't Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd
»de manke", met zijn groot gezin wordt bewoond.
Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de
Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een
klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.
De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster
laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende
wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom,
maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren
en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw
houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.
Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van
oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee
kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te
slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien
en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige
kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten.
Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op
den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een
mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje
van drie jaren sluimeren.
Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende
potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en
aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje
niet frisscher wordt door de uitwaseming van 't snerkende eten. Bij de
kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel
vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het
jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als
stripjongen reeds eenige stuivers verdient.
Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; 't vroegtijdig
gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken
van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de
uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek
van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen
met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.
Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks
in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen
gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des
volks ontsproten.
Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met
een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en
gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk
jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.
Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat;
haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug
geworden door arbeid en door 't rondom haar sluimerende zevental, dat
zij 't levenslicht schonk.
»Wat is er dan, Jan?" vraagt zij, over 't bed gebogen, met een licht
Overijsselsch accent. »Heb je pijn in je mondje? Ben je koud,
kereltje? Kom dan maar bij moeder." Zij wikkelt het kind vaster in den
doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met
melk en sust het, totdat 't al kreunend weer indommelt.
Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw;
daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.
't Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt
zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan,
haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar 't kind,
dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje,
onrustig slaapt.
»Hij is niet goed; 'k geloof, dat 't schaap koorts heeft; wat gloeit
hij," zegt ze tot zichzelve; »dat moet er nog bijkomen!"--Zij
luistert, want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. »Dat
's Dirk," denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later
wordt opengedaan.
't Is de »manke", die thuis komt.
Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel
mogelijk afschudt.
»Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in," roept de
vrouw hem te gemoet.
»'k Snapte daar net een bui.--'n Avond, Mijntje! Ben je nog op?"
»Ja; 'k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op
't fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; 't is vinnig weer
buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel
weer aangelegd; 'k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is 't
vandaag geweest?"
Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij
opgeruimd:
»'k Dacht eerst, dat 't vandaag weer miserabel zou wezen, maar de
avond heeft 't goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en
een dubbeltje. 'k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn
eten, 'k heb trek."
»Ik kan niet opstaan, Dirk: 't kind ligt op mijn schoot; hij is niet
goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: 'k
wou, dat je ze alle dagen meebracht!"
»Dat schaap is dan erg aan 't sukkelen, vrouw; zouën 't de tanden
wezen?" antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar
kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te
verorberen.
Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar 't Amstel-Hôtel
moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij
van het aangeschoten jongmensch. »Zie je, Mijn, hij had een flink stuk
in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij
ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: »We bennen er, meneer!" Maar 'k
moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan
met een paar lodderige oogen en zei: »Goeie morgen! Ik heb 'n
verduivelden dorst!--Die rammelkast van jou is geen cent waard," maar
hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn
spul vindt. 'k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig
verval gehad."