II.

't Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd

»de manke", met zijn groot gezin wordt bewoond.

Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de

Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een

klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.

De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster

laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende

wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom,

maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren

en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw

houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.

Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van

oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee

kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te

slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien

en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige

kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten.

Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op

den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een

mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje

van drie jaren sluimeren.

Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende

potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en

aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje

niet frisscher wordt door de uitwaseming van 't snerkende eten. Bij de

kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel

vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het

jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als

stripjongen reeds eenige stuivers verdient.

Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; 't vroegtijdig

gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken

van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de

uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek

van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen

met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.

Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks

in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen

gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des

volks ontsproten.

Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met

een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en

gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk

jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.

Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat;

haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug

geworden door arbeid en door 't rondom haar sluimerende zevental, dat

zij 't levenslicht schonk.

»Wat is er dan, Jan?" vraagt zij, over 't bed gebogen, met een licht

Overijsselsch accent. »Heb je pijn in je mondje? Ben je koud,

kereltje? Kom dan maar bij moeder." Zij wikkelt het kind vaster in den

doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met

melk en sust het, totdat 't al kreunend weer indommelt.

Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw;

daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.

't Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt

zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan,

haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar 't kind,

dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje,

onrustig slaapt.

»Hij is niet goed; 'k geloof, dat 't schaap koorts heeft; wat gloeit

hij," zegt ze tot zichzelve; »dat moet er nog bijkomen!"--Zij

luistert, want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. »Dat

's Dirk," denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later

wordt opengedaan.

't Is de »manke", die thuis komt.

Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel

mogelijk afschudt.

»Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in," roept de

vrouw hem te gemoet.

»'k Snapte daar net een bui.--'n Avond, Mijntje! Ben je nog op?"

»Ja; 'k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op

't fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; 't is vinnig weer

buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel

weer aangelegd; 'k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is 't

vandaag geweest?"

Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij

opgeruimd:

»'k Dacht eerst, dat 't vandaag weer miserabel zou wezen, maar de

avond heeft 't goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en

een dubbeltje. 'k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn

eten, 'k heb trek."

»Ik kan niet opstaan, Dirk: 't kind ligt op mijn schoot; hij is niet

goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: 'k

wou, dat je ze alle dagen meebracht!"

»Dat schaap is dan erg aan 't sukkelen, vrouw; zouën 't de tanden

wezen?" antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar

kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te

verorberen.

Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar 't Amstel-Hôtel

moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij

van het aangeschoten jongmensch. »Zie je, Mijn, hij had een flink stuk

in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij

ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: »We bennen er, meneer!" Maar 'k

moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan

met een paar lodderige oogen en zei: »Goeie morgen! Ik heb 'n

verduivelden dorst!--Die rammelkast van jou is geen cent waard," maar

hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn

spul vindt. 'k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig

verval gehad."

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 36 / 47 题