Een bitter koude, donkere winteravond!
Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed
om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de
scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.
Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik
inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen,
die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog
strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed,
en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat
bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden
krans, naar de wereld onder haar.
Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte
plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin
de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift,
als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.
Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale
plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één
vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke,
zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.
Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken
op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister;
't zijn de verlichte vensters van de huizen.
Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte
massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek
helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de
ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de
houten trappen van het gebouw glinsteren.
Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links
van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de
reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.
't Is kwartier voor elven.
Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal
de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw
heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.
De koetsiers van »de aapjes" en vigilantes trappelen op en neer naast
de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu
en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn
hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van
zijn meester nadoen.
De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats
gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit
naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau
zal kunnen verwisselen.
Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar
vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen
voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels
met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om
binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of
best rookvleesch.
't Zijn een paar »snorders", zooals men te Amsterdam dat soort van
vervoermiddel noemt.
De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene
maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al
naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers,
die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten
rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat
zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen.
Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje
een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem
niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De
»snorder" daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één
of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde
knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is
gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd
en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op
straat komt en in 't duister ontsnapt aan 't valkenoog der inspecteurs
van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren
menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.
Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of
vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden,
die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in
de Nes.
De »snorder", die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat,
hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van 't voerwezen.
Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen
der maatschappij en der grootere stalhouders. 't Is in zeker opzicht
een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een
tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die
geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan
hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te
snorren.
't Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas
betaalt hoogstens 4 à 5 gulden 's weeks en laat verder zijn koetsier
aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo'n knecht niet eerlijk,
dan... Doch 't is plicht te gelooven, dat ieder mensch als »goud" is,
en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden
winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en
weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den
politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in
alle deelen opkomen zooals 't behoort.
»'t Is weerlichts koud van avond", zegt de een tot den ander, die
evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.
»Nou sicuur, hoor! M'n beenen vallen haast af.--Zeg, Bobberd! heb je
nog tabak?" is 't antwoord.
»Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?" De Bobberd
spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met
kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen
woorden. »Viegelantje, meheer?"
»De manke" biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met
een: »Rijtuig, meheer?" of »Viegelant assieblieft?" aan de enkele
menschen aan, die iemand of iets van 't station moeten halen en die
zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een
sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt:
»'N doossie lucifers, heeren?"
»Zeg, Bobberd?"
»Nou?"
»Er staan een boel gestationneerden van avond; 't is bepaald weer mis;
'k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele
sigaar: 'n kale boel. Ba!"
De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen
bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de
Bobberd:
»Ik ook niet, 'k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren
plentie: 'k rij nogal veel heeren, weet je?"
»Ja, jij bent gelukkig,--je hebt haast altijd volk; maar ik--ik
veeg[1] gewoonlijk. 't Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe
langer hoe schrieler."
[1] Geen volk opdoen om te rijden.
»Dat komt door de algemeene melaise, manke!"
»Wat is dat?"
»Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal 't wel waar
wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van
handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, 't is benauwd
tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met
fooien en al."
»'k Wou, dat 'k ze maar alle weken had", antwoordt de manke met een
zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er
uit alle macht op blaast.
»Wat heb jij vast bij je baas?"
»Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!"
»Blikslagers! dan ben jij 't heertje, hoor! Dan heb jij een halven
gulden meer dan ik.--Daar moet 'k mijn baas ereis over
aanspreken.--Prrr! knol sta stil!"
»'k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe
dragonder--je hebt hem wel gekend, 't was een witvoet, een nijdige
rakkerd zoo oud als hij was,--m'n linkerbeen stuk. 'k Heb dertien
weken in 't Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me
twee kwartjes verhooging."
»Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat
's vijftig centen per week waard."
Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede,
tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. »En ben
je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger
had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog
geen vijf."
»Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en 'k geloof
waarachtig, dat 'k van deze week ze niet eens haal."
»Klagers hebben geen nood, manke!--Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen;
we gaan zoo naar stal.--Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers
getrouwd, hé?"
»Ja, natuurlijk!"
»Kinderen?"
»Zeven!"
»Godzegenme!--Satansche knol! wat mankeert jou van avond?--Een hok
vol. Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen."
»Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?"
»Omdat 'k geen vrouw heb; 'k ben een vrije jongen!"
»Ja, dat 's waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog
over den slechten tijd?"
»'n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd
mensch."
»Ei!"
»Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een
mensch toch...."
Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden
trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den
bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn
paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht
hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de
hand, tot zijn collega: »Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg
is."
Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de
trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het
station, alles in beweging.
Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de
locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn
vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een
vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van
verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook
de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden
winternacht.
»Bagasie, heeren! Bagasie!--Niemand bagasie?" roepen de langs de
waggons snellende kruiers.
Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van 't
station de reizigers met: »Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel!
Hôtel Central! Pays-Bas!" enz.
In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken
gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en
huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang.
Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle
plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer
anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen.
In draf rijden de verschillende »gestationneerden" de snorders
voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe 't eene
rijtuig na 't andere, met koffers op bok of imperiaal, hen
voorbijrolt.
Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen:
»Viegelant?" de passagiers zijn voor hen, naar 't schijnt, niet
aangekomen.
't Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant.
Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet
van den manke, die hem naroept: »Gelukkige vent, jij bent er alweer
uit met een prijs!" Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de
reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.
Eindelijk zijn al de rijtuigen voor 't station verdwenen; hij wacht
nog even, dan rijdt hij zachtjes voor 't plein op en neer: misschien
komt er ook nog iemand voor hem.
Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den
manke geen vrachtje.
»Zou 'k van avond alweer vegen?" mompelt hij verdrietig, terwijl hij
de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat
om gevoel in de vingertoppen te krijgen. »In godsnaam dan, vort! Brrr!
wat is het koud."
't Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en 't
snijden van de vorst.
»Hort, bles! dan maar naar stal."
Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: »Hola, koetsier! stop!"
hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok,
ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem
toe komen.
»Viegelant?" roept hij hun vragend tegen.
»Ja! keer maar om!"
Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor
zijn paard en 't rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk
herhaalt hij zijn vraag: »Viegelant?"
Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: »Jawel! hier
heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden.
Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar 't Amstel-Hôtel."
De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij:
»'k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.--Dank je,
conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de
voorbank. Ziedaar, dat's voor je moeite."
»Dank u, mijnheer!--Beterschap!--Vooruit, koetsier!"
De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve
beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.
»Dat valt mee," denkt hij onder weg, »'n goeie fooi, hm! misschien
maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe
jongen.--'k Zal de Kalverstraat nemen," zegt hij bij zichzelven, »dat
rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te
veel gegeten en pijn in z'n lijf. Och! wat kan 't ons schelen, hé,
bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is 't me
onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook...."
Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt
even op; de passagier steekt zijn hoofd uit 't portier en vraagt
knorrig: »Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat
rijdt?"
»Naar 't Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de
Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch
dat asphalt zachter en...."
»O, zoo! is 't daarom; dat's wat anders, dank je. Wat is je nummer?"
»Honderd een en tachtig, meneer!--Doorrijen?"
»Ja, asjeblieft!"
»Hort, bles!--Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer?
Ik heb hem toch niet veraffronteerd,--is 't wel, ouwe bles? Nou, 't
zal mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij
zei: »Dank je!" Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als
een geschikt persoon. Ook goed!--Kom, bles, vooruit dan, we moeten,
allebei naar stal."
't Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te
praten, als hij rijdt; misschien doet hij 't, zonder dat hij 't zelf
weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. »Komaan!"
vervolgt hij, »daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de
zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; 'k zal....
Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m'n viegelant?
Phu-u-u-t!" de koetsier fluit tusschen de tanden.
Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat
er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn
hoed, als hij vraagt: »Neem me niet verkwalijk, meneer, maar....
Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en 't koffertje met 't
valies leit naast hem."
»Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet
goed?--Dat's een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik
gesjochten voor mijn vracht."
Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den
manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten.
Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een
zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: »'k Werd--weer--zoo
benauwd; rij in Godsnaam voort!"
»Zou uwé 't dan nou zóó kennen rooien?"
»Ja! ja! rij gauw weg.--Wat doen die mannen hier?"
»Ze hebben zooveel als een handje geholpen."
»O, zoo!--Dank jelui."
't Portier wordt dichtgeslagen en een »vooruit!" van den koetsier
brengt de vigilante weer op weg.
Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man
door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort
hem zeggen: »Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!" ziet
hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets
later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij
dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart
het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: »Hé, portier,
de ouwe heer heit nog wat vergeten," reikt hij de reistasch over,
klimt op den bok en rijdt weg.
»Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.--'n Gulden fooi! Zeker en
bepaald een fijn mensch.--Kom! dat's een meevallertje; even een hapje
nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af."
't Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan
draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want 't paard
weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en
laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om
dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.
Bij de brug, die van 't Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert,
wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen
een lantarenpaal leunt.
»Hé! Hola, koetsier!"
»Phu-u-ut! Prrr!--Ho, bles!--Wou uwé rijen?"
»Ja! Ben je vrij?"
»Om je te dienen, meneer."
Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in
vroolijke stemming, neemt de kruk van 't portier in de hand en vraagt
met min of meer bezwaarde tong:
»Schroef jij 's avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! 't Beest valt
om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder
ongelukken naar Kras kunnen rijen?"
»'t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar 't is dubbel tarief na
elven. Weet u 't?"
»Daar vraag ik je niet na, Autómedon."
»Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet."
»Die is goed. Ha! ha! Heel goed!"
»Kom, stap nou maar in, 't is al mooi laat."
»Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou 'm recht, kerel! Dat's
zot, dat's--hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!"
»Wil ik je ook even helpen, meneer?"
»Neen! 't Is in orde.--'n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady.
Zóó, ik zit. Vooruit!"
Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag
dicht. Een »hort, bles!" en het rijtuig komt in beweging.
Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:
»Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan
te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!"