HOOFDSTUK XXIII.

"HET IS EEN STAATSZAAK!"

En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen

haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: "Mijn vader

biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt

hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat,

in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen

voor te koopen," en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al

de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen

meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen:

"O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht

gij, dat ik enkel uw naam liefhad?" En daarna smeekt zij met heesche

stem: "Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn

leven. Vader, barmhartigheid voor mij!"

Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis

binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde,

die binnentreedt, met een viool druipend van bloed in zijn hand,

en rapporteert: "Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood,

muzikanten en allen."

Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste,

dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd:

"_De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten,

dat hun commandant zich in gevaar bevindt_."

Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart

voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader,

als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof

zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon

zij geen tranen heeft: "Vader, _hoort_ gij mij niet, voelt gij mij

niet?" Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat

zij voort: "Weet gij dan niet--dat ik--dien man bemin!--Zie het dan,

geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem

doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood

waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?"

En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog

liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch

waas overtogen--zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God,

maar--bij Satan.

Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet

begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit:

"Nu zult gij mij toch wel gelooven!"

En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude

veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn

toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat

haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te

denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden,

want zij heeft hem zoo innig lief.

Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl

zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor:

"Tracht tijd te winnen--waarschuw mijn booten--tracht tijd te winnen."

Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen

list haar kan baten.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 60 / 73 题