AMSTERDAMSCH TYPE.

Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,--vrede zij

zijne assche!--maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren,

dat »de Snoeper" lang Amstels straten liep, als de schaduw van een

man, die 't eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest,

zal ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen

»Henri" den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot

voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan

stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord »meheer

kauwbeen" of »snoeper" nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend

van kwaadheid te roepen: »Kwède jongens, indien ge mij nog lènger

insoleert, zèl ik 'n ègent hèlen!"

Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met

een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De

sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing

als 't ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte

stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer,

zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met

de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven

geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele

profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op

de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en

ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het

menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen,

wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.

Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die

gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men

in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat

hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of

meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de

slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes

vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen--wanneer

men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die

de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen--waren

steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite

onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig

vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat »de Snoeper"

zeer slecht van gezicht was.

Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote

hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders

eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee

damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines

bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen

te vallen. Zijn kleeding was »shabby genteel" in de vijfde macht en

bestond 's zomers uit twee, 's winters uit een drietal jassen zoodanig

over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden,

amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs

goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen

weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden

over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; 't

was rijp voor den papiermolen.

Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die

eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als 't

ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik

in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje

in evenwicht hield, zoodra 't glad was of glibberig op straat. Iets

was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve »shabby" ook

»genteel" maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en

een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn

sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals

omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven

en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als 't nog

steeds in 't duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte

manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de

glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer.

Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel

waren ze niet van 't nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal

zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige

negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn

vingertoppen door 't leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw

waren over 't verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren

die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij

links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette

hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht

gezicht daarbij een part.

Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit,

want 't had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de

behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri--hij zag

hem op straat aan een schaafbank werken--gevraagd had: »Och! vrind,

zèg me eens twee centimeters vèn dit stokje èf." Een vriendelijke

blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd

de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een

zekere »chic" droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of

over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op

zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in 't barre jaargetij

gebruikte hij het als balanceerstok.

Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat

daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer

werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of

iets groens,--waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van

Flora, dat hij gevonden had.

In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit

versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het

leven zuur maakte en »meheer kauwbeen!" riep.

Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als

een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende

epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of

andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en

bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of

hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en

riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos:

»Kwède jongens," »insolente jongens", of »onbeschèmd rèpèlje!"

Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die 's

avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk

verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins

geaffecteerd, ietwat »Hègsch." Meestal volgde bij de jeugd een

uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op,

dat hem schouderophalend deed zeggen: »Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is

niets vèn te wèchten." Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.

Waarvan hij leefde?

Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt

was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van

deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit

en aan niemand.

Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die--gedachtig aan de dagen van

Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die

hij »en garçon" bewoonde, gastreerden--hem wekelijks een kleine

toelaag gaven.

Wanneer de arme man geen »passies" had gehad, zou die toelaag, met

eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of

iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed

niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft.

Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,--en die hartstochten

waren: _beminnen_ en _smullen_.

Toen hij nog »le beau petit Henri" en »in bonis" was, had hij veel

liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een

veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk

gereden, totdat hij moede van 't overwinnen zich rust had gegund bij

een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die

hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans

of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg

gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en

een lichte aandoening van 't ruggemerg, die hem beverig en

schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan 't hart

gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om

verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte

hem dit in 't gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene

hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en

toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd

minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde

evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem

gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden.

Uit vermogende ouders geboren, opgevoed--neen! juist niet opgevoed,

maar verwend--door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg

weduwe werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk

patriciër zich kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig

verklaard, na moeders dood, en in 't bezit gekomen van een vrij goed

fortuin, was hij door goede vrienden, zoowel als door lieve

vriendinnen, die volgens eigen zeggen »trotsch op hem waren", geworden

hetgeen hij was: een doeniet, een »noceur" die nimmer één enkelen cent

had weten te verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf,

totdat zijn passiva de activa verre overtroffen.

»En privé!" zoo geheel »onder onsjes" was Henri toen »over den kop

gegaan"; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot

beredderd, en toen hij »schoongemaakt" was, zooals de vrienden zeiden,

bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en--zijn passies!

De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze

hadden hem van alles beloofd--en waren toen hun eigen weg gegaan, en

zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken

kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet

met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te

gevoelig georganiseerd.

»Pauvre petit Henri!" zei de laatste, die met hem had gesoupeerd.

»Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!" Zij sprak

slechts Fransch--die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.

Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad,

die Fransch spraken, een »pâté aux truffes de Périgord" wisten te

waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en

Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten

opgeven.

Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer,

de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in

beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in

de stem, dat zij hem »gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden

ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers,

diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!--zij

hoopten niet, dat hij 't kwalijk zou nemen--hun vrouwen hadden de

reuke van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre

vernomen en daarom ... hum! hum! 't Speet hun ijselijk en 't lag

heusch alleen aan de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus

misschien--altijd zonder hem te beleedigen--konden assisteeren met een

tientje of een bankje, dat hij later kon teruggeven, als 't hem

convenieerde, dan .... hum! van harte, hoor!--van harte!"

Henri was een goeie jongen, in 't geheel niet trotsch; hij voelde zich

in 't minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou 't

immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en--zonder

blozen deed hij zoo'n tientje of meer in zijn toen nog elegante

portemonnaie verdwijnen.

Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden

plaats op zijn kantoor aangeboden; 't salaris was wel is waar niet

groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de

tering naar de nering zette.

Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den

kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten

bediende rijk, dat was alles.

De chefs konden er niet beter »gesoigneerd" en »fijner" uitzien dan

Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn

passies--hoewel min of meer gewijzigd--met nieuwe kracht voelde

ontwaken.

Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht

gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij

er niet was.

Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg

was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri's

hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool

begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals 't ging,

totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.

»Er was niets met dien panier percé aan te vangen", beweerden de

patroons, en gedachtig aan het »en leid ons niet in verzoeking"

verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een »douceur" als

afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers,

maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu

en dan aanhankelijkheid had getoond.

Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem,

maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, »meheer wel

ereis ontmoet, als zij bij 't schoonmaken hielp". Zij was niet jong

meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal »kennisjes",

die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting

hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje

van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst

van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren

omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest

vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de

straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar--ze waren er dan

ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren

verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in 't

gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover

gekomen was.

Sedert jaren reeds had hij 't werkwoord beminnen niet meer in 't

Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er

voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de

voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.

Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!

Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder,

voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan

bescheen zijn bouwval.

Kil en koud sloop hij verder door 't leven. In 't gewoel der groote

stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd

verscholen--onder water--totdat op zekeren dag bij een van de oude,

gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de

schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de

doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende

wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,--om

brood!

Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van

voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein

wekelijksch inkomen tot stand voor Henri--met zijn passie: want één

passie was hem nog trouw gebleven, namelijk »het smullen."

»Le beau petit Henri des dames" was in 't gasthuis en in het

straatvuil overleden,--het Amsterdamsche type »Henri de Snoeper",

alias »meheer Kauwbeen" was geboren.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 32 / 47 题