HOE JETJE GEZOEND WERD.

't Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig,

weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk,

wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet

besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche

schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar

nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te

houden, of in den deurpost staande, naar 't vroolijke zonnetje en de

voorbijgangers te kijken.

Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle

brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.

* * * * *

Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een

ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een

vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op 't hoofd,

achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even

oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en

andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te

verkoopen.

Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een

Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe

oogen en kastanjebruin haar als »mooi Jetje" bekend, door de jongelui,

die in de nabijheid woonden, meer bijzonder »'t lachebekje" werd

genoemd, omdat ze zoo'n vriendelijk rood mondje had, dat met twee

schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig

lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje

maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een

luchtje schepte.

Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht

Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en

gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui

bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich

over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: »Ik

geloof, dat die spreeuwen"--Jans geliefkoosde benaming voor de spes

patriae--»een stuk leer in d'r mond hebben in plaats van 'n tong; want

als ze die bokkies lekker vinden, dan...." Jan liet den volzin

onvoltooid en 't was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord

meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en

bracht meteen den prijs der »bokkies" van zes op vier voor een

dubbeltje. »Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze

nemen ze toch", zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf:

»Smakelijk rooken!" en hij dacht er bij: »Als Jetje in den winkel is,

kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen." 't Was geen onlogische

Jan!

* * * * *

Vlak tegenover Bommers' winkel, woonde op een kamer van de eerste

verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij

niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor 't

publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten

stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en

vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och!

eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen.

Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had

gevraagd: »Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel?

Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an 't

kijken." 't Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw

Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel

in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen,

Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien.

Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte--uit louter

buurschap--hem toe.

't Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de

vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden,

buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld

drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder

voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar

dat 't zoo uitkwam,--'t was hun om 't even. De winkelknecht had reeds

een paar malen bescheiden aangemerkt: »Ze heeten Upmann-sigaren,

heeren!" Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens

zijn vrienden, geantwoord: »O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de

communicatie, 't is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien

naam en zeggen dus kortheidshalve: »Puantos Infamos"." Jan zweeg

tegenover dit argument.

De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in

sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen,

dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem,

maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig

altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar

in 't bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.

Met schrik en een vaderlijke hartklopping--ook een kruidenier heeft

een gevoelig hart--zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op

één dag zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers,

zonder dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het

oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan

patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te

omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is

waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den

schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en

zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien

dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met

een: »Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen", te

verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier,

maar vroeg te gelijk met 't leukste gezicht van de wereld: »Opsteken,

meneer?" en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over 't

doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den

klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich

herhaaldelijk een: »Vade retro, Satanas!"--dat hij niet begreep--op

den hals haalde.

Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers,

nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat 't

herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra »de heeren" zich

vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden

allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting,

de heerlijke Puantos »bokkies", een woord dat den winkelbediende een

heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: »Ge komt langzaam

aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!"

't Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was

leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze »voor de acht" kregen,

omdat het--zooals Bommers zei--een opruiming was, besloot de

kruidenier den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan

alleen tot 't Koloniale vak te bepalen.

Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van

een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een

half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te

voorschijn in den winkel.

Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een

plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen.

Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch

mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk,

informeerden altijd naar den staat van »meneers gezondheid", prezen

zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid

vijgen of rozijnen.

Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij

belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl

Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De

kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een

woord, dat naar »zoetekauwen" of »snoepende jongens" zweemde. De

studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte,

eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: »Geneert

jelui niet; proeft maar eens mee!" en kwamen den volgenden dag terug

met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar

konden krijgen en dat 't hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.

Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te

geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje

voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot

de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad

belet te vragen en haar uit logeeren te zenden.

Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan

men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend,

neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen

zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar 't station

ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit 't venster stak en met groote

verwonderde oogen 't meisje naziende, zuchtend uitriep: »Dag Jet--dag

engel--goeie reis! Denk aan me!"

Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt

hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank

staan en meesmuilde: »Dat valt je tegen, hé knaapie!" En toen een

oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog

hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: »Pas ontvangen, 'n versche

zending, heeren,--echt Smirnaasch goed!"

* * * * *

Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke

rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna

onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat 't zelfs voor

studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote

vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk

eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. »Kerels!"

riep hij: »luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open,

want waarachtig de lamp gaat anders uit."

't Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij,

op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een

presidentshamer, stilte gebiedend: »Mannen, broeders! wat moeten we

met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij

mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?"

»Laat 'm Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat 's straf

genoeg!" riep er een.

»Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!" schreeuwde een ander.

»Doe 'm hertrouwen, dat's nog erger!" meende een derde.

»Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan »zoetekauw","

lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming

aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het

geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte

moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: »Mijne heeren!

ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op

exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die 't pronkjuweel der

schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.--Ja! meneeren,

de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij

gedoogde niet, dat ik zijn spruit--de hemel weet, hoe hij zulk een

lief dochtertje gekregen heeft--kuste. Een kus in eeren, mag niemand

weren!--Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks

te doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt

wraak,--niet waar, mijne heeren?--Wraak!"

»Wraak! Wraak!" klonk het in koor, begeleid door een gestamp en

gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven

en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: »Meheeren, breekt den boel

asjeblieft niet af!"--Juist op dat oogenblik gilde een van de acht:

»Zij zal gezoend worden, dat zweren we!"--een eedsaflegging, die de

oude hospita met een: »'t Is zonde--wat zal me nou overkomen!" eerst

de handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig

voor de oogen te brengen.

Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de

vriendelijke woorden: »Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij

zijn geen antiquaren."

»We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne

individuen," riep een ander. En Herman voegde er bij:

»Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen

in vrede." En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken:

»Jelui bent nog niet droog achter je ooren," vertrokken was, vervolgde

hij:

»Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend

worden."

»Dat zweren wij!" brulde 't koor.

»Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!"

»Wij zweren!"

De vergadering ging over in geheime zitting.

* * * * *

Sedert ruim drie weken was in Bommers' winkel geen enkele vijg of

amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en

met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na,

dat 't in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan

vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: »'t Is

toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier

den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te

reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een

vrindelijk gezicht: »Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!" Dan weer

vroegen ze beleefd: »Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke

vader van Jetje?" Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn

en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo'n

klandizie wegblijven." En in stilte dacht hij er bij: »De

jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal 't lieve leven wel weer

van voren af aan beginnen." Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de

handen en--verkocht koloniale waren.

* * * * *

Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren

bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en

zou 's avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den

kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader

Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van 't station te

gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig,

ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:

»Heb ik 't genoegen meneer Bommers te zien?"

»Om U te dienen."

»U handelt in koloniale waren?"

»Natuurlijk!"

»Ook en-gros?"

»Zeker!"

»Kan ik U een oogenblik spreken?"

»Ja, hm!.... ik sta op 't punt om uit te gaan."

»'t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid,

die geen uitstel duldt."

»Hum! Hum! ik moet iemand van 't spoor halen, maar.." Bommers keek op

zijn horloge, »een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus...."

»In 'n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. 't Spijt

me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. 't Was anders een zaak

geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een

spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan

toevertrouwen. Enfin! als 't u onmogelijk is, dan...."

Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm,

overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en

verlegen werd.

Wat te doen?--Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn

hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in 't spaarzame

grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: »'t Is meer dan

hoog tijd," en zei toen luid tot den winkelknecht: »Jan! ga jij dan

maar met de vigilante naar 't station en haal de jongejuffrouw; dan

zal ik dezen heer te woord staan." Bommers zag niet, hoe een fijn

glimlachje van voldoening over 't gelaat van zijn bezoeker vloog.

Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn

patroon op en holde den winkel uit; onder 't heengaan wierp hij nog

een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: »'t Is me toch

precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien."

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 45 / 47 题