"Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!"
"Of ik haar liefheb!--Het was een staatszaak.--Beloof mij dan
tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine--dat
gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken--wanneer gij dit alles
zult vergeten zijn."
Doch het meisje antwoordt: "Neen. Ik zou niet zonder mijn man
willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij,
dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te
dooden.--Het zou--_een staatszaak_ zijn! Wat beteekenden mijn leven,
mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten
geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij die _staatszaak_! Vader,
blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld
gekost--dat u beminde!" Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken,
en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest,
fluistert zij: "Gij waart altijd teeder en goed voor mij--vroeger!" en
kust hem herhaaldelijk.
En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze
haren--zij, die de troost is van zijn ouderdom--en barst eindelijk
los tegen Guy: "Uw liefde is een zelfzuchtige--gij veroordeelt dit
meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u
het leven van een zeeroover te leiden."
"Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat
toegeëigend--een koningsdochter waardig, _uw geheelen onzaligen tienden
penning_, hertog van Alva!" antwoordt Guy, die dezen Parthischen pijl
niet kan terughouden.
"Hoezoo? Vanwaar?"
"Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog."
"Groote God! Onmogelijk!"
"Het was het geheim van den stervenden Paciotto!"
"Ik--ik kan het niet gelooven," stamelt Fernando bleek, bevend,
gebroken.
"Gelooft gij het dan, als ik u zeg: _het standbeeld heeft zijn hand
bewogen_?" spot Chester.
"En Roderigo, mijn schatbewaarder, _stierf_ zes dagen geleden! Het is
het noodlot--de fortuin heeft mij den rug toegekeerd," kreunt Alva en
laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten.
Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich
bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen
is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en
te snikken in de armen van haar echtgenoot.
De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner
dochter op hem neerzien en hij snikt--hij, die nooit te voren geweend
heeft.
Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat
het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is
heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon
hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan
het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden
en de dapperste verdedigers van haar wallen te onthalzen, Ripperda,
Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor
Alkmaar het hoofd.
Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden
later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en
naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en
de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste
eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden
hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,--zij kennen de ware
geschiedenis van zijn standbeeld niet.
Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van
de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar
den schat graven--om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf,
dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één
ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is--het altaarstuk,
geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst
op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva
zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen
iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die
hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd
jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo
en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen--aan toeristen
vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is.
Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn
genie heeft den naam van een ander helpen vestigen; zijn lichaam werd
geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem's wallen als aas
voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst
voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf
zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden
kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem
behouden, een patriot te zijn geweest--en is dat niet genoeg?
Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders
wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl
de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van
Hermoine's bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve
het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in
de sloep zitten.
Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen
begeven zich op weg naar de _Dover Lass_.
"Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?" fluistert
Guy in het oor van zijn vrouw. "De onbekende dame, die mij tot kolonel
wilde bevorderen, hè?"
"En heb ik niet meer voor u gedaan?" antwoordt Lady Chester--née
Hermoine d'Alva--in zijn oor.
De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn
geen woorden noodig.
Als zij de _Dover Lass_ langszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw
in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd
rondkijkt en uitroept: "Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of
vorstelijk pleiziervaartuig, mijn heer," want Achille heeft met zijn
Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche
bloemen, op den oever geplukt.
"Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet
versieren. Het was voor u."
"Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen--met de macht van
geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding
en een vermetelheid!" Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar
gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: "Wat hebt gij
niet gewaagd voor mij, mijn Guy--mijn Engelschman!"
Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn
zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van de _Dover
Lass_, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen
voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche
oorlogsschepen.
Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de
klokken vroolijk luiden.
"Welkom in Engeland!" roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier
doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme
schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent,
zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke
gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden.
De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij
keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld
naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich
voor Oranje heeft verklaard, in die stad om een van haar voornaamste
kooplieden te worden.
En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn
er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog
weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth
worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen:
"Dat is een van Chester's matrozen, niemand behalve een matroos van
de _Dover Lass_ kan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!"
Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit
tot haar eersten minister: "Burleigh, deze Sir Guy Chester is de
grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen
en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen
ouden Hertog."
"Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit," antwoordt Burleigh. "Gij
herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?"
"Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als
krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het
kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw
slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine
heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien."
"Inderdaad," antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is
over haar schoonheid, "Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde--op
Uwe Majesteit na."
"Uit mijn oogen met uw laffe vleierij--dat 'op Uwe Majesteit na'
komt hinkend achteraan," lacht Elizabeth. "Maar breng haar hier, ik
geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat
mij dat Spaansche wonder aanschouwen."
En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine
door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op.
Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: "De fortuin heeft van
Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke
Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden;
de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien
zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel
niet meer gaan vechten--tenzij het hem in het hoofd mankeert."
Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom
Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet,
en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij
echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman,
en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste
de oude _Dover Lass_ is, onder bevel van Dalton, vat hij post in het
kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote
Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van
zijn land te bedreigen.
Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den "Eerste
der Engelschen". Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte
van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijn vrouw
zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert
aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde
van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man.
Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote
bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld
van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als
bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der
hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van
Engeland maakt.
Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine's prachtige oogen,
blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van
een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan
lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid
nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij
afkomstig is.
Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den
stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles
trotseerenden minnaar, die Alva's schat en het hart van Alva's dochter
won, om haar te maken tot de de bruid van den "Eerste der Engelschen"!
_Bij den Uitgever dezes verscheen mede:_