XI.

Zij kwamen terug, vast elken woensdag, van drie tot vier. En hoe dat

telkens zoo goed trof dat juist nooit iemand hinderlijk in huis of in de

buurt was, Rozeke begreep het zelve niet. 't Was of 't zoo wezen moest;

of een beschermengel over hen waakte.

Reeds vier keer waren zij er bij elkaar gekomen en zij zaten er dien

middag voor de vijfde maal, toen het Geluw Meuleken, die als naar

gewoonte buiten op den uitkijk stond, eensklaps haastig kwam in huis

geloopen en bleek van ontsteltenis uitriep:

"Och Hiere, bezinne, bezinne, Fons komt doar op 't hof mee Smul en mee

boer Dons!"

"Watte! watte!" schrikte Rozeke geweldig op.

"Fons, bezinne! Fons, mee Smul en mee boer Dons. Kijk! kijk! ze zijn

doar!"

"Och Hiere! och Hiere!" kreet Rozeke, lijkbleek en bevend door het

raampje kijkend.

En zij zag werkelijk het drietal komen, langzaam onder levendig gepraat

den boomgaard opstappend: de oude, magere boer vuurrood onder zijn

zwarte pet waaruit de witte haren staken, Smul barsch en stug uitziend

als altijd, en Alfons bleek en tenger naast die beiden, stil-glimlachend

luisterend naar hun blijkbaar voor hem zeer belangwekkend gesprek. Een

klein, wit-en-zwart-gevlekt hondje liep snuffelend met hen mee.

"Woarom 'n hé-je mij da toch nie ier gezeid?" verweet Rozeke het Geluw

Meuleken met doffe stem. Maar zonder op 't antwoord te wachten liep zij

gejaagd naar de binnendeur en klopte zenuwachtig aan.

"Is er iets?" hoorde zij de fluisterstem van jonkvrouw Anna achter de

gesloten deur.

"Nie buiten komen, mejonkvreiwe; nie buiten komen ier da 'k ulder roepe!

Mijne man es doar mee nog twie andere!" hijgde Rozeke.

"Goed, we zullen wachten." antwoordde stil de jonkvrouw.

"En ulder stil houên, ewoar? Da z'ulder nie 'n heuren?"

"Ge moogt gerust zijn, Rozeke."

"Ze goan noar de peirdstal, bezinne!" berichtte 't Geluw Meuleken.

"O, gelukkig!" riep Rozeke. "Moar ze zillen toch wel in huis komen euk!"

voegde zij er angstig bij.

"'t Es zeker te wille van de mirrie," meende 't Geluw Meuleken.

"'K peist 't euk," zei Rozeke. En zij herinnerde zich inderdaad dat er

de laatste dagen weer kwestie was geweest van die weddenschap tusschen

Smul en Dons aangaande 't veulen van de merrie. Volgens Alfons en

Vaprijsken was het al lang uitgemaakt dat Smul gelijk had en er geen

sprake was van veulen; en nu kwamen ze zeker met elkaar de zaak

beslechten.

Maar dat het juist nu moest gebeuren!...

"Ha 'k da nou toch vijf menuten ier geweten, hij kon tenminste wig zijn!

Woarom 'n zij-je mij dat toch nie bij tijds kome zeggen?" klaagde

Rozeke.

"Moar 'k 'n hè z' ik nie zien komen, bezinne! Ze zijn al mee ne kier

dwirs deur 't land van achter de schure gekomen," verontschuldigde zich

het Geluw Meuleken.

"Zwijg! ze zijn doar weere!" riep Roze, angstig naar buiten starend.

Zij kwamen uit den paardenstal en stapten dwars over den boomgaard naar

het woonhuis toe, nu ingelijks door Vaprijsken vergezeld. Het

wit-en-zwart-gevlekt hondje liep hen kwispelstaartend voor.

"'T en es het doar nie aan te doene; betoalen! betoalen!" hoorde Rozeke

den ouden, opgewonden boer met luid-galmende stem roepen. En 't

oogenblik daarna klonken zijn stampende voeten op het plankier vóór den

drempel van het huis, terwijl Alfons hem vleiend aanmoedigde:

"Goa binnen, boer Dons, goa binnen; mee betoalen 'n es er gien hoaste;

we zillen d'r iest op ons gemak eentsjen op pakken."

"Es er gien belet?" riep luid boer Dons. En meteen stond hij binnen,

achterover-kaarsrecht en vuurrood, lachend met zijn bijna toegeknepen

oogjes, schreeuw-roepend tot Rozeke:

"'K ben verloren, vreiwken! De mirrie 'n hè gien veulen in! Ierlijk es

ierlijk; 'k brijng ulder d'honderd fran weere en de twintig van de

weddijnge d'r bij."

Hij keek haar even met verbazing aan, zooals ze daar met angstigen blik

en zwaar figuur van naderende moederschap vóór hem stond en zijn kleine

oogjes flikkerden van leuke pret, tewijl hij proest-lachend het grapje

waagde:

"Hahaha!... 't spijt mij da 'k nie liever op ou gewed 'n hè! 'K en zoe

mijn honder fran nie kwijt zijn!"

"Ha moar zij-je toch nie beschoamd, boas Dons!" riep Rozeke eensklaps

purperrood en bijna boos wordend. Maar 't bulderend gelach van al de

anderen moedigde den ouden boer in zijn ondeugendheid nog aan; en prat

op zijn succes schaterde hij, spottend met zijn eigen kinderloosheid:

"Woarom 'n hè mijn wijf mij euk noeit g'holpen! Ha ze 't mij in den tijd

beter gelierd 'k zoe d'r nou euk meer verstand van hèn!"

Zij lachten en zij schaterden weer allen om de dolle grap, vullend met

hun grof gedruisch de heele boerenkeuken; en zooals ze daar weldra

zaten, rookend, babbelend en jenever-drinkend, met gekruiste beenen om

de tafel, begreep Rozeke dat het voor een langen tijd zou zijn. Het

hamerde in haar van ongeduld en haar gelaatstrekken stonden van angst

verwrongen.

De oude boer had van diep onder zijn buis een linnen beurs te voorschijn

gehaald en hij ontsnoerde 't propje dat ze dichthield en begon langzaam,

met afgemeten gebaren, de dof-glinsterende, rinkelende vijffrankstukken

op de groene tafel te rangschikken en te tellen. Er was een oogenblik

stilte. Waar 't mooie geld te voorschijn kwam hielden de grapjes

dadelijk op. Allen keken met strakke gezichten van eerbied naar de

groote, ronde, zilverstukken. Alleen Vaprijsken, die ook geen direkt

belang had bij de onderhandeling, waagde oolijk-glimlachend een

kluchtige opmerking:

"Da es toch scheun e-woar, die greute stikken! 't Woater komt er van in

mijne mond."

Maar hij kreeg zelfs geen antwoord; 't was of ze niet gehoord hadden.

Dons had zijn beursje bijna tot den bodem leeggeteld, en keek Alfons en

Smul met zijn kleine, flikkerende oogjes aan.

"Veur ou," zei hij, vier stukken naar den paardenknecht toeschuivend.

"Merci, boas," dankte Smul kortaf, langzaam de stukken oprapend en die

in zijn ondervest verbergend.

"En de reste veur ou. Wilt-e kier tellen?" vroeg de oude boer aan

Alfons, terwijl hij zich trotsch op zijn stoel achterover uitrekte.

Opnieuw was er een korte stilte, terwijl Alfons langzaam, met mond en

vinger, de stukken natelde. Rozeke was opgestaan en had opnieuw de

glaasjes gevuld om hen maar zoo spoedig mogelijk te verzadigen en dan

kwijt te raken; en zij was weer bij haar naaiwerktafel aan 't raampje

gaan zitten, toen plotseling, in de laatste, aandachtvolle stilte van

het nog eens over-tellen, achter den haard een kort en fijn gepiep

opsteeg, dat als 't ware uit den grond scheen te komen.

"Wa ès da?" vroeg Vaprijsken verwonderd omkijkend.

Hevig was Rozeke opgeschrikt. 't Geluid kwam van achter de kamerdeur en

zij begreep er plotseling de oorzaak van: mejonkvrouw Anna's hond, die

zeker Dons' hondje geroken had en er naar piepte. "Och God! och God! die

zullen het uitbrengen!" dacht zij bevend. En haastig liep ze naar de

deur.

Dons' hondje stond er reeds vóór, kopje scheef, oortjes gespitst, scherp

luisterend en loerend naar het onderste reetje.

"Ala foert! hier geen vuiligheid te doene!" riep zij met gelukkige

gevatheid. En zij trapte den kleine weg, die even jankte.

"'K geleuve dat er muizen in ou beste koamer zitten, bezinne," zei

Vaprijsken.

"Zoe 't wel,"[8] sprak zij tegen; "moar d'r hé hier van den achternoene

ne rondleurder mee nen hond in huis geweest, die doar wa gedoan hét, en

die kleinen riekt datte!"

Hoe dacht ze 't uit om zoo te jokken! vroeg ze zichzelve met verbazing

af.

Het Geluw Meuleken, die angstig op den drempel van het achterhuis

verschenen was, keek Rozeke met groote oogen aan. Als jonkvrouw Anna nu

toch maar in Godsnaam haar eigen hond wist stil te houden!

Gelukkig was het viertal nu reeds weer in druk gepraat en gezwets. De

schrille stem van den ouden boer kletste en knalde als zweepgeklap en

zijn druk gebaren-maken vulde heel de keuken, terwijl zijn gerimpeld

gezicht en zijn pezige hals al rooder werden, naarmate hij meer dronk en

zich meer opwond; en zijn felle oogjes straalden zoo puntig fijn, dat

zij wel schenen te steken en prikken als glinsterende naaldtoppen, zoo

vol als zij waren van leuk-pittige boerenpret. Hij vermaakte zich weer

uitermate, zooals altijd wanneer het hem gelukte zijn tallooze vrije

uren in gezelschap door te brengen; en plotseling stelde hij voor nu ook

maar voor het overige van den middag bij elkaar te blijven en een

partijtje kaart te spelen.

"Och Hiere!" kreet instinctmatig en onweerstaarbaar-hardop Rozeke.

"Watte, vreiwken! Es 't ou goeste niet?" keek de oude boer verwonderd

op.

"Ba 't doet, boas," antwoordde zij, eensklaps kalm en ijskoud, als

voelde zij 't bloed in haar lichaam stollen, "ba 't doet, moar d'er es

toch nog zeuveel wirk op 't land en wie weet wa veur 'n weere da we

morgen hèn?"

Gelukkig kwam Alfons haar ter hulp.

"Nie nie boas, we'n meugen nie verletten; we zijn volop aan 't

eirdappels planten en mijn wiedvolk ligt in d' hoaver," zei hij ernstig,

meteen opstaande.

"En ik 'n mag euk nie langer blijven, 'k moe van doage nog 'n ker of

zesse mes uitvoeren," verklaarde Smul, insgelijks opstaande.

Rozeke verademde, verademde! Zij knikte, als in zwijgende dankbaarheid,

werktuigelijk met het hoofd naar Alfons en naar Smul; zij had hen beiden

wel naar de voordeur willen duwen. Maar plotseling vloog zij met een

angstgil weer op en holde naar de kamerdeur, waarop de kleine hond,

onopgemerkt teruggekomen, hijgend en snuivend met zijn beide voorpooten

stond te krabben.

"O gie leulijkoard! wilt-e doar afblijven!" En zij gaf hem een trap dat

hij jankend weghinkte.

De oude boer stond ook eindelijk op.

"Oo, 't es spijtig! 't es spijtig! we woaren nou zeu scheune t' heupe,"

jammerde hij.

"Kom liever op nen anderen dag weeromme, boas," stelde Rozeke voor.

"Wilt-e zondag komen, mee de bezinne? 'K zal voader en moeder euk doen

komen, en ge zilt heel den achternoene keune koarten."

"Hawèl joa, c'est ça!" riep Dons getroost. "We zille zondag komen en ne

kier koarten tot dat we beu gekoart zijn."

"Hawèl joa, c'est ça!" herhaalde Rozeke, hem als 't ware naar de

voordeur drijvend.

Hij stond nog even wat te gillen, buiten op den drempel, maar eindelijk

was hij met Smul weg en Alfons en Vaprijsken maakten zich ook dadelijk

klaar om weer naar 't veld te gaan.

"Wacht, 'k zal iest da geld wigsteken in de kasse," zei Alfons naar de

kamerdeur gaande.

"Goa moar, goa moar," snelde Rozeke angstig toe. "Kom, gee mij 't geld,

'k zal 't ik wel wigsteken. Toe, 'n verlet nou nie mier: 't wordt al zeu

loate."

Hij gaf haar de vijffrankstukken, een zwaar, rinkelend handvol in haar

open schort en spoedde zich met Vaprijsken weg.

Rozeke zakte even, als in duizeling, op een stoel.

"Ach Hier, ach Hiere!... Ach Hier! ach Hiere!" klaagde zij machteloos,

met dichte oogen.

Het Geluw Meuleken kwam naar haar toegeschoten:

"Scheelt er iets, bezinne? Zij-je nie wel?"

"Ach Hier! ach Hiere!" zuchtte zij opnieuw, als kon zij geen andere

klanken meer uitbrengen.

Maar plotseling stond zij vastberaden op en liep met haar opgevouwen

schort, waarin de zilverstukken rinkelden, naar de kamerdeur. Zij klopte

aan.

"Ja," klonk schuchter een stem.

Zij opende de deur, en groot was haar verbazing de jonkvrouw alleen in

de kamer te zien staan, haar rechterhand aan den halsband van den

scherp-loerenden en snuffelenden jachthond.

"Woa... woar es meniere!" riep Rozeke.

De jonkvrouw glimlachte; in plaats van geschrikt of angstig, scheen

gansch haar mooi gelaat van kalm geluk te stralen.

"Meneer is weg," antwoordde ze leuk, zich blijkbaar vroolijk makend over

Rozeke's verbouwereerde ontsteltenis.

"Wig! Al woar?" vroeg Rozeke ongeloovig.

"Door 't venster, Rozeke."

"Deur de veister! Och Hier, as z' hem moar nie gezien 'n hèn!"

En plotseling, overweldigd door al haar emoties:

"O, mejonkvreiwe, as 't ou belieft," schreide zij, "as 't ou b'lieft,

mejonkvreiwe, 'n komt hier toch mee hem niè mier, 'k 'n kan d'r nie

tegen van d'altroassie! 't zal mijn deud zijn, of de deud van mijn

kiendsjen!"

En hevig snikkend zakte zij op een stoel in elkaar.

"Rozeke," zei de jonkvrouw, zacht naar haar toe komend, en teederlijk

haar mooie handen op Rozeke's schokkende schouders leggend, "het zal

waarschijnlijk wel voor de laatste keer zijn, dat wij hier samen komen.

O, Rozeke, Rozeke, ge weet het niet, maar nu ben ik toch weer zoo

gelukkig! Papa heeft hem geschreven, Rozeke! Ja, kijk me maar verwonderd

aan: het is zoo, en ik ben toch zoo gelukkig! Papa heeft hem geschreven

dat hij hem gaarne nog eens zou willen spreken en hem gevraagd om morgen

op 't kasteel te komen.--O, het zal goed zijn, Rozeke, ik voel het, het

zal goed zijn. Waarom zou papa anders nog schrijven? Ik had het al een

paar dagen gemerkt dat papa en mama beter gezind waren. Zij zullen

eindelijk wel gehoord hebben dat men laster en leugen van Armand verteld

heeft, en wij zullen mogen trouwen. O, Rozeke, Rozeke, wat zullen wij

gelukkig zijn en u altijd dankbaar blijven!--Kijk, Rozeke, dit heeft hij

mij nog eens voor u gegeven, en ook dit voor 't meisken. Gij wordt een

rijk, schoon boerinneken, Rozeke!"

En zacht glimlachend liet zij twee bankbriefjes bij 't zilver in

Rozeke's schoot vallen en stopte haar in de hand een twintig-frankstuk

voor het Geluw Meuleken.

"Kom, Rozeke, schrei nu niet meer. Wees nu ook eens met mij gelukkig!"

Maar Rozeke blééf doorschreien, schreide hoe langer hoe heviger. Al die

emoties hadden haar gebroken; zij voelde zich ziek van ontroering. Zij

kon alleen de beide handen van de jonkvrouw in de hare nemen en die

drukken en nog eens drukken en ze met heete tranen en vurige kussen

bedekken.

"O, mejonkvreiwe, 'k hope tòch da ge zilt gelukkig zijn!... 'k hope tòch

da ge zilt gelukkig zijn!" herhaalde zij snikkend, terwijl de jonkvrouw,

gelukstralend, met haar hond het gastvrij boerenwoninkje verliet.

Noot:

[8] Volstrekt niet.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 · 第 16 / 18 题