»Bonjour, m'nèr!" zegt »de Snoeper", in een der voornaamste
Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.
Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker
voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de
tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil
hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: »Morgen,
m'neer!" maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde
kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat »de
Snoeper" de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren
»en fin connaisseur" in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken--en
o, die handen......!
»Èngenèm weer vèndèg", klinkt het verder uit den mond des bezoekers,
die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet,
terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank
doet leunen.
Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze
zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en
dan, uiterst beleefd, vervolgt: »Ik wenschte wel, dèt u mij eens een
pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents 't stuk, mèr met
Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk
zwèr."
Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant
geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren
eenige stuks voor en wacht.
Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt »de Snoeper"
achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op,
ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van 't dekblad
te onderkennen en vraagt:
»Welken nèm hebben ze?"
»Flor de Sevilla, Conchas."
»Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet
slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?"
»Cuba es mi Patria."
»Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen
èls monster.--Zes cent, niet wèr?"
»Pardon, acht cent!"
»O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr 't is zoo, ik
herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren:
wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben."
De sigaar wordt opgestoken en met een: »Au revoir, m'nèr" zet »de
Snoeper" zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een
trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel,
medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne
had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal
geprobeerd, en toen hij zeide: »Houd het geld maar, u kunt de sigaar
toch wel opsteken", trots ten antwoord gekregen: »Merci! ik kom èls
klènt, niet èls bedelèr."
Sedert dien tijd behandelt hij »de Snoeper", niettegenstaande diens
afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende
onderscheiding.
Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een
comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot
giegelend den winkeljongen aan, als »Kauwbeen" binnenkomt. Ook daar
neemt hij »gentlemanlike" den hoed af, maar zet dien niet op de
toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: »Meneer! de toonbank
is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten." Die
comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!
»Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het
goed in te wikkelen in pèpier." Begeerig snuift hij in dat magazijn de
lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne,
Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te
komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen,
bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt
langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om
gemakkelijker het geld te kunnen tellen--of om tijd te winnen. 't Is
alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn
neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar
malen, als kon hij door 't inademen dier vluchtige deelen van kaas en
vleesch verzadigd worden.
Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.
Met den bakker maakt hij weinig omslag; 't artikel brood is ook te
gewoon. Met den hoed op 't hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij
twee »pains de luxe", maar vraagt: »In pèpier, s'il vous plait!"
De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot
aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn,
want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels
met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten 't bereik van den klant,
die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te
bevingeren.
»Wil u de beleefdheid hebben, mij 'n pèr zèndtèrtjes te geven?" vraagt
hij, na te zijn binnengetreden.
»Van 'n stuiver 't stuk?" klinkt het min of meer ondeugend van de
lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:
»Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn 'n hèlven stuiver."
Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een
confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de
toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij 't
noemt, haar hart vasthoudt dat er op 't oogenblik, dat »meheer
Kauwbeen" er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt
niet en praat al etend met de winkeldochter: »Ik heb indertijd
dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr
hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren," zegt
hij, kruimken voor kruimken kauwend. »Ik woonde toen ter tijd op
kèmers op 't Rokin; 't is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of
meer moest ... hum!... Enfin! ik heb..." Daar komen eenige dames
binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord,
zegt eensklaps: »Ik krijg zeven en een halven cent van u!"--»Oui,
Voilè!" De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke
buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een
glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: »Sèlut à
lè beauté!"
Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange
wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor
een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met
zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft
hij ten minste, de rest van zijn geld; 't bedrag valt hem zeker mede,
want in plaats van het »koffie- en chocolaadhuis" binnen te gaan,
keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt
daar--niemand ziet het immers--een ons zoetemelksche kaas en twee
gesmeerde kadetjes, maar beide »in pèpier."
In 't chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij
binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: »Zoo, papa Kauwbeen!
ben je daar weer? Kom je schaften?" Hij antwoordt niets, maar ziet hen
met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk
van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: »Een kop
chocolèd!"
Dan ontvouwt hij het »pèpier", belegt met zijn vingers de twee
kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet
met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug
melk-chocolade.
»Zeg, Snoeper!" schreeuwt een van de werklieden, die, met beide
ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke
boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, »zeg, waar heb jij nou
weer die kaas opgedoken?"
»Och, laat hem zitten, hé!" vraagt de bedienende kastelein, en
glimlachend voegt hij er bij: »Meneer doet jou immers niks!"
»Meneer? 'n Mooie meneer!" grinnikte de werkman. »'k Wou om de dood
niet graag zoo'n heer wezen."
»Och hij is halfsuf, laat 'm zitten, Karel; hij is toch vroeger 'n
heer geweest," zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er
bij: »Hij is van voornaam komaf, maar z'n femielie is sjofel geworden
net als hij zelf; 't is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift
leven moet."
»Wat weêrga, laat 'm dan gaan werken: wij moeten 't toch ook doen."
»Hij werken? Kijk 'm ereis goed an: daar is ie veel te petieterig
voor."
»Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.--Afijn laat 'm
voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met 'm ruilen met al
zijn komaf."
Intusschen eet de Snoeper, die 't gesprek niet gehoord heeft, zijn
broodjes; de laatste kruimeltjes, die op 't papier liggen, tipt hij
één voor één met een vingertop op en 't laatste druppeltje chocolaad
heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.
Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt
zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt
hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.
De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op
den weg; want--hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder
verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt
hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en
heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn
kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile.
Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na
te gaan en te volgen, zonder dat hij 't wist. Wat ik verder over hem
vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning,
maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg
zijn financiën voor 't oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende
manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette,
die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem
staande en zei: »Hé bonjour! Hoe mèk je 't? 'k Hèd in leng 't
genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht,
mèr--c'est triste a dire--mijn gèrderobe is op 't oogenblik niet
premier choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik
fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen 'n kleine lijfrente
wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of
èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren
door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb 't zeer noodig,
ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik 't hoog
noodig, zelfs zeer hoog noodig heb."
Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des »Snoepers" ellendig
uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand
wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: »Pèrdon! zóó wès 't
niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je
genoegen mee doe, wil ik 't momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt
ik 't je, zoodrè 't me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop
me spoedig te revèncheeren."
Van dat »revèncheeren" is nooit iets gekomen--alleen de natuur nam
»revanche" op de afwijkingen van »Kauwbeen", want vóór zijn 48e jaar
stierf hij in 't Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent
hem, niemand verliest iets aan hem--want hij had voor niemand geleefd
dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling
straattype is verdwenen--ziedaar zijn grafschrift!