Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke reis.--
Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet
gepakt worden.--Naar den kelder?
Zoo liep deze gedenkwaardige zitting af. Dit gesprek maakte mij
koortsig. Ik verliet als bedwelmd het vertrek van mijn oom, en er was
geen lucht genoeg in de straten van Hamburg om mij te doen bijkomen. Ik
ging daarom naar den oever der Elbe, ter plaatse waar de stoomboot
ligt, die de stad in gemeenschap brengt met den spoorweg van Harburg.
Was ik overtuigd door hetgeen ik gehoord had? Was ik niet onder den
invloed van professor Lidenbrock geweest? Moest ik zijn besluit om naar
het middelpunt van de inwendige ruimte der aarde te gaan voor ernstig
gemeend houden? Had ik de zinnelooze bespiegelingen van een gek of de
wetenschappelijke gevolgtrekkingen van een groot vernuft gehoord? Hoe
het ook zijn mocht, waar eindigde de waarheid, waar begon de dwaling?
Ik dobberde tusschen duizend tegenstrijdige veronderstellingen,
zonder mij aan eene enkele te kunnen vastklemmen.
Echter herinnerde ik mij, dat ik overtuigd was geworden, hoewel
mijn geestdrift begon te bekoelen; maar ik zou gaarne onmiddellijk
vertrokken zijn om geen tijd te hebben tot nadenken. Ja, het zou mij
niet aan moed ontbroken hebben om oogenblikkelijk mijn valies vast
te gespen.
Ik moet evenwel bekennen, dat een uur later die overspanning afnam;
mijne zenuwen verslapten en uit de diepe afgronden der aarde steeg
ik weder opwaarts naar hare oppervlakte.
"Het is ongerijmd!" riep ik uit; "het gelijkt nergens naar! Het is
geen ernstig voorstel, dat men een verstandigen jongen kan doen. Niets
van dat alles bestaat. Ik heb slecht geslapen! ik heb een benauwden
droom gehad."
Intusschen had ik de oevers van de Elbe gevolgd en de stad
omgewandeld. Na de haven langs gegaan te zijn, kwam ik op den weg naar
Altona. Een voorgevoel bestuurde mij, een verwezenlijkt voorgevoel,
want ik bemerkte spoedig mijne lieve Gräuben, die vlug ter been en
opgeruimd naar Hamburg terugkeerde.
"Gräuben!" riep ik haar van verre toe.
Het jonge meisje bleef een weinig verschrikt staan, ik denk omdat
zij zich op een grooten weg hoorde toeroepen. In tien stappen was ik
naast haar.
"Axel!" riep zij verwonderd uit. "Wat! komt gij mij te gemoet! Dat
is lief van u, mijnheer!"
Maar, toen zij mij aanzag, bemerkte Gräuben mijn ongerust en ontsteld
gelaat.
"Wat scheelt er aan?" zeide zij, mij de hand toereikende.
"Wat er aan scheelt, Gräuben!" riep ik.
In twee seconden en met drie volzinnen was het lieve meisje op de
hoogte van de zaak. Zij zweeg gedurende eenige oogenblikken. Klopte
haar hart gelijk het mijne? ik weet het niet; maar hare hand beefde
niet in de mijne. Wij gingen wel honderd schreden ver zonder een
woord te wisselen.
"Axel!" zeide zij eindelijk.
"Lieve Gräuben!"
"Dat zal eene schoone reis zijn."
Ik sprong op bij die woorden.
"Ja, Axel! en den neef van een geleerde waardig. Het is goed, als
een man zich onderscheidt door de eene of andere groote onderneming!"
"Hoe! Gräuben! gij raadt mij niet af om zulk een tocht te wagen?"
"Neen! lieve Axel! en ik zou u en uw oom gaarne vergezellen, als een
arm meisje u niet tot last moest zijn."
"Spreekt gij de waarheid?"
"De waarheid."
Ach! meisjes, vrouwen, vrouwenharten! wat zijt gij toch
onbegrijpelijk! Als gij niet de beschroomdste aller levende wezens
zijt, zijt gij de dapperste! De rede heeft geen invloed op u. Hoe! dit
kind moedigde mij aan om deel te nemen aan dien tocht. Zij zou niet
gevreesd hebben om het waagstuk te ondernemen. Zij spoorde mij er
toe aan, en toch beminde zij mij!
Ik was van mijn stuk gebracht en, waarom zou ik het
verzwijgen? beschaamd.
"Gräuben!" hernam ik, "wij zullen zien, of gij morgen nog zoo zult
spreken."
"Morgen, lieve Axel! zal ik spreken als van daag."
Gräuben en ik, elkander bij de hand houdende, maar een diep
stilzwijgen bewarende, vervolgden onzen weg. Ik was diep geschokt
door de aandoeningen van dezen dag.
"In elk geval," dacht ik, "zijn wij nog ver van den 1sten Juli,
en in dien tusschentijd zal er wel iets plaats hebben, dat mijn oom
geneest van zijne gril om onder den grond te reizen."
Het was avond, toen wij bij het huis in de Koningstraat kwamen. Ik
dacht de woning in rust, oom naar gewoonte te bed en de goede Martha
bezig te vinden met de eetzaal voor het laatst aan te stoffen.
Maar ik had niet op het ongeduld van den professor gerekend. Hij
schreeuwde en was druk in de weer te midden van een hoop sjouwers, die
eenige goederen in de gang nederlegden; de oude meid wist geen raad.
"Kom dan toch, Axel! haast u toch, ongelukkige!" riep mijn oom,
zoodra hij mij in de verte zag, "uw valies is nog niet gepakt, mijne
papieren zijn nog niet in orde, ik vind den sleutel van mijn reiszak
niet en mijne reiskousen komen maar niet!"
Ik stond versuft. Ik kon niet spreken. Met moeite kon ik deze woorden
uitbrengen:
"Gaan wij dan vertrekken?"
"Ja! ongeluksvogel, die liever gaat wandelen, in plaats van hier
te blijven!"
"Gaan wij vertrekken?" herhaalde ik met eene zwakke stem.
"Ja! overmorgen ochtend met zonsopgang."
Ik kon het niet langer aanhooren en vluchtte naar mijn kamertje.
Er viel niet meer aan te twijfelen; mijn oom had den namiddag
gebruikt om zich een gedeelte der voor zijne reis noodzakelijke
voorwerpen en gereedschappen aan te schaffen; de gang was versperd
door touwladders, touwen met knoopen, toortsen, waterflesschen,
ijzeren haken, breekijzers, met ijzer beslagen stokken, houweelen,
genoeg om ten minste tien man te beladen.
Ik bracht een verschrikkelijken nacht door. Den volgenden morgen
vroeg hoorde ik mij roepen. Mijn besluit stond vast om mijne deur
niet te openen. Maar hoe kon ik weerstand bieden aan de zoete stem,
die deze woorden sprak: "lieve Axel!"
Ik kwam uit mijne kamer, Ik dacht, dat mijn ontdaan gelaat, mijne
bleekheid, mijne oogen, rood van slapeloosheid, hunne uit werking op
Gräuben niet zouden missen en haar van gedachte doen veranderen.
"Ha, lieve Axel!" zeide zij mij, "ik zie, dat gij wat beter zijt en
de nacht u kalmer heeft doen worden."
"Kalmer doen worden!" riep ik uit.
Ik liep naar mijn spiegel. En ja wel! ik zag er niet zoo akelig uit
als ik vermoedde. Het was haast niet om te gelooven.
"Axel!" zeide mij Gräuben, "ik heb lang met mijn voogd gesproken. Hij
is een stout geleerde, een man van moed, en gij moet niet vergeten,
dat zijn bloed in uwe aderen stroomt. Hij heeft mij zijne plannen,
zijne verwachtingen, waarom en hoe hij zijn doel hoopt te bereiken,
alles verteld. Hij zal slagen, ik twijfel er niet aan. O, lieve
Axel! het is schoon zich zoo voor de wetenschap op te offeren! Welk
een roem verbeidt den heer Lidenbrock en zal afstralen op zijn
reisgenoot! Bij uwe terugkomst, Axel! zult gij een man zijn, zijns
gelijke, vrij om te spreken, vrij om te handelen vrij ook om...."
Het meisje bloosde en zweeg. Hare woorden gaven mij weder moed. Ik
trok Gräuben mede naar de kamer van den professor.
"Oom!" zeide ik, "is het vast bepaald, dat wij vertrekken?"
"Wat! twijfelt gij er nog aan?"
"Neen!" zeide ik om hem niet boos te maken. "Ik wilde slechts vragen,
waarom wij zooveel haast hebben?"
"De tijd, de tijd vliegt immers met snelle vaart voort en kan niet
teruggeroepen worden!"
"Maar wij hebben eerst den 26sten Mei, en tot aan het einde van
Juni...."
"Denkt gij dan, domoor! dat men zoo gemakkelijk op IJsland komt? Waart
gij niet als een gek weggeloopen, dan zou ik u medegenomen hebben
naar het goederenkantoor voor Kopenhagen, bij Liffender & Co. Daar
zoudt gij gezien hebben, dat er maar één dienst is van Kopenhagen
naar Reikiavik, den 22sten van iedere maand."
"Welnu?"
"Welnu! zoo wij tot den 22sten Juni wachtten, zouden wij te laat komen
om de schaduw van den Scartaris den krater van den Sneffels te zien
raken; wij moeten dus zoo spoedig mogelijk naar Kopenhagen om er een
middel van vervoer te zoeken. Ga uw koffer pakken!"
Hier viel niet langer te praten. Ik ging weder naar mijne kamer,
Gräuben volgde mij. Zij nam op zich om in een valiesje alle voorwerpen,
die ik op mijne reis noodig zou hebben, bijeen te brengen. Zij was
zoo weinig aangedaan, alsof het slechts een tochtje naar Lubeck of
Helgoland gold; hare handjes waren zonder overhaasting bezig; zij
praatte heel bedaard; zij gaf mij de verstandigste redenen op voor
onze onderneming. Zij betooverde mij en toch was ik innerlijk zeer op
haar verstoord. Somtijds stond ik op het punt om los te barsten, maar
zij lette er niet op en ging stelselmatig met haar rustig werk voort.
Eindelijk was de laatste riem van het valies vastgegespt. Ik ging
weer naar beneden.
In den loop van dezen dag was het aantal leveranciers van natuurkundige
werktuigen, van wapenen, van electrische toestellen nog vermeerderd. De
goede Martha was er suf van.
"Is mijnheer gek?" zeide zij mij.
Ik gaf een toestemmend teeken.
"En neemt hij u mede?"
Ik herhaalde het teeken.
"Waarheen?" zeide zij.
Ik wees met den vinger het middelpunt der aarde aan.
"Naar den kelder?" riep de oude meid.
"Neen!" zeide ik eindelijk. "Nog veel lager!"
Het werd avond. Ik had geene bewustheid meer van den vervlogen tijd.
"Morgen ochtend," zeide mijn oom, "vertekken wij precies te zes uur."
Te tien uur viel ik als een levenlooze klomp op mijn bed.
Des nachts keerden de schrikbeelden terug.
Ik bracht dien nacht door met van afgronden te droomen! Ik was ten
prooi aan waanzin. Ik voelde, dat de stevige hand van den professor mij
omklemde, medesleepte, in den afgrond wierp, deed wegzinken! Ik viel
in onpeilbare diepten met de toenemende snelheid van lichamen, die aan
zichzelven overgelaten zijn. Mijn leven was slechts een eindelooze val.
Ik ontwaakte te vijf uur, afgemat door vermoeienis en aandoening. Ik
ging naar beneden in de eetzaal. Mijn oom zat aan tafel. Hij verslond
de spijzen. Ik zag hem aan met een gevoel van afschuw. Maar Gräuben
was er bij. Ik sprak niets. Ik kon niet eten.
Te half zes hoorde ik het ratelen van een rijtuig op de straat. Er
kwam een groote wagen voor om ons naar den spoorweg te Altona te
brengen. Hij was weldra volgeladen met al de kisten van mijn oom.
"En uw valies?" vroeg hij mij.
"Het is gereed," antwoordde ik bijna bezwijmende.
"Breng het dan spoedig beneden, of wij zouden door uw schuld den
trein missen!"
Tegen mijn noodlot te kampen scheen mij onmogelijk toe. Ik ging weder
naar mijne kamer, en mijn valies van de trappen latende glijden,
vloog ik het achterna.
Op dit oogenblik droeg mijn oom plechtig de "teugels" van zijn huis
in handen van Gräuben over. Het lieve meisje behield hare gewone
kalmte. Zij omhelsde haren voogd, maar kon een traan niet weerhouden,
toen zij mijne wang met hare zachte lippen aanraakte.
"Gräuben!" riep ik.
"Ga, lieve Axel! ga!" zeide zij mij, "gij verlaat uwe bruid, maar
vindt bij uwe terugkomst uw vrouwtje terug!"
Ik klemde Gräuben in mijne armen en nam plaats in het rijtuig. Martha
en het meisje op den drempel van het huis staande, riepen ons een
laatst vaarwel toe; daarna sloegen de beide paarden, door het fluiten
van den voerman aangevuurd, in galop den weg naar Altona in.