze met een ongerust

oog, terwijl zij naar de stoomboot gebracht werd. Daar verdween zij

in het ruim.

Mijn oom had in den haast de aansluiting van den spoorweg met de boot

zoo goed berekend, dat wij een geheelen dag voor ons hadden. De boot,

Ellenora genoemd, vertrok niet voor den nacht. Dit verwekte eene

koorts van negen uur, gedurende welke de lichtgeraakte reiziger

het bestuur der booten en der spoorwegen, en de regeeringen, die

zulke misbruiken duldden, naar den duivel wenschte. Ik moest met hem

medepraten, toen hij den kapitein der Ellenora daarover den mantel

uitveegde. Hij wilde dezen dwingen om oogenblikkelijk het vuur aan

te stoken. De andere liet hem praten.

Te Kiel moet er, even goed als op iedere andere plaats, een einde

aan den dag komen. Al wandelende langs de groene oevers der baai,

aan welker uiteinde het stadje zich verheft; al dwalende door de

dichte boschjes, die haar het voorkomen geven van een nest in een

bundel takken, en de villa's bewonderende, die elk voorzien zijn van

hare koudbad-inrichting, kortom, al loopende en vloekende, werd het

eindelijk tien uur des avonds.

De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde

door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters

van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot.

Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep

snel over het donkere water van de groote Belt.

De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene

hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet

niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was

alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield.

Des morgens te zeven uur landden wij te Korsör, een stadje op de

westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen

spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van

Holstein voerde.

Wij moesten nog drie uur reizen, vóór wij de hoofdstad van Denemarken

bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn

ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort.

Eindelijk kreeg hij de zee in het oog.

"De Sond!" riep hij uit.

Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen

te wezen.

"Het is een krankzinnigengesticht," zeide een onzer reisgenooten.

"Goed!" dacht ik, "in zulk eene inrichting moesten wij ons leven

eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog

te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen."

Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de

bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hôtel de

Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid,

want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt

had, sleepte hij mij mede. De portier van het hôtel sprak duitsch en

engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed

deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het

Museum van noordsche oudheden.

De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen

opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des

lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen

en kleinoodiën, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg,

professor Thomson.

Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen

ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het

anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor

Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig

te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het

Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers

IJsland gaan bezoeken.

De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen

de kaaien af om een zeilreê schip te vinden.

Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn;

maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie,

zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de

heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in

zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig

verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan,

daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige

kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten

betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet.

"Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn," zeide Bjarne,

nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken.

Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en

keerden naar het hôtel de Phoenix terug.

"Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!" herhaalde mijn oom. "Welk

een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden

hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien."

Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats,

waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen,

die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche

restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor

den matigen prijs van vier mark per hoofd. [1]

Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de

stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch

het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de

zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat

verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke

muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen;

noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch

het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn

klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier

bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende

wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip.

Hoe heerlijk zouden de lieve Gräuben en ik gewandeld hebben naar de

haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun

rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes,

in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten

muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken!

Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Gräuben, en mocht ik hopen

haar ooit weder te zien?

Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo

werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren

klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van

Kopenhagen uitmaakt.

Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine

stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken

legde zij aan bij de dokwerf-kade.

Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half

gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren

werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets

merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht

des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich

van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden

zich hoog in de lucht.

"Laten wij hem beklimmen," zeide mijn oom.

"Maar de duizeligheid?" hernam ik.

"Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen."

"Evenwel...."

"Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen."

Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat

woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon.

Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder

angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid

der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen.

Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar

na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het

gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon

de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die

hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen.

"Ik kan er nooit komen!" riep ik uit.

"Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!" antwoordde de professor

onmeedoogend.

Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht

bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne

beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieën,

toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken.

Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij

den kloot.

"Zie eens!" zeide hij mij, "zie goed uit! gij moet in den afgrond

leeren zien!"

Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware

platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te

midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde

wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe,

terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden

rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene

veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een bundel stralen. De

Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte

zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten

oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare kusten van Zweden. Die

eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen.

Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne

eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk

vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten

te betreden, was ik stijf geworden.

"Morgen beginnen wij weder," sprak de professor.

En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende

oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de

kunst "om uit de hoogte rond te zien."

Naar het middelpunt der Aarde · 第 11 / 60 题