"HET IS EEN STAATSZAAK!"
En voor het eerst van haar leven gedraagt zij zich oneerbiedig tegen
haar vader en lacht zij spottend, maar tegelijk smartelijk: "Mijn vader
biedt mij sieraden aan voor het leven van mijn beminde! Misschien werpt
hij mij het goud, dat als prijs op het hoofd van mijn beminde staat,
in den schoot en denkt dat ik het zal gebruiken om er lekkernijen
voor te koopen," en dan zegt zij weer snikkend tot Guy, die, nu al
de uitgangen van het vertrek bezet zijn, geen kans tot ontsnappen
meer heeft, dan schier alleen door bovenmenschelijke middelen:
"O, barmhartige Moeder Gods, waarom hebt gij mij niet vertrouwd? Dacht
gij, dat ik enkel uw naam liefhad?" En daarna smeekt zij met heesche
stem: "Vader, spaar hem! Gij hebt het beloofd! Spaar tenminste zijn
leven. Vader, barmhartigheid voor mij!"
Want men hoort nu rumoer buiten, het geluid van mannen, die het huis
binnenkomen; maar het is slechts de luitenant van de lijfgarde,
die binnentreedt, met een viool druipend van bloed in zijn hand,
en rapporteert: "Wij hebben iedereen, die in de boot was, gedood,
muzikanten en allen."
Dit bericht vervult Chester met een sprankeltje hoop, het eerste,
dat in hem gloort. Als een lichtstraal gaat het hem door het hoofd:
"_De slachting van de muzikanten is een waarschuwing voor mijn booten,
dat hun commandant zich in gevaar bevindt_."
Maar deze zwakke hoop maakt weer plaats voor een gevoel van smart
voor haar, die hij bemint, want Hermoine smeekt nu tot haar vader,
als gold het haar eigen leven, hem noemende met vleiende namen, alsof
zij hem aanbad in haar vertwijfeling, en zij zegt snikkend, ofschoon
zij geen tranen heeft: "Vader, _hoort_ gij mij niet, voelt gij mij
niet?" Met haar armen om den hals van den ijzeren onderkoning gaat
zij voort: "Weet gij dan niet--dat ik--dien man bemin!--Zie het dan,
geloof het als gij de wanhoop ziet van mijn brekend hart! Als gij hem
doodt, zult gij mij dooden. Ik heb over hem getreurd toen ik hem dood
waande; moet ik nu opnieuw tot weduwe gemaakt worden?"
En terwijl zij zoo smeekt, in haar wanhoop, is Hermoine de Alva nog
liefelijker dan in haar vreugde, want zij is als met een bovenaardsch
waas overtogen--zij is als Eva, pleitende voor Adam, niet bij God,
maar--bij Satan.
Doch Satan is niet barmhartig, en meenende, dat haar vader niet
begrijpt, dat haar eigen leven er mee gemoeid is, roept zij uit:
"Nu zult gij mij toch wel gelooven!"
En het meisje gaat blozend, ondanks de tegenwoordigheid van de oude
veteranen en al de lakeien en bedienden, die op het rumoer zijn
toegesneld en die nu aan de deuren staan, naar Chester toe, slaat
haar armen om hem heen en kust hem snikkend en smeekt hem, niet te
denken dat zij hem voor iets ter wereld zou hebben kunnen verraden,
want zij heeft hem zoo innig lief.
Maar opeens verandert haar gelaat van uitdrukking, want terwijl
zij over Guy staat heengebogen, fluistert deze haar in het oor:
"Tracht tijd te winnen--waarschuw mijn booten--tracht tijd te winnen."
Zij denkt er over na, hoe zij dit zal doen, en begrijpt, dat alleen
list haar kan baten.