II.

»Bonjour, m'nèr!" zegt »de Snoeper", in een der voornaamste

Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.

Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker

voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de

tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil

hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: »Morgen,

m'neer!" maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde

kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat »de

Snoeper" de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren

»en fin connaisseur" in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken--en

o, die handen......!

»Èngenèm weer vèndèg", klinkt het verder uit den mond des bezoekers,

die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet,

terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank

doet leunen.

Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze

zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en

dan, uiterst beleefd, vervolgt: »Ik wenschte wel, dèt u mij eens een

pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents 't stuk, mèr met

Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk

zwèr."

Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant

geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren

eenige stuks voor en wacht.

Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt »de Snoeper"

achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op,

ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van 't dekblad

te onderkennen en vraagt:

»Welken nèm hebben ze?"

»Flor de Sevilla, Conchas."

»Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet

slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?"

»Cuba es mi Patria."

»Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen

èls monster.--Zes cent, niet wèr?"

»Pardon, acht cent!"

»O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr 't is zoo, ik

herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren:

wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben."

De sigaar wordt opgestoken en met een: »Au revoir, m'nèr" zet »de

Snoeper" zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een

trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel,

medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne

had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal

geprobeerd, en toen hij zeide: »Houd het geld maar, u kunt de sigaar

toch wel opsteken", trots ten antwoord gekregen: »Merci! ik kom èls

klènt, niet èls bedelèr."

Sedert dien tijd behandelt hij »de Snoeper", niettegenstaande diens

afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende

onderscheiding.

Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een

comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot

giegelend den winkeljongen aan, als »Kauwbeen" binnenkomt. Ook daar

neemt hij »gentlemanlike" den hoed af, maar zet dien niet op de

toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: »Meneer! de toonbank

is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten." Die

comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!

»Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het

goed in te wikkelen in pèpier." Begeerig snuift hij in dat magazijn de

lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne,

Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te

komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen,

bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt

langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om

gemakkelijker het geld te kunnen tellen--of om tijd te winnen. 't Is

alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn

neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar

malen, als kon hij door 't inademen dier vluchtige deelen van kaas en

vleesch verzadigd worden.

Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.

Met den bakker maakt hij weinig omslag; 't artikel brood is ook te

gewoon. Met den hoed op 't hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij

twee »pains de luxe", maar vraagt: »In pèpier, s'il vous plait!"

De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot

aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn,

want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels

met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten 't bereik van den klant,

die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te

bevingeren.

»Wil u de beleefdheid hebben, mij 'n pèr zèndtèrtjes te geven?" vraagt

hij, na te zijn binnengetreden.

»Van 'n stuiver 't stuk?" klinkt het min of meer ondeugend van de

lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:

»Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn 'n hèlven stuiver."

Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een

confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de

toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij 't

noemt, haar hart vasthoudt dat er op 't oogenblik, dat »meheer

Kauwbeen" er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt

niet en praat al etend met de winkeldochter: »Ik heb indertijd

dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr

hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren," zegt

hij, kruimken voor kruimken kauwend. »Ik woonde toen ter tijd op

kèmers op 't Rokin; 't is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of

meer moest ... hum!... Enfin! ik heb..." Daar komen eenige dames

binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord,

zegt eensklaps: »Ik krijg zeven en een halven cent van u!"--»Oui,

Voilè!" De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke

buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een

glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: »Sèlut à

lè beauté!"

Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange

wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor

een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met

zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft

hij ten minste, de rest van zijn geld; 't bedrag valt hem zeker mede,

want in plaats van het »koffie- en chocolaadhuis" binnen te gaan,

keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt

daar--niemand ziet het immers--een ons zoetemelksche kaas en twee

gesmeerde kadetjes, maar beide »in pèpier."

In 't chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij

binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: »Zoo, papa Kauwbeen!

ben je daar weer? Kom je schaften?" Hij antwoordt niets, maar ziet hen

met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk

van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: »Een kop

chocolèd!"

Dan ontvouwt hij het »pèpier", belegt met zijn vingers de twee

kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet

met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug

melk-chocolade.

»Zeg, Snoeper!" schreeuwt een van de werklieden, die, met beide

ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke

boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, »zeg, waar heb jij nou

weer die kaas opgedoken?"

»Och, laat hem zitten, hé!" vraagt de bedienende kastelein, en

glimlachend voegt hij er bij: »Meneer doet jou immers niks!"

»Meneer? 'n Mooie meneer!" grinnikte de werkman. »'k Wou om de dood

niet graag zoo'n heer wezen."

»Och hij is halfsuf, laat 'm zitten, Karel; hij is toch vroeger 'n

heer geweest," zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er

bij: »Hij is van voornaam komaf, maar z'n femielie is sjofel geworden

net als hij zelf; 't is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift

leven moet."

»Wat weêrga, laat 'm dan gaan werken: wij moeten 't toch ook doen."

»Hij werken? Kijk 'm ereis goed an: daar is ie veel te petieterig

voor."

»Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.--Afijn laat 'm

voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met 'm ruilen met al

zijn komaf."

Intusschen eet de Snoeper, die 't gesprek niet gehoord heeft, zijn

broodjes; de laatste kruimeltjes, die op 't papier liggen, tipt hij

één voor één met een vingertop op en 't laatste druppeltje chocolaad

heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.

Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt

zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt

hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.

De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op

den weg; want--hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder

verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt

hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en

heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn

kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile.

Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na

te gaan en te volgen, zonder dat hij 't wist. Wat ik verder over hem

vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning,

maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg

zijn financiën voor 't oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende

manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette,

die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem

staande en zei: »Hé bonjour! Hoe mèk je 't? 'k Hèd in leng 't

genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht,

mèr--c'est triste a dire--mijn gèrderobe is op 't oogenblik niet

premier choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik

fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen 'n kleine lijfrente

wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of

èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren

door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb 't zeer noodig,

ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik 't hoog

noodig, zelfs zeer hoog noodig heb."

Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des »Snoepers" ellendig

uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand

wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: »Pèrdon! zóó wès 't

niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je

genoegen mee doe, wil ik 't momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt

ik 't je, zoodrè 't me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop

me spoedig te revèncheeren."

Van dat »revèncheeren" is nooit iets gekomen--alleen de natuur nam

»revanche" op de afwijkingen van »Kauwbeen", want vóór zijn 48e jaar

stierf hij in 't Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent

hem, niemand verliest iets aan hem--want hij had voor niemand geleefd

dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling

straattype is verdwenen--ziedaar zijn grafschrift!

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 33 / 47 题