Jonkvrouw Anna had zich in haar hoopvolle verwachting niet vergist. Haar
vader was anders en beter over zijn neef gaan denken, had enkele
jongelingszonden van vroeger vergeven, geloofd in zijn berouw en
vertrouwd in zijn beloften, en eindelijk, ofschoon nog met geheimen
tegenzin, vooral omdat zij neef en nicht waren, zijn toestemming in 't
huwelijk gegeven.
Enkele dagen na de laatste bijeenkomst op het hoevetje met haar beminde,
was de jonkvrouw in verrukking Rozeke de gelukkige tijding komen
mededeelen; en sinds dien dag had Rozeke haar voorname bescherm-vriendin
ook niet meer teruggezien. De adellijke familie was op reis geweest, had
daarna veel gasten ontvangen en veel drukte gehad met de toebereidselen
voor het aanstaand huwelijk.
Slechts één enkele maal, na de geboorte van Rozeke's zoontje, was de
jonkvrouw haar op de boerderij nog komen opzoeken en lang en veel hadden
zij over alles gepraat; en nu was Rozeke eindelijk zelve op het kasteel
geweest om het prachtig uitzet van de bruid te bewonderen, en 's
ochtends van den trouwdag liep zij al van in de vroegte op haar uiterst
best gekleed, om de plechtigheid in de kerk te gaan bijwonen.
Het gansche dorpje was in feeststemming. Niemand werkte. Hoog op den
slanken, grijzen toren stak de groene mei uit en aan alle gevels
pronkten de driekleurige vlaggen. In dubbele rij, rechts en links, vóór
de huizen, stonden op de gansche lengte van de straat kleine sparretjes
geplant, door lange wit-en-rood katoenen banderolen, met festoenen van
gekleurd papier en bloemen aan elkaar gesnoerd. Triomfbogen met groen,
met vlaggetjes en klatergoud prijkten bij den ingang van het dorp en
vóór de kerk; groote, breede wimpels wuifden statig dwars over de straat
en aan bijna alle huizen hingen opschriften met roode en zwarte letters,
uitgeknipt op witte transparanten. Geheel in 't wit gekleede meisjes
liepen met volle mandjes bloemen die zij zouden strooien; andere, met
ernstige gezichtjes, reciteerden nog eens in zichzelf de komplimentjes
die zij zouden opzeggen; en nu en dan drong haastig een schitterend-
getooide ruiter van de eerewacht of een vaandrig met zijn klapperende
vlag door den zwart-en-bont-krioelenden menschendrom, op weg naar zijn
post in den stoet.
Het was een zachte, kalme, zonnige September-ochtend. Even buiten de
dorpskom strekten de velden zich uit, blond-golvend naar de verte waar
't kasteel rood-glinsterend stond te prijken tegen den zwaren, donkeren
achtergrond van 't statig park. De oogst was bijna overal geschoren en
stond in groote, ronde schelven op het bloote, droge land. Slechts hier
en daar nog lag een effen gouden veld van rijpe haver, of strekten zich,
in lange, regelmatige rijen, de saâmgebonden, overeind-gezette schoofjes
van een pas-gemaaiden akker uit. En alleen de zoet-geurende klavervelden
tierden nog ten allen kant in vollen bloei, paars-streepend overal de
blonde golving, in heerlijk-rijke harmonie van tinten met het tanend
goud der rijpe haver, met het verkleurend groen der verre boomen en het
wazig blauw der vlekkelooze lucht.
Het was tien uur. Ginds verre, in de richting van 't kasteel, gonsde dof
een aanhoudend geratel van rijtuigen. Dat was de aankomst der talrijke
voorname gasten. Tot in het dorp drong het als een koortsige gejaagdheid
door en een dichte menigte hield zich roerloos op den uitkijk, als
konden zij reeds iets zien komen.
Alfons was op de boerderij gebleven met het Geluw Meuleken, aan wie de
zorg voor 't kind was toevertrouwd, maar Rozeke was reeds in 't dorp en
stond met popelend hart te staren naar de verte, besloten tot op 't
laatste oogenblik te wachten op de verschijning van den bruidsstoet,
vóór zij in de kerk de, op bevel van jonkvrouw Anna speciaal voor haar
bewaarde plaats, zou gaan bezetten. Zij zag er ietwat schraal en mager
uit na haar bevalling, die zwaar was geweest. Haar eertijds roze en
ronde wangen waren bleek en ingevallen en haar lichte blauwe oogen
stonden zwak. Alleen haar gestalte was fijn en lenig gebleven, nog
steeds als van een heel jong meisje.
Ook in het dorp begonnen nu steeds talrijker, vreemde bezoekers aan te
komen. Ook daar was het weldra een onafgebroken stoet van ratelende
rijtuigen en bruisende automobielen, waaruit in bonte, vroolijke
menigte, mooigekleede dames en heeren stegen. Dat waren meestal de
bewoners der omringende kasteelen, die uit louter nieuwsgierigheid
kwamen zien. Zij liepen even wandelend door de straat, belangstellend
kijkend naar de versiering der huizen en naar de opschriften der
transparanten, en kwamen eindelijk wachtend op het kerkplein staan,
onderling lachend en elkander groetend, complimenteerend en Fransch
babbelend, in een drukke, schitterende groep van pret en weelde.
Eensklaps bomde echoënd in de verte een kanonschot, en een lang Aah!...
van opgejaagde verwachting steeg uit de woelend op elkaar gepakte
menigte. Meteen begonnen de feestklokken op den kerktoren triomf te
luiden. De wettelijke huwelijks-plechtigheid, die op het kasteel zelf
plaats zou hebben, was nu voltrokken, de stoet zette zich in beweging
naar de kerk.
De krioelende menigte drong op elkaar, reikhalsde en joelde. Vrouwen
kwamen met stoelen buiten en gingen er recht overeind op staan, kleine
jongens klauterden op de muren, hingen als wanstaltig-groote vruchten in
de takken van de boomen rondom het kerkplein, en uit alle dak-en-zolder-
vensters staken hoofden. Rozeke, met haar linkerhand aan de deurpost van
een huis geklemd, stond reikhalzend op een wiebelend voetbankje.
En ginds, heel in de verte, over de blonde en paarse golving der velden,
kwam het eindelijk aan: een groote, geel-grijze stofwolk, waaruit af en
toe, als 't ware weerlichtend, korte flikkering van felle kleur opschoot...
een chaos, die zich langzaam aan vervormde en uitbreidde tot een langen,
schitterenden praalstoet: vaandrig te paard, met schel-wapperende, wit-
en-roode vlag aan 't hoofd, ruiters met witte broeken en met roode sjerpen
in lange dubbele rij daarachter; en eindelijk de rijtuigen: een lange,
lange file prachtrijtuigen, met heel aan 't eind de staatsie-koets der
bruid, lakei en koetsier in rood-en-geel livrei met witte ruikers en met
lange, wit-bebloemde zweep, die als een pijl van zilver witte vonken schoot
in 't gouden zonnelicht. Een eerewacht van een twintigtal ruiters sloot den
stoet.
Rozeke stond van ontroering op haar wiebelend bankje te trillen. O! wat
leek haar dat alles schoon en grootsch en indrukwekkend! Zij werd er
gansch bleek van en het triomfgelui der klokken en het verwijderd
gedreun der kanonnen bonsde tot in haar ziel terug. Toen hoorde zij de
verre juichkreten en de schetterende jubelklanken der muziek bij den
ingang van het dorp; zij rekte zich nog eens uit zooveel zij kon en
haastte zich dan naar de kerk, waar het reeds vol was van nieuwsgierige
toeschouwers, rechts en links van de breede, met een rooden looper
bedekte middengang. Zij vond er haar stoel, bijna gansch van voren op de
eerste rij, zooals die op bevel van jonkvrouw Anna voor haar was bewaard
gebleven; en omgekeerd als al de anderen naar den ingang van de kerk,
staarde zij met bonzend hart door de dubbele, wijd-openstaande deur naar
buiten, waar politie en gendarmen, het opdringend gepeupel steeds
terugduwend, een breede open ruimte vrijhielden.
Daar waren ze! Men hoorde 't vlugge hoeven-getrappel der paarden en alle
hoofden, daarbuiten, in de zon, stonden met gretige nieuwsgierigheid
naar links gereikhalsd. De hoeven klepperden harder op de straatsteenen,
de hoofden van de kijkers draaiden langzaam weer naar voren; en
glinsterend in zijn kleurenpak met wit-en-roode sjerp, den wit-en-rooden
standaard met zijn schitterend gouden franjes statig achteroverwapperend
in de zon, verscheen de trotsche vaandrig op zijn groot wit paard. De
boerenruiters volgden, twee aan twee, de witte broeken schitterend, de
wit-en-roode sjerpen om de lenden. Zij reden deftig stapvoets en hielden
met inspanning hun zware, schuwe paarden in bedwang. Een der laatste
steigerde en hinnikte geweldig, met overeind gerezen, blonde, schuddende
manen en wild-flikkerende oogen; en in den woesten ruiter die het
eindelijk wist te temmen, herkende Rozeke plotseling Smul, op een der
twee schichtige vossen, die 't vorige jaar met haar en met hem op den
hotsend-en-botsenden vlaswagen weggehold waren. Zij huiverde even; haar
angst voor Smul was nog maar steeds niet over.
Toen verscheen 't eerste rijtuig. Een knecht in livrei opende vlug het
portier en een lange, magere heer in rok steeg uit, biedend de hand aan
een in gele zij gekleede dame, die zijn arm nam en statig en ruischend
met hem over den rooden looper de kerk binnentrad. Zij naderden tot
dicht bij Rozeke, hier en daar met glimlachende blikken en knikjes in de
dubbele rij toeschouwers kennissen begroetend, en eindelijk liet de dame
den arm van den heer los en even buigend voor elkaar gingen zij rechts
en links tegenover elkander staan.
Reeds volgde 't tweede rijtuig, met een dikken, rooden, grijzen,
schitterend-gedecoreerden heer en een groote, zware, zwartharige dame
geheel in 't lila, met lila hoed en lila struisveeren. Ook paars leek
haar gezicht onder de witte poudre-de-rizlaag die 't bedekte en
vreemd-brutaal en grof stonden daarin de groote, ronde, zwarte oogen,
terwijl een duidelijk, donker snorrestreepje haar deed lijken op een man
in vrouw-kleederen vermomd. Een vaag rumoer van opschudding begroette
haar indrukwekkende verschijning; er werd even gestommeld en gegrinnikt.
Toen volgden snel, in rijke, bonte kleurschakeering al de anderen:
blauwe dames, roode dames, groene dames; jonge meisjes in lichtroze en
wit; groote en kleine, oude en jonge, dikke en magere, mooie en leelijke;
blonde, bruine, zwarte en grijze, allen ruischend en schitterend van
weelde, behangen met kant en juweelen, met sierlijke kapsels, op één
lange, bonte, bedwelmend-geurende rij naast elkander geschaard; en
tegenover haar de mannen, ook de kleine en de groote, de jonge en de
oude, de dikke en de magere, de blonde, bruine, zwarte, grijze en de
kaalhoofdige, allen witgedast en zwartgerokt, behalve twee militairen
in uniformen die schitterden als nationale vlaggen, en meest allen
overvloedig gedecoreerd met kruisen en linten, als kwamen zij van een
cotillon-bal. En ook allen stonden dadelijk weer naar den ingang
omgekeerd, kijkend, evenals de andere toeschouwers, naar de rijtuigen
die volgden, wachtend op de indrukwekkende verschijning van de ouders,
van den bruidegom en van de bruid.
Daar waren ze eindelijk! De bruidegom met de barones; en, ten laatste,
nobele slanke verschijning, als van een prachtbeeld, als van een levend
en bewegend Lieve-Vrouw-beeld, gemaagdekroond, het donker haar en de
donkere oogen zacht getemperd door den langen witten sluier over heel
haar sierlijke gestalte in het lang-sleepend wit-satijnen trouwkleed,
de ideaal-schoone bruid aan den arm van haar vader. Onzichtbare violen
hieven plotseling, onder zwaar-dreunende orgelbegeleiding, bij haar
intreê een triomf-juichenden bruidsmarsch aan; en langzaam en statig,
als een koningin, schreed zij naar voren tusschen de dubbele rij der
schitterende paren, die zich weer achter haar aansloten en als een
eerewacht volgden naar het koor, waar drie priesters in prachtgewaden
den bruidstoet stonden af te wachten.
Rozeke hield van emotie beide handen om de leuning van haar stoel
gekneld. Als in een hemelsche verschijning zag zij alleen nog maar haar
schoone, lieve jonkvrouw met neergeslagen oogen onder den langen witten
sluier naderen. Zij zag het blanke van de maagdelijke kroon op 't
weelderig donker haar, zij zag den maagdelijken ruiker met de lange
witte linten in haar fijne hand, zij zag het teere, frissche levensroze
op haar zachte wangen en haar kleine wit-satijnen voetjes, telkens even
uittippend onder den strakken rand van 't wit-satijnen staatsiekleed; en
't was alles zoo schoon, zoo rein en zoo verheven-edel, in het galmen en
dreunen van die bijna goddelijk-indrukwekkende muziek, dat zij plotseling,
als verblind, de beide handen vóór haar oogen sloeg en als een kind begon
te schreien en te snikken....
Zij hadden allen plaats genomen op fluweelen stoelen in het koor en de
plechtigheid begon. Overal in de kerk waren de prachtvendels uitgehangen
en aan den voet der heilige beelden brandden waskaarsen. De koorknapen
droegen fonkelnieuwe roode rokken. Bruid en bruidegom zaten vooraan
naast elkaar op aparte roodfluweelen stoelen neergeknield, en links
waren de dames van den bruidstoet en rechts de heeren. Rozeke, langzaam
aan tot bedaren gekomen, wendde haar oogen van het bruidspaar niet meer
af. O! zij had het hem wel willen toeschreeuwen, als een vermaning en
een dreiging, aan dien man van haar: "Wees altijd goed voor haar!
mishandel of bedrieg haar nooit, of gij zijt niet waard dat ge nog
leeft!" En een gevoel van toorn gemengd met jaloezie kwam in haar op bij
de gedachte dat zoo iets toch gebeuren kon en dat het in de booze macht
van zoo'n man bestond--àls hij eenmaal boos en slecht was--het gansche
geluksleven van een zoo mooie, reine en edele vrouw als jonkvrouw Anna
te verwoesten.
Daar greep het groot mysterie plaats. De dekenpriester wisselde de
ringen. Dat was voor 't gansche lange leven; alleen de dood mocht hen
nog scheiden. Rozeke bukte 't hoofd en haar lippen trilden van
ontroering. Ook zij was voor altijd aan hem dien ze liefhad verbonden,
en zij was gelukkig en vreesde alleen de scheiding door den dood.--En
plotseling steeg nu onder de galmende kerkgewelven een zingende stem op,
een stem zóó zuiver, zóó schoon als scheen zij met gewiek van engelen-
vleugelen uit de hemelen te dalen, om op aarde te verkondigen den nobelen
lofzang van hun jong en frisch geluk. Zacht-begeleidend kweelden de
violen, als een droomerig koor van aetherische vogelen, en 't zware orgel
tremoleerde in ondertoon, dragend met ingehouden kracht den edelen,
stijgenden zang.
Plechtige roerloosheid en stilte heerschten in de gansche volle kerk. In
hiëratisch-strakke houding zaten bruid en bruidegom met gebogen hoofd op
hun stoelen geknield en al de anderen om hen heen, de zwart-gerokte
heeren, de schitterende officieren en de bont-getooide dames, stonden
stijf en recht, als een deftige eerewacht. Een schelletje ging en alle
hoofden bogen.--En Rozeke, de handen biddend in elkaar gekneld, voelde
weer stille, onstelpbare tranen langs haar wangen vloeien....
De plechtigheid was volbracht. Op een wenk van een kerkdienaar stonden
bruid en bruidegom langzaam op en gingen statig, alleen door hun ouders
gevolgd, met de priesters in de sacristij. Er was een oogenblik
verpoozing. Het orgel zweeg, het koor bleef leeg, de dames en de heeren
wisselden glimlachend stille, korte gesprekken. Buiten hoorde men het
dof gegons der menigte, het naderend geratel van rijtuigen en het
verwijderd gepuf van automobielen.
Dat duurde enkele minuten. Toen barstten orgel en violen weer in een
triomfmarsch uit en statig kwam het paar gearmd uit de sacristij en
daalde langzaam van de treden uit het koor, om weer door al de anderen
gevolgd in plechtigen stoet de kerk te verlaten.
Zenuwachtig-bevend, met groote, als 't ware hunkerende oogen, drong
Rozeke naar voren om haar lieve jonkvrouw nog een laatste maal te zien
en misschien een vluchtigen herkenningsblik van haar op te vangen. En
ja, 't gebeurde; stralend van geluk aan den arm van haar echtgenoot,
schoof zij vlak langs Rozeke heen en in 't voorbijgaan knikte zij
vriendelijk en glimlachte met haar schoone donkere oogen, terwijl Rozeke
haar fluisterend, als in een zaligen droom, streelend haar naam hoorde
uitspreken. Zij was voorbij, zij verdween in haar schitterende,
hiëratische blankheid onder 't hooge kerkportaal; en achter haar zag
Rozeke niets meer dan een bonte wemeling van zwarte ruggen en van
pracht-toiletten en zij hoorde nog slechts, als een reusachtig,
chaotisch gedruisch, het juichen van de menigte daar buiten, het
feestgelui der klokken, het schalmeien der fanfares en het verwijderd,
zwaar gebulder der kanonnen....
Onder het huiswaarts keeren in de blijde feeststemming van heel het
dorp, dacht zij plotseling aan het twintigfrankstuk, dat de jonge baron
haar destijds voor Vaprijsken gegeven had. 't Was nu of nooit het
oogenblik om het hem te overhandigen. Zij deed het des te liever omdat
Vaprijsken zulk een goede, trouwe dienstknecht voor hen was; en zoodra
zij weer thuis kwam haalde zij het goudstuk uit het laadje waar ze 't
opgeborgen had; en, het oogenblik te baat nemend dat Alfons zich nog op
den akker bevond, riep zij 't blonde ventje, dat bij de stallen bezig
was, van op den drempel van het woonhuis toe:
"Vaprijs, 'k hé hier wa veur ou!"
"Es 't woar bezinne?" deed hij, even opkijkend, zonder zijn werk te
staken.
"Joa 't, kom-e kier hier."
Hij naderde, schalks glimlachend in zijn gelen baard, en ook zijn lichte
blauwe oogjes lachten, alsof hij een grapje verwachtte.
"Kijk, da es ne cadeau veur ou, van den jongen baron."
En zij reikte hem het schitterend goudstuk toe.
"Alweere!" schertste hij, zonder het stukje aan te nemen.
"Ge'n wil het nie, geleuf ik," lachte zij.
Hij kreeg een lichte kleur over zijn gele wangen. Zijn tong keerde
langzaam in zijn mond de pruim tabak eens om, en hij spuwde, de oogen
flikkerend, wantrouwend-ongeloovig nog.
"Ba toet, ba toet," zei hij eindelijk, droog-leuk. "Moar mag ik weten
woarveuren....
"Veur diensten die ge nie bewezen 'n hét!" plaagde zij hem, oolijk
glimlachend.
"En es da al?"
"'t Es al. Es 't meschien nie genoeg?"
"'t Es genoeg," zei hij, kalm het stuk aanvaardend. En hij ging er mee
weg.
Verbaasd keek Rozeke hem na. Wat wist hij zich goed leuk en kalm te
houden onder de prettige verrassing! Zeker vertrouwde hij 't nog niet.
Bij de schuur gekomen keerde hij zich om, knipoogde haar met een
hoofdknikje toe en schermde even grappig met zijn beide handen om zich
heen, alsof hij het stukje weggoochelde. Hij deed of hij het kwijt was,
hij zocht er naar, gek om zichzelf rondtollend als een hond die naar
zijn staart hapt, hij greep het eindelijk weer, als een vlieg, uit de
lucht, stopte het gulzig in zijn mond, slikte met inspanning, haalde
't onder zijn rug weer uit, verborg het eindelijk in zijn vestzak. Toen
ging hij terug naar zijn werk en Rozeke keerde schaterlachend weer in
huis; doch na een poosje zag zij hem, van uit de keuken, het stuk
opnieuw te voorschijn halen, aandachtig er naar kijken en het omdraaien
en eindelijk het Geluw Meuleken, die met een emmer uit den stal kwam,
bij zich wenken.--Even zag Rozeke hem in ernstig gesprek met het meisje,
die herhaaldelijk het hoofd schudde en haar schouders ophaalde en
eindelijk, met moeite haar lachlust bedwingend, naar het woonhuis kwam,
door de wantrouwige blikken van het onthutste Vaprijsken gevolgd.
"Wa hèt hij ou gevroagd?" zei Rozeke nieuwsgierig, zoodra het Geluw
Meuleken in huis was.
"Of da 'k euk azeu 'n stik gekregen ha. Hij 'n verstoat er hem nie aan!"
lachte 't Geluw Meuleken.
"Ge 'n meug het hem nie zeggen, ge moet hem in den twijfel loaten,"
schertste Rozeke ondeugend.
En zij vermaakten zich beiden nog een heelen tijd om 't leuke grapje,
spottend-spiedend door de raampjes naar Vaprijsken, die nu weer, met een
uitdrukking van diepzinnig peinzen op 't gelaat, aan 't werken was.
Rozeke was in dol-blijde stemming, om het geluk van haar schoone, lieve
jonkvrouw. Den ganschen dag had zij wel gekke kindergrapjes willen
uithalen.
* * * * *
Dit grapje echter, verliep wel eenigszins anders dan Rozeke liefst zou
verwacht hebben.
Vaprijsken, die 's middags vrij had, ging naar het feestvierend dorp, en
in plaats van als naar gewoonte op zijn uitgangsdagen, tusschen negen en
tien, licht-aangeschoten maar toch kalm thuis te komen, keerde hij
ditmaal terug in 't holle van den nacht, luidkeels brullend, vloekend en
zingend door elkaar, spektakel en gedruisch verwekkend als van een bende
van wel tien. Hij was blijkbaar smoordronken, en Alfons, die reeds een
uur of drie met stijgend ongeduld op hem had liggen wachten, sprong
woedend uit bed, rukte 't raampje open en schreeuwde naar buiten:
"Vaprijs! nondedzju! Wilt ou smoel houën, zatlap!"
"'K voage mijn broek an ou! Vivat den b'ron!" brulde Vaprijskens heesche
dronkemansstem. En hij begon weer te vloeken en te zingen, zoo hard als
hij maar kon, terwijl hij in den helderen manenacht als een gek
waggelend op den boomgaard rondtolde. De waakhond blafte woedend, Rozeke
lag van angst te beven, het kind werd wakker en begon te schreien.
"Vaprijs! nondedzju! houdt ou smoel of 'k schiet ou omverre!" brulde
Alfons nog woedender.
Rozeke had hem nog nooit zoo boos gezien, zij vloog ingelijks uit het
bed, trok hem van 't venster weg, riep op haar beurt in den helderen
boomgaard, waar Vaprijsken, steeds brieschend onder het razend geblaf
van den hond, bonzend en struikelend van boomstam tot boomstam
rondzwenkte:
"Vaprijs! zij-je nie beschoamd! Wilt-e ne kier beginne zwijgen en noar
ou bedde goan!"
Eensklaps werd Vaprijsken bijna kalm.
"Ha! bezinne, zij-je 't gij!" grinnikte hij, "Hè-je mij gien twintig
fran? Haha! twintig fran? Vivat den b'ron, nonded-ju! Vivat den b'ron
mee zijn jonge b'ronesse!"
"Ge moet zwijgen, Vaprijs, en noar ou bedde goan. Zij-je nie beschoamd
van zulk 'n laweid te moaken!"
"'K goa noar mijn bedde! 'K goa noar mijn bedde!"
brabbelde Vaprijsken. "Den b'ron es euk noar zijn bedde! en de jonge
b'ronesse es euk noar heur bedde! hahaha! nondedzju! nondedzju!"
Hij schaterlachte, hij zwenkte nog even tegen een boom, plofte neer en
stond weer op, en eindelijk waggelde hij lachend naar de schuur, waar
zijn bed onder de pannen stond.
"Zatlap! smeirige zatlap! As hij den boel moar nie in brand 'n steekt!"
raasde Alfons, bevend en knarsetandend.
Rozeke had moeite om hem te bedaren. Zij suste 't kindje tot het weer
sliep en kreeg hem ook eindelijk weer in bed.
"Och, 't en es euk gienen dag lijk nen anderen," zei ze vergoelijkend.
Zij had er hem nu ook wel gaarne alles van verteld, maar durfde toch
niet. Hij was te boos nu.
Daarbuiten, in 't verbleekend manelicht, klaroende reeds een haan het
naderen van den dageraad....