Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: »Nu, meneer?"

Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: »Meneer! laat me

in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche,

gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven

hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen

afstaan."

De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde

iets als: »O! volstrekt niet, integendeel," enz. Hij stond met zijn

rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige

vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen

keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even

bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door

een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om 't hoekje van de deur

in den winkel werd gezet.

»Meneer Bommers," zei 't beleefde jongmensch, »ik ben hier gekomen om

met u over 't artikel stroop te spreken."

»Over stroop?"

»Juist meneer, over stroop--s-t-r-o-o-p!"

»Maar had dat dan zoo'n haast, dat u...?"

»Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst

heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt:

secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft...."

»Maar meneer!"

»Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld--dat wil zeggen

de menschen--zijn allen vatbaar voor stroop; die 't meest met den

strooppot loopt, komt 't snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde

Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder

mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete

voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook

een philosoof.--O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt,

hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe...."

De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn

toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan,

als wilde hij zeggen: »Ik geloof, dat jij niet goed bent," en toen de

deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, 't nut

en de aanwending daarvan in 't maatschappelijk leven, zich daarbij in

vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke

hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers

angstig, want zulke taal was voor hem te machtig, en 't zweet brak hem

uit, toen hij zijn bezoeker hoorde zeggen: »_Stroop_, meneer Bommers,

is de melk der samenleving, de quintessence der beschaving en de

hefboom waarmee het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p

geeft in zes letters de oplossing van 't moeielijk probleem: vrijheid,

gelijkheid en broederschap."

»Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt," dacht

de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom, die hem

dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te vragen:

»Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?"

Weer wenkte een hand om 't hoekje van de deur, maar de kruidenier zag

het niet; 't jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer

herhalend, zei: »Wat wou u nu eigenlijk?" klonk het antwoord hem als

een donderslag in de ooren: »Vijf pond beste stroop, als 't u blieft!"

»Vijf pond str-o-o-p?--Waarin?"

»In dezen hoed, waarde heer." Met een snelle wending had de jonkman

den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op

de toonbank gezet.

»In dien h-oe-d?"

»Juist!--Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht

hebben," en de klant zag hem dreigend aan.

Bommers' oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als

theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan.

Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: 't was

ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,--een gek. Bliksemsnel

vloog hem de gedachte door 't hoofd: met zulke menschen moet men

voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn

gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een

verwend knaapje:

»'n Aardig idee, meneer,--stroop in een hoed."

»Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in

een hoed haal!"

Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond stroop

er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins somberen

toon:

»'t Is een drama, meneer!--neen! een tragédie.--Zal u goed wegen, vijf

pond?"

»Ja! ja!--Kijk maar, ruim gewogen!" en de winkelier zette den hoed met

stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met beide

handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon

verder: »'t Ruikt bijna als bloed!"--Bommers verschoot van

kleur.--»Weet u wat de Nemesis is?--Niet?--O, neen! u is immers niet

klassiek ontwikkeld.--Luister dus.--Een vriend van mij, een

boezemvriend, is doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen

vaderlijk wezen, dat Amor in 't gezicht slaat en Venus haat.--O!

meneer! dat eischt wraak! Wrr-a-a-k!"

Bommers kreeg 't nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want 't

jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij »stapel" was. Plotseling

wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er op en zei:

»Daar ligt geld, meneer,--'t slijk der aarde", en toen plotseling

vriendelijk lachend: »Ik krijg [f]1.50 terug asjeblieft."

Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om 't

hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps

zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds

bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn

klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep:

»Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn

vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!"

Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; 't denkbeeld, iemand

met zoo'n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er niet om

te lachen, en giegelend riep hij:

»Origineel! heel origineel! Dat 's een koopje voor wien 't treft--hè!

hè! hè! hè!"--Bommers lachte, dat hij schudde.

»Ja, edele vriend! dat is 't zeker!" antwoordde 't jongmensch; hij

liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne

met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade.

Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en

gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield

stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een

reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig

geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die

met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed.

Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol

verwondering zag Bommers op,--om zijn dochter te

zien.--Neen!--plotseling zakten vijf pond stroop hem door de haren en

over de oogen en dreef een krachtige slag den ouden »kachelpijp" over

zijn neus. De arme vader zei juist: »Genadige hemel! daar is..." 't

Woord Jetje stierf reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte,

maar toch kon hij nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem

daemonisch lachend zijn eigen woorden teruggaf: »Origineel! heel

origineel! Een koopje voor wien 't treft!"

Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank

gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd--o!

snoodheid--achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen!

in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later

na veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op

die »vervloekelingen" schold, totdat Jan hem toevoegde: »Meheer, neem

me niet kwalijk, maar je zag d'r toch effetief komiek uit!" Toen

stortten de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen

winkelknecht en eerst 's avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn

winkeliers- neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem

vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch

en echt van trouwen sprak en--niet met stroop liep.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 46 / 47 题