XII.

Jonkvrouw Anna had zich in haar hoopvolle verwachting niet vergist. Haar

vader was anders en beter over zijn neef gaan denken, had enkele

jongelingszonden van vroeger vergeven, geloofd in zijn berouw en

vertrouwd in zijn beloften, en eindelijk, ofschoon nog met geheimen

tegenzin, vooral omdat zij neef en nicht waren, zijn toestemming in 't

huwelijk gegeven.

Enkele dagen na de laatste bijeenkomst op het hoevetje met haar beminde,

was de jonkvrouw in verrukking Rozeke de gelukkige tijding komen

mededeelen; en sinds dien dag had Rozeke haar voorname bescherm-vriendin

ook niet meer teruggezien. De adellijke familie was op reis geweest, had

daarna veel gasten ontvangen en veel drukte gehad met de toebereidselen

voor het aanstaand huwelijk.

Slechts één enkele maal, na de geboorte van Rozeke's zoontje, was de

jonkvrouw haar op de boerderij nog komen opzoeken en lang en veel hadden

zij over alles gepraat; en nu was Rozeke eindelijk zelve op het kasteel

geweest om het prachtig uitzet van de bruid te bewonderen, en 's

ochtends van den trouwdag liep zij al van in de vroegte op haar uiterst

best gekleed, om de plechtigheid in de kerk te gaan bijwonen.

Het gansche dorpje was in feeststemming. Niemand werkte. Hoog op den

slanken, grijzen toren stak de groene mei uit en aan alle gevels

pronkten de driekleurige vlaggen. In dubbele rij, rechts en links, vóór

de huizen, stonden op de gansche lengte van de straat kleine sparretjes

geplant, door lange wit-en-rood katoenen banderolen, met festoenen van

gekleurd papier en bloemen aan elkaar gesnoerd. Triomfbogen met groen,

met vlaggetjes en klatergoud prijkten bij den ingang van het dorp en

vóór de kerk; groote, breede wimpels wuifden statig dwars over de straat

en aan bijna alle huizen hingen opschriften met roode en zwarte letters,

uitgeknipt op witte transparanten. Geheel in 't wit gekleede meisjes

liepen met volle mandjes bloemen die zij zouden strooien; andere, met

ernstige gezichtjes, reciteerden nog eens in zichzelf de komplimentjes

die zij zouden opzeggen; en nu en dan drong haastig een schitterend-

getooide ruiter van de eerewacht of een vaandrig met zijn klapperende

vlag door den zwart-en-bont-krioelenden menschendrom, op weg naar zijn

post in den stoet.

Het was een zachte, kalme, zonnige September-ochtend. Even buiten de

dorpskom strekten de velden zich uit, blond-golvend naar de verte waar

't kasteel rood-glinsterend stond te prijken tegen den zwaren, donkeren

achtergrond van 't statig park. De oogst was bijna overal geschoren en

stond in groote, ronde schelven op het bloote, droge land. Slechts hier

en daar nog lag een effen gouden veld van rijpe haver, of strekten zich,

in lange, regelmatige rijen, de saâmgebonden, overeind-gezette schoofjes

van een pas-gemaaiden akker uit. En alleen de zoet-geurende klavervelden

tierden nog ten allen kant in vollen bloei, paars-streepend overal de

blonde golving, in heerlijk-rijke harmonie van tinten met het tanend

goud der rijpe haver, met het verkleurend groen der verre boomen en het

wazig blauw der vlekkelooze lucht.

Het was tien uur. Ginds verre, in de richting van 't kasteel, gonsde dof

een aanhoudend geratel van rijtuigen. Dat was de aankomst der talrijke

voorname gasten. Tot in het dorp drong het als een koortsige gejaagdheid

door en een dichte menigte hield zich roerloos op den uitkijk, als

konden zij reeds iets zien komen.

Alfons was op de boerderij gebleven met het Geluw Meuleken, aan wie de

zorg voor 't kind was toevertrouwd, maar Rozeke was reeds in 't dorp en

stond met popelend hart te staren naar de verte, besloten tot op 't

laatste oogenblik te wachten op de verschijning van den bruidsstoet,

vóór zij in de kerk de, op bevel van jonkvrouw Anna speciaal voor haar

bewaarde plaats, zou gaan bezetten. Zij zag er ietwat schraal en mager

uit na haar bevalling, die zwaar was geweest. Haar eertijds roze en

ronde wangen waren bleek en ingevallen en haar lichte blauwe oogen

stonden zwak. Alleen haar gestalte was fijn en lenig gebleven, nog

steeds als van een heel jong meisje.

Ook in het dorp begonnen nu steeds talrijker, vreemde bezoekers aan te

komen. Ook daar was het weldra een onafgebroken stoet van ratelende

rijtuigen en bruisende automobielen, waaruit in bonte, vroolijke

menigte, mooigekleede dames en heeren stegen. Dat waren meestal de

bewoners der omringende kasteelen, die uit louter nieuwsgierigheid

kwamen zien. Zij liepen even wandelend door de straat, belangstellend

kijkend naar de versiering der huizen en naar de opschriften der

transparanten, en kwamen eindelijk wachtend op het kerkplein staan,

onderling lachend en elkander groetend, complimenteerend en Fransch

babbelend, in een drukke, schitterende groep van pret en weelde.

Eensklaps bomde echoënd in de verte een kanonschot, en een lang Aah!...

van opgejaagde verwachting steeg uit de woelend op elkaar gepakte

menigte. Meteen begonnen de feestklokken op den kerktoren triomf te

luiden. De wettelijke huwelijks-plechtigheid, die op het kasteel zelf

plaats zou hebben, was nu voltrokken, de stoet zette zich in beweging

naar de kerk.

De krioelende menigte drong op elkaar, reikhalsde en joelde. Vrouwen

kwamen met stoelen buiten en gingen er recht overeind op staan, kleine

jongens klauterden op de muren, hingen als wanstaltig-groote vruchten in

de takken van de boomen rondom het kerkplein, en uit alle dak-en-zolder-

vensters staken hoofden. Rozeke, met haar linkerhand aan de deurpost van

een huis geklemd, stond reikhalzend op een wiebelend voetbankje.

En ginds, heel in de verte, over de blonde en paarse golving der velden,

kwam het eindelijk aan: een groote, geel-grijze stofwolk, waaruit af en

toe, als 't ware weerlichtend, korte flikkering van felle kleur opschoot...

een chaos, die zich langzaam aan vervormde en uitbreidde tot een langen,

schitterenden praalstoet: vaandrig te paard, met schel-wapperende, wit-

en-roode vlag aan 't hoofd, ruiters met witte broeken en met roode sjerpen

in lange dubbele rij daarachter; en eindelijk de rijtuigen: een lange,

lange file prachtrijtuigen, met heel aan 't eind de staatsie-koets der

bruid, lakei en koetsier in rood-en-geel livrei met witte ruikers en met

lange, wit-bebloemde zweep, die als een pijl van zilver witte vonken schoot

in 't gouden zonnelicht. Een eerewacht van een twintigtal ruiters sloot den

stoet.

Rozeke stond van ontroering op haar wiebelend bankje te trillen. O! wat

leek haar dat alles schoon en grootsch en indrukwekkend! Zij werd er

gansch bleek van en het triomfgelui der klokken en het verwijderd

gedreun der kanonnen bonsde tot in haar ziel terug. Toen hoorde zij de

verre juichkreten en de schetterende jubelklanken der muziek bij den

ingang van het dorp; zij rekte zich nog eens uit zooveel zij kon en

haastte zich dan naar de kerk, waar het reeds vol was van nieuwsgierige

toeschouwers, rechts en links van de breede, met een rooden looper

bedekte middengang. Zij vond er haar stoel, bijna gansch van voren op de

eerste rij, zooals die op bevel van jonkvrouw Anna voor haar was bewaard

gebleven; en omgekeerd als al de anderen naar den ingang van de kerk,

staarde zij met bonzend hart door de dubbele, wijd-openstaande deur naar

buiten, waar politie en gendarmen, het opdringend gepeupel steeds

terugduwend, een breede open ruimte vrijhielden.

Daar waren ze! Men hoorde 't vlugge hoeven-getrappel der paarden en alle

hoofden, daarbuiten, in de zon, stonden met gretige nieuwsgierigheid

naar links gereikhalsd. De hoeven klepperden harder op de straatsteenen,

de hoofden van de kijkers draaiden langzaam weer naar voren; en

glinsterend in zijn kleurenpak met wit-en-roode sjerp, den wit-en-rooden

standaard met zijn schitterend gouden franjes statig achteroverwapperend

in de zon, verscheen de trotsche vaandrig op zijn groot wit paard. De

boerenruiters volgden, twee aan twee, de witte broeken schitterend, de

wit-en-roode sjerpen om de lenden. Zij reden deftig stapvoets en hielden

met inspanning hun zware, schuwe paarden in bedwang. Een der laatste

steigerde en hinnikte geweldig, met overeind gerezen, blonde, schuddende

manen en wild-flikkerende oogen; en in den woesten ruiter die het

eindelijk wist te temmen, herkende Rozeke plotseling Smul, op een der

twee schichtige vossen, die 't vorige jaar met haar en met hem op den

hotsend-en-botsenden vlaswagen weggehold waren. Zij huiverde even; haar

angst voor Smul was nog maar steeds niet over.

Toen verscheen 't eerste rijtuig. Een knecht in livrei opende vlug het

portier en een lange, magere heer in rok steeg uit, biedend de hand aan

een in gele zij gekleede dame, die zijn arm nam en statig en ruischend

met hem over den rooden looper de kerk binnentrad. Zij naderden tot

dicht bij Rozeke, hier en daar met glimlachende blikken en knikjes in de

dubbele rij toeschouwers kennissen begroetend, en eindelijk liet de dame

den arm van den heer los en even buigend voor elkaar gingen zij rechts

en links tegenover elkander staan.

Reeds volgde 't tweede rijtuig, met een dikken, rooden, grijzen,

schitterend-gedecoreerden heer en een groote, zware, zwartharige dame

geheel in 't lila, met lila hoed en lila struisveeren. Ook paars leek

haar gezicht onder de witte poudre-de-rizlaag die 't bedekte en

vreemd-brutaal en grof stonden daarin de groote, ronde, zwarte oogen,

terwijl een duidelijk, donker snorrestreepje haar deed lijken op een man

in vrouw-kleederen vermomd. Een vaag rumoer van opschudding begroette

haar indrukwekkende verschijning; er werd even gestommeld en gegrinnikt.

Toen volgden snel, in rijke, bonte kleurschakeering al de anderen:

blauwe dames, roode dames, groene dames; jonge meisjes in lichtroze en

wit; groote en kleine, oude en jonge, dikke en magere, mooie en leelijke;

blonde, bruine, zwarte en grijze, allen ruischend en schitterend van

weelde, behangen met kant en juweelen, met sierlijke kapsels, op één

lange, bonte, bedwelmend-geurende rij naast elkander geschaard; en

tegenover haar de mannen, ook de kleine en de groote, de jonge en de

oude, de dikke en de magere, de blonde, bruine, zwarte, grijze en de

kaalhoofdige, allen witgedast en zwartgerokt, behalve twee militairen

in uniformen die schitterden als nationale vlaggen, en meest allen

overvloedig gedecoreerd met kruisen en linten, als kwamen zij van een

cotillon-bal. En ook allen stonden dadelijk weer naar den ingang

omgekeerd, kijkend, evenals de andere toeschouwers, naar de rijtuigen

die volgden, wachtend op de indrukwekkende verschijning van de ouders,

van den bruidegom en van de bruid.

Daar waren ze eindelijk! De bruidegom met de barones; en, ten laatste,

nobele slanke verschijning, als van een prachtbeeld, als van een levend

en bewegend Lieve-Vrouw-beeld, gemaagdekroond, het donker haar en de

donkere oogen zacht getemperd door den langen witten sluier over heel

haar sierlijke gestalte in het lang-sleepend wit-satijnen trouwkleed,

de ideaal-schoone bruid aan den arm van haar vader. Onzichtbare violen

hieven plotseling, onder zwaar-dreunende orgelbegeleiding, bij haar

intreê een triomf-juichenden bruidsmarsch aan; en langzaam en statig,

als een koningin, schreed zij naar voren tusschen de dubbele rij der

schitterende paren, die zich weer achter haar aansloten en als een

eerewacht volgden naar het koor, waar drie priesters in prachtgewaden

den bruidstoet stonden af te wachten.

Rozeke hield van emotie beide handen om de leuning van haar stoel

gekneld. Als in een hemelsche verschijning zag zij alleen nog maar haar

schoone, lieve jonkvrouw met neergeslagen oogen onder den langen witten

sluier naderen. Zij zag het blanke van de maagdelijke kroon op 't

weelderig donker haar, zij zag den maagdelijken ruiker met de lange

witte linten in haar fijne hand, zij zag het teere, frissche levensroze

op haar zachte wangen en haar kleine wit-satijnen voetjes, telkens even

uittippend onder den strakken rand van 't wit-satijnen staatsiekleed; en

't was alles zoo schoon, zoo rein en zoo verheven-edel, in het galmen en

dreunen van die bijna goddelijk-indrukwekkende muziek, dat zij plotseling,

als verblind, de beide handen vóór haar oogen sloeg en als een kind begon

te schreien en te snikken....

Zij hadden allen plaats genomen op fluweelen stoelen in het koor en de

plechtigheid begon. Overal in de kerk waren de prachtvendels uitgehangen

en aan den voet der heilige beelden brandden waskaarsen. De koorknapen

droegen fonkelnieuwe roode rokken. Bruid en bruidegom zaten vooraan

naast elkaar op aparte roodfluweelen stoelen neergeknield, en links

waren de dames van den bruidstoet en rechts de heeren. Rozeke, langzaam

aan tot bedaren gekomen, wendde haar oogen van het bruidspaar niet meer

af. O! zij had het hem wel willen toeschreeuwen, als een vermaning en

een dreiging, aan dien man van haar: "Wees altijd goed voor haar!

mishandel of bedrieg haar nooit, of gij zijt niet waard dat ge nog

leeft!" En een gevoel van toorn gemengd met jaloezie kwam in haar op bij

de gedachte dat zoo iets toch gebeuren kon en dat het in de booze macht

van zoo'n man bestond--àls hij eenmaal boos en slecht was--het gansche

geluksleven van een zoo mooie, reine en edele vrouw als jonkvrouw Anna

te verwoesten.

Daar greep het groot mysterie plaats. De dekenpriester wisselde de

ringen. Dat was voor 't gansche lange leven; alleen de dood mocht hen

nog scheiden. Rozeke bukte 't hoofd en haar lippen trilden van

ontroering. Ook zij was voor altijd aan hem dien ze liefhad verbonden,

en zij was gelukkig en vreesde alleen de scheiding door den dood.--En

plotseling steeg nu onder de galmende kerkgewelven een zingende stem op,

een stem zóó zuiver, zóó schoon als scheen zij met gewiek van engelen-

vleugelen uit de hemelen te dalen, om op aarde te verkondigen den nobelen

lofzang van hun jong en frisch geluk. Zacht-begeleidend kweelden de

violen, als een droomerig koor van aetherische vogelen, en 't zware orgel

tremoleerde in ondertoon, dragend met ingehouden kracht den edelen,

stijgenden zang.

Plechtige roerloosheid en stilte heerschten in de gansche volle kerk. In

hiëratisch-strakke houding zaten bruid en bruidegom met gebogen hoofd op

hun stoelen geknield en al de anderen om hen heen, de zwart-gerokte

heeren, de schitterende officieren en de bont-getooide dames, stonden

stijf en recht, als een deftige eerewacht. Een schelletje ging en alle

hoofden bogen.--En Rozeke, de handen biddend in elkaar gekneld, voelde

weer stille, onstelpbare tranen langs haar wangen vloeien....

De plechtigheid was volbracht. Op een wenk van een kerkdienaar stonden

bruid en bruidegom langzaam op en gingen statig, alleen door hun ouders

gevolgd, met de priesters in de sacristij. Er was een oogenblik

verpoozing. Het orgel zweeg, het koor bleef leeg, de dames en de heeren

wisselden glimlachend stille, korte gesprekken. Buiten hoorde men het

dof gegons der menigte, het naderend geratel van rijtuigen en het

verwijderd gepuf van automobielen.

Dat duurde enkele minuten. Toen barstten orgel en violen weer in een

triomfmarsch uit en statig kwam het paar gearmd uit de sacristij en

daalde langzaam van de treden uit het koor, om weer door al de anderen

gevolgd in plechtigen stoet de kerk te verlaten.

Zenuwachtig-bevend, met groote, als 't ware hunkerende oogen, drong

Rozeke naar voren om haar lieve jonkvrouw nog een laatste maal te zien

en misschien een vluchtigen herkenningsblik van haar op te vangen. En

ja, 't gebeurde; stralend van geluk aan den arm van haar echtgenoot,

schoof zij vlak langs Rozeke heen en in 't voorbijgaan knikte zij

vriendelijk en glimlachte met haar schoone donkere oogen, terwijl Rozeke

haar fluisterend, als in een zaligen droom, streelend haar naam hoorde

uitspreken. Zij was voorbij, zij verdween in haar schitterende,

hiëratische blankheid onder 't hooge kerkportaal; en achter haar zag

Rozeke niets meer dan een bonte wemeling van zwarte ruggen en van

pracht-toiletten en zij hoorde nog slechts, als een reusachtig,

chaotisch gedruisch, het juichen van de menigte daar buiten, het

feestgelui der klokken, het schalmeien der fanfares en het verwijderd,

zwaar gebulder der kanonnen....

Onder het huiswaarts keeren in de blijde feeststemming van heel het

dorp, dacht zij plotseling aan het twintigfrankstuk, dat de jonge baron

haar destijds voor Vaprijsken gegeven had. 't Was nu of nooit het

oogenblik om het hem te overhandigen. Zij deed het des te liever omdat

Vaprijsken zulk een goede, trouwe dienstknecht voor hen was; en zoodra

zij weer thuis kwam haalde zij het goudstuk uit het laadje waar ze 't

opgeborgen had; en, het oogenblik te baat nemend dat Alfons zich nog op

den akker bevond, riep zij 't blonde ventje, dat bij de stallen bezig

was, van op den drempel van het woonhuis toe:

"Vaprijs, 'k hé hier wa veur ou!"

"Es 't woar bezinne?" deed hij, even opkijkend, zonder zijn werk te

staken.

"Joa 't, kom-e kier hier."

Hij naderde, schalks glimlachend in zijn gelen baard, en ook zijn lichte

blauwe oogjes lachten, alsof hij een grapje verwachtte.

"Kijk, da es ne cadeau veur ou, van den jongen baron."

En zij reikte hem het schitterend goudstuk toe.

"Alweere!" schertste hij, zonder het stukje aan te nemen.

"Ge'n wil het nie, geleuf ik," lachte zij.

Hij kreeg een lichte kleur over zijn gele wangen. Zijn tong keerde

langzaam in zijn mond de pruim tabak eens om, en hij spuwde, de oogen

flikkerend, wantrouwend-ongeloovig nog.

"Ba toet, ba toet," zei hij eindelijk, droog-leuk. "Moar mag ik weten

woarveuren....

"Veur diensten die ge nie bewezen 'n hét!" plaagde zij hem, oolijk

glimlachend.

"En es da al?"

"'t Es al. Es 't meschien nie genoeg?"

"'t Es genoeg," zei hij, kalm het stuk aanvaardend. En hij ging er mee

weg.

Verbaasd keek Rozeke hem na. Wat wist hij zich goed leuk en kalm te

houden onder de prettige verrassing! Zeker vertrouwde hij 't nog niet.

Bij de schuur gekomen keerde hij zich om, knipoogde haar met een

hoofdknikje toe en schermde even grappig met zijn beide handen om zich

heen, alsof hij het stukje weggoochelde. Hij deed of hij het kwijt was,

hij zocht er naar, gek om zichzelf rondtollend als een hond die naar

zijn staart hapt, hij greep het eindelijk weer, als een vlieg, uit de

lucht, stopte het gulzig in zijn mond, slikte met inspanning, haalde

't onder zijn rug weer uit, verborg het eindelijk in zijn vestzak. Toen

ging hij terug naar zijn werk en Rozeke keerde schaterlachend weer in

huis; doch na een poosje zag zij hem, van uit de keuken, het stuk

opnieuw te voorschijn halen, aandachtig er naar kijken en het omdraaien

en eindelijk het Geluw Meuleken, die met een emmer uit den stal kwam,

bij zich wenken.--Even zag Rozeke hem in ernstig gesprek met het meisje,

die herhaaldelijk het hoofd schudde en haar schouders ophaalde en

eindelijk, met moeite haar lachlust bedwingend, naar het woonhuis kwam,

door de wantrouwige blikken van het onthutste Vaprijsken gevolgd.

"Wa hèt hij ou gevroagd?" zei Rozeke nieuwsgierig, zoodra het Geluw

Meuleken in huis was.

"Of da 'k euk azeu 'n stik gekregen ha. Hij 'n verstoat er hem nie aan!"

lachte 't Geluw Meuleken.

"Ge 'n meug het hem nie zeggen, ge moet hem in den twijfel loaten,"

schertste Rozeke ondeugend.

En zij vermaakten zich beiden nog een heelen tijd om 't leuke grapje,

spottend-spiedend door de raampjes naar Vaprijsken, die nu weer, met een

uitdrukking van diepzinnig peinzen op 't gelaat, aan 't werken was.

Rozeke was in dol-blijde stemming, om het geluk van haar schoone, lieve

jonkvrouw. Den ganschen dag had zij wel gekke kindergrapjes willen

uithalen.

* * * * *

Dit grapje echter, verliep wel eenigszins anders dan Rozeke liefst zou

verwacht hebben.

Vaprijsken, die 's middags vrij had, ging naar het feestvierend dorp, en

in plaats van als naar gewoonte op zijn uitgangsdagen, tusschen negen en

tien, licht-aangeschoten maar toch kalm thuis te komen, keerde hij

ditmaal terug in 't holle van den nacht, luidkeels brullend, vloekend en

zingend door elkaar, spektakel en gedruisch verwekkend als van een bende

van wel tien. Hij was blijkbaar smoordronken, en Alfons, die reeds een

uur of drie met stijgend ongeduld op hem had liggen wachten, sprong

woedend uit bed, rukte 't raampje open en schreeuwde naar buiten:

"Vaprijs! nondedzju! Wilt ou smoel houën, zatlap!"

"'K voage mijn broek an ou! Vivat den b'ron!" brulde Vaprijskens heesche

dronkemansstem. En hij begon weer te vloeken en te zingen, zoo hard als

hij maar kon, terwijl hij in den helderen manenacht als een gek

waggelend op den boomgaard rondtolde. De waakhond blafte woedend, Rozeke

lag van angst te beven, het kind werd wakker en begon te schreien.

"Vaprijs! nondedzju! houdt ou smoel of 'k schiet ou omverre!" brulde

Alfons nog woedender.

Rozeke had hem nog nooit zoo boos gezien, zij vloog ingelijks uit het

bed, trok hem van 't venster weg, riep op haar beurt in den helderen

boomgaard, waar Vaprijsken, steeds brieschend onder het razend geblaf

van den hond, bonzend en struikelend van boomstam tot boomstam

rondzwenkte:

"Vaprijs! zij-je nie beschoamd! Wilt-e ne kier beginne zwijgen en noar

ou bedde goan!"

Eensklaps werd Vaprijsken bijna kalm.

"Ha! bezinne, zij-je 't gij!" grinnikte hij, "Hè-je mij gien twintig

fran? Haha! twintig fran? Vivat den b'ron, nonded-ju! Vivat den b'ron

mee zijn jonge b'ronesse!"

"Ge moet zwijgen, Vaprijs, en noar ou bedde goan. Zij-je nie beschoamd

van zulk 'n laweid te moaken!"

"'K goa noar mijn bedde! 'K goa noar mijn bedde!"

brabbelde Vaprijsken. "Den b'ron es euk noar zijn bedde! en de jonge

b'ronesse es euk noar heur bedde! hahaha! nondedzju! nondedzju!"

Hij schaterlachte, hij zwenkte nog even tegen een boom, plofte neer en

stond weer op, en eindelijk waggelde hij lachend naar de schuur, waar

zijn bed onder de pannen stond.

"Zatlap! smeirige zatlap! As hij den boel moar nie in brand 'n steekt!"

raasde Alfons, bevend en knarsetandend.

Rozeke had moeite om hem te bedaren. Zij suste 't kindje tot het weer

sliep en kreeg hem ook eindelijk weer in bed.

"Och, 't en es euk gienen dag lijk nen anderen," zei ze vergoelijkend.

Zij had er hem nu ook wel gaarne alles van verteld, maar durfde toch

niet. Hij was te boos nu.

Daarbuiten, in 't verbleekend manelicht, klaroende reeds een haan het

naderen van den dageraad....

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 · 第 17 / 18 题