HOOFDSTUK XXII.

"HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!"

Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa's toestemming

te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn

wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé

Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in

Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen

van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van

het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud,

al is de waarde er van ook niet zoo groot.

Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk

haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van

de _Esperanza_ onder dek te brengen.

Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om

toezicht te houden sinds Chester de wacht op de _Esperanza_ heeft

betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn

commandant: "Bodé Volckers wenscht, dat gij, zoo gauw als ge kunt,

in het huis van 'de Stomme Duivelin' bij hem komt."

"Waarom?"

"Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat

eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk

te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in."

Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want

Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo

vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar

Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.

"Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer

ging?"

"Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen," antwoordt

de koopman.

"Het geval ligt er toe," zucht Chester, "ik zal er dus nog eens in

moeten gaan." Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij

terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder

het groote bastion, lacht hij: "Alles is in orde, dit is het laatste

van Alva's nesteieren."

"Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?"

"Ja."

Daarna brengen zij de groote steenen weer op hun plaats, waardoor de

ingang naar het gewelf wordt gesloten en leggen er de steenen van den

keldervloer weer boven op, en nadat de matrozen eenige geldstukken,

die uit een zak gevallen zijn, opgeraapt en bij zich gestoken hebben,

ziet de kelder van senora Sebastian er precies weer zoo uit, als zij

hem hebben gevonden. En als Bodé Volckers nog een flesch met rum

naast de snorkende stomme vrouw heeft neergezet, schudden zij met

een zucht van verlichting het stof van hun voeten.

"Hebt gij de papieren van uitklaring?" fluistert Guy.

"Ja, ik zal ze van mijn kantoor gaan halen."

"Goed, dan zullen wij de zeilen maar hijschen," zegt de Engelschman,

en de kist met de juweelen, die hij met een mantel heeft bedekt,

zelf dragende, begeeft Guy zich aan boord van de _Esperanza_.

Daarna maken zijn matrozen alles gereed om de Schelde af te varen,

terwijl Guy ongeduldig wacht op zijn papieren van uitklaring,

want iedere minuut komt hem nu voor als een uur van folterende

onrust. Eensklaps verschijnt Bodé Volckers, bleek, zenuwachtig, zich

reppend, zooveel als zijne dikke beenen onder zijn zwaar lichaam

dit toelaten. Hij komt de loopplank op, en zegt, Guy de papieren

toestekend: "Kapitein Andrea Blanco, uw papieren."

"Gaat gij weer aan wal?"

"Neen, ik ben doodelijk geschrikt! God helpe mij! Ik durf hier niet te

blijven. Breng mij naar de hut, er is iets verschrikkelijks gebeurd."

"Wat?" brengt Guy met moeite uit, doch hij geeft tegelijkertijd zijn

bevelen, om onder zeil te gaan. De matrozen vliegen allen naar hun post

en Martin Corker grijpt het roer. Als zij de Schelde afzeilen, gaat

Guy in zijn hut en fluistert tot den koopman, die half bezwijmd is:

"Wat is er gebeurd, wat heeft u zoo doen ontstellen?"

"Groote God! de hand heeft zich bewogen!"

"Welke hand?"

"De hand van Alva's _standbeeld_!"

"Genadige hemel!--Wanneer?"

"Toen gij het gewelf binnengingt, vanmiddag om twaalf uur, heeft

zich de hand van Alva's standbeeld bewogen. Ze zullen nu al wel in

het huis van moeder Sebastian zijn! Het standbeeld bewaakte Alva's

schat. God zij ons genadig, als zij een bode naar Lillo zenden, om de

schepen aan te houden eer wij het fort voorbij zijn. Het garnizoen

spreekt er van, alsof het iets bovennatuurlijks ware! Zij zeggen,

dat het de val van Haarlem beduidt, maar ik weet nu, dat het zeggen

wil, dat iemand in Alva's schatkamer is binnengedrongen. Daarom was

het helsche standbeeld daar neergezet," roept Bodé Volckers uit.

Maar zijn laatste woorden zijn gericht tot een leege hut, want

Chester is op het dek, om op de _Esperanza_ alle zeilen te doen

bijzetten. Het schip vliegt de Schelde af met zulk een vaart, dat

het bijna onmogelijk zou zijn hen in te halen en Chester doet een

schietgebed, dat de douanen hem niet te lang mogen ophouden.

Deze Spaansche beambten, die hij praait, ontvangt hij aan boord,

en hun chef maakt hij gelukkig, door hem een rol dubloenen in de

hand te stoppen, met het verzoek, om wat voort te maken, daar hij

zich heeft te haasten om den wind en het tij. Dank zij de dubloenen,

vergunt men hem spoedig te passeeren. Met een zucht van verlichting

stevent Guy, steeds met alle zeilen bij, de Schelde af, en om vijf

uur zijn zij de _Dover Lass_ in het Kromvliet opzij gekomen en laden

zij onmiddellijk den schat over in het gewapende schip.

Hiermee zijn zij om zeven uur reeds klaar; want Chester heeft nu

honderd vijf en twintig matrozen aan het werk, die hun handen reppen,

zooals zeelui altijd doen, als er uitzicht is op buit.

Vervolgens vraagt Guy aan Dalton: "Zijt gij er in geslaagd, een

geestelijke van de Katholieke kerk in Zeeland voor mij op te sporen,

zooals ik u had opgedragen?"

"Ja en het was alsof de drommel er de hand in had," zegt de ruwe

officier. "Ik kwam dadelijk terecht bij den eenige, dien de Hollanders

gespaard hadden. Er was er eigenlijk nog wel een, maar Michael Krok

had hem de ooren afgesneden en ik wist niet of hij een wettig huwelijk

zou kunnen inzegenen," want Guy is genoodzaakt geweest zijn eersten

officier in het vertrouwen te nemen.

"Vraag hem, of hij hier wil komen," zegt Chester.

En als de priester bij hem wordt gebracht, merkt de commandant op:

"Men heeft u toch goed behandeld, eerwaarde vader?"

"Uitstekend. Men heeft mij zoo overvloedig van alles voorzien, dat

het mij speet, dat het vastendag was. Ik lijd tegenwoordig geregeld

honger. De Hollanders hebben mijn kudde verstrooid en mij van alles

beroofd."

"Weet gij, waarom ik u liet komen?"

"Ja, men zeide mij, dat ik een sacrament van de Kerk moest

verrichten; ik ben daartoe bereid, want daarvoor ben ik op het

eiland gebleven,"--hij wijst in de richting van Zuid-Beveland,--"alle

vervolgingen, alle bedreigingen, alle beleedigingen ten spijt. Vraag

iederen Watergeus of vader Anastasius ooit voor hen vluchtte, en er

is slechts één onder hen, die de Katholieke priesters behandelde

als Godsmannen. De 'Eerste der Engelschen' is, ofschoon hij Alva

beoorloogt, een getrouwe zoon van Rome. Als zoodanig voldoe ik gaarne

aan zijn verzoek."

"Kent gij mij?" vraagt Guy.

"Ja, dat is de reden, waarom ik zoo spoedig kwam."

"Dus wilt gij met mij gaan, om een sacrament van de Kerk te

verrichten?"

"Dat zou ik voor iedereen doen, die er om vroeg."

Guy is er van overtuigd, dat dit zoo is; want vader Anastasius is over

geheel Zeeland bekend als een priester, die zijn Heer meer liefheeft

dan zijn leven en die zijn plicht even nauwgezet vervult tegenover

den nederigste als tegenover den hoogst geplaatste, zooals de Kerk

dit voorschrijft.

"Geef vader Anastasius een plaats in mijn sloep," zegt Chester kortaf

tot Dalton. "Beman en bewapen ze!"

"Dat is reeds geschied."

"De twee andere ook?"

"Ja."

"Hoeveel man?"

"Zestig."

"Dus blijven er nog zestig voor de _Dover Lass_ over. Dat is voldoende,

zelfs voldoende om het schip te verdedigen in geval van nood. Gij

moet het commando over het schip van mij overnemen, Corker zal over

de sloepen commandeeren. Zijn zij goed bewapend?"

"Ja, pistolen, haakbussen, pieken en strijdbijlen alles zoo

goed in orde, alsof wij op roof uitgingen, in plaats van op een

troubadours-avontuur," antwoordt de luitenant.

Om acht uur is de schemering neergedaald over land en zee, en

berekenende, dat een uur voldoende is om hem naar het landhuis te

brengen, waar zijn beminde hem wacht, begeeft Chester zich op weg,

in zijn sloep den Roomsch-Katholieken priester met zich nemend, en

gevolgd door de twee andere sloepen; de roeiers spannen hun spieren

in zooveel zij kunnen, want zij verlangen zoo spoedig mogelijk weg te

komen, wetende, dat zij met hun schip nu een hoogen prijs waard zijn.

Veertig minuten later, dicht bij Sandvliet, ontmoeten zij een boot

vol Italiaansche muzikanten met violen, mandolines, fluiten en harpen,

en versierd als voor een feest.

Zij zijn vroeg in den morgen voor dien avond aangenomen door Achille,

die nog altijd kajuitsjongen is. Allen zijn heel lustig en zingen

een vroolijken Toskaanschen minnezang.

"Dit is mijn klein waterfeest," fluistert Guy tot Corker, die naast

hem zit en wien hij zijn laatste bevelen geeft. "De dame zal denken,

dat het een pleziertochtje op de rivier is."

"Oho! Ontvoering!" lacht de bootsman.

"Ja--om haar, die ik bemin en vereer--tot mijn vrouw te maken,"

antwoordt Guy. Daarna fluistert hij: "Zij is Alva's dochter."

Waarop Corker een langgerekt gefluit doet hooren en mompelt:

"Groote God!" en met een doodelijk ontsteld gelaat luistert, als

Guy hem nog eenige orders geeft: "Neem de grootste sloep, bewaak den

dijk tusschen het huis en Sandvliet, om de troepen tegen te houden,

die bij een mogelijk alarm zouden kunnen aanrukken. De beide andere

sloepen zullen de andere zijden van het huis bewaken."

Want Chester vreest, dat op het laatste oogenblik een der lakeien of

de gravin De Pariza bericht van wat er in Sandvliet gebeurt naar Lillo

zal zenden of dat een onverwacht voorval zijn plannen zal dwarsboomen,

en hij weet, dat als hij Hermoine ditmaal verliest, zij voor altijd

voor hem verloren zal zijn.

Een oogenblik later fluistert hij verrukt: "Kijk, het huis ziet er

feestelijk uit, het is geheel verlicht; zij is voor mij gereed, mijn

bruid!" Nadat hij Corker nog de meest mogelijke waakzaamheid heeft

aanbevolen, neemt deze het bevel op zich.

Twee minuten later bereikt Guy de landingsplaats.

"Onder dat venster daar, muzikanten; en speelt een zachte Venetiaansche

serenade," fluistert hij tot den leider der Italianen, naar het groote

vooruitspringende venster wijzend, dat helder verlicht is.

"Si, gracioso, Senor," antwoordt de leider van deze ongelukkige

drommels; want Guy heeft hen voor zijn feest gehuurd met vorstelijk

milde hand, zichzelf financieel als een Midas gevoelend. "Een

aangenamen avond, senor, een recht aangenamen avond!" En de gelukkige

Italiaan kust de hand van zijn milden begunstiger en gaat met zijn

troep datgene tegemoet, wat het noodlot over hem heeft beschikt.

Hierop antwoordt Guy niets, maar springt aan land en fluistert tot zijn

bootsman: "Houd de boot gereed, om onverwijld te kunnen vertrekken,"

en tot den priester: "Ik verzoek u, met mij mede te gaan, eerwaarde

vader."

Zij gaan nu de trappen op naar den dijk en wandelen het pad op,

dat door den kleinen tuin naar het huis leidt.

"Het is een zomernacht," zegt Guy. "Vader Anastasius, zoudt gij er

niet tegen hebben, hier onder de boomen op de bank te gaan zitten,

totdat ik u laat roepen? Het is het sacrament van het huwelijk, dat

ik mij door uw handen wensch te laten toedienen, en ik zou eerst nog

met de dame willen spreken, eer ik u bij haar breng."

"Zooals gij verlangt," antwoordt de man Gods. "Ik kan evengoed voor

u en uw huwelijk bidden hier onder den vrijen hemel als in een paleis."

Daarna klopt Guy aan de huisdeur; hij is zonder wapens, behalve het

rapier, dat de ridders steeds dragen, en het scherpe stiletto, dat

hem nooit verlaat, want hij wenscht zijn beminde niet te verschrikken

door een onnoodige tentoonspreiding van oorlogstuig.

De deur wordt terstond geopend door Alida, die fluistert: "Zij wacht

u reeds, heer, en is overgelukkig! Neem de gelukwenschen aan van haar,

die u beiden liefheeft en uw slavin is."

Het Moorsche meisje wil zijn hand kussen, maar hij laat haar daarvoor

den tijd niet en is het vertrek met het groote vooruitspringende

venster reeds binnengetreden, om het verlicht te vinden door

welriekende lampen, en versierd met bloemen, linten en groen, als

voor een luisterrijk feest.

En van het venster, waar zij naar hem heeft staan uitkijken, zweeft een

wezen van verrukkelijke aanminnigheid hem tegemoet en hij fluistert:

"Mijn bruid, gij zijt veel te schoon voor deze aarde!"

Hij heeft gelijk, want het meisje is gekleed als een bruid,

in glinsterende witte zijde, een kostbaar voortbrengsel van de

weefgetouwen van Lyon. Zij heeft oranjebloesems in het haar, haar

fraaie schouders en haar hals zijn wit als ivoor en de blanke arm,

dien zij om zijn hals slaat, is zoo blank als albast: "Mijn Guido,

eindelijk! Nu zult gij zien, welk een verrassing ik voor u heb. Kom

met mij mee, nu zullen wij gelukkig zijn. Als ik er hem om smeek,

zal hij misschien toestaan, dat wij dezen avond nog vereenigd worden."

Haar vingers wijzen naar de kapel, en zij lacht: "Ik heb een verrassing

voor hem ook. Ik heb vanavond tot de Madonna gebeden en nu ziet zij

zoo vriendelijk op mij neer."

Guy begrijpt niet recht, wat zij bedoelt, maar hij voelt zich

overgelukkig, vooral als hij de kapel ziet, nadat de gordijnen zijn

weggetrokken; de waskaarsen branden bij dozijnen op het altaar, het

is versierd met bloemen en alles schijnt gereed voor een godsdienstige

ceremonie.

"Kijk er niet te lang naar, maar kom mee. Hij zal verbaasd zijn,

als ik hem de reden zeg."

"Hij! Wie?"

"Dat zult gij aanstonds zien; ik zal hem bij u brengen." Zij staan

nu voor de draperieën, die den toegang naar de eetzaal afsluiten,

en het meisje roept uit: "Trek de gordijnen weg!"

Als deze zich openen, fluistert zij: "Guido, op uw knieën voor mijn

vader, die mij heeft beloofd, dat gij mijn echtgenoot zult worden--op

uw knieën en dank hem, zooals ik doe!" en zij werpt zich neer voor

de magere figuur in het zwart, die altijd het Gulden Vlies draagt,

den Onderkoning van den koning van Spanje, den hertog van Alva.

Hoe groot is echter haar verbazing, als Guy, in plaats van zijn knieën

te buigen, met een sprong en een kreet van ontzetting van haar zijde

wegsnelt en de hand aan zijn rapier slaat.

Op hetzelfde oogenblik springen acht Spaansche busschutters door de

geopende vensters in het vertrek en grijpen hem, terwijl zijn zwaard

nog pas half is uitgetrokken, en binden zijn handen, doch niet zonder

een wanhopige worsteling. Eer hij overmand is, ligt er een Spanjaard

dood aan zijn voeten.

Het meisje is hevig ontsteld en roept uit: "Guido, zijt gij krankzinnig

geworden, dat gij een Spaansch krijgsman doodt?" en zij voegt er op

hoogen toon aan toe: "Mannen, bevrijdt dien officier terstond!"

Maar de mannen kijken slechts haar vader aan.

"Bevrijdt dien officier! Gij weet niet, wat gij doet. Maakt hem

los! Het is kolonel Guido Amati, de aanstaande schoonzoon van uw

Viceroy!" En als ter verontschuldiging zegt zij tot Guy: "Het is

een allerjammerlijkst misverstand, mijn Guido. Worstel niet met hen,

zij zouden u kunnen dooden." Want Chester tracht zwijgend zich een

weg te banen naar het venster, om er zich uit te werpen in de Schelde.

Daarna wendt Hermoine zich tot haar vader en roept uit: "Beveel uw

soldaten, den man, dien ik bemin, weer vrij te laten. Is dat de manier,

waarop gij de belofte houdt, die gij aan uw dochter hebt gedaan?"

Daarop vraagt de Hertog: "Wie is die man? Laat iemand mij dat

zeggen. Herkent gij hem? Wie is hij?"

Naar voren tredend, salueert de brutale sergeant van Romero en

fluistert in het oor van den Onderkoning: "Het is de 'Eerste der

Engelschen'!"

Bij deze woorden barst de hertog van Alva in een akelig gelach

uit. "Haha! De vos is eindelijk gevangen! Mijn dochter, gij hebt de

tien duizend kronen verdiend. Hij is de man, naar wien ik zoolang

gehunkerd heb. Kom hier en kus uw vader!"

En tusschen dit alles door dringt de zachte muziek naar binnen van de

harpen, mandolines en violen der muzikanten in de barge, die buiten

op het water een serenade spelen.

De muziek hoorend en het voornemen van den Engelschman bemerkend,

beveelt Alva op scherpen toon: "Zijn boot--zorg voor zijn boot! Laat

niemand ontsnappen!"

Onmiddellijk wordt er gevuurd op de boot en klinken er

hartverscheurende kreten uit de kelen der doodelijk gewonde Italianen,

die sterven met de tonen der muziek op de lippen en onder het venster

verdrinken.

Op hetzelfde oogenblik rukt Chester zich los en snelt naar Hermoine

toe, en haar Guido, de man, dien zij bemint, vraagt haar huiverend:

"Waarom hebt gij dat gedaan?"

"Waarom ik dat heb gedaan? Omdat ik u liefheb!" antwoordt zij. "Waarom

hebt gij dien man gedood?" Want zij begrijpt het nog niet.

Maar haar vader zegt: "Kom bij mij, Hermoine, ik zal u alles

uitleggen."

Zij antwoordt: "Neen, neen!" En als Alva naar haar toe komt, roept

zij afwerend: "Blijf waar gij zijt! Waag het niet, mij aan te raken,

eer gij mij hebt gezegd, waarom gij uw belofte zijt vergeten!"

Daarop antwoordt Alva, met een stem, die haar zoo scherp voorkomt, als

de bazuin van het laatste oordeel van onzen Heer hun zal voorkomen,

wien geen hoop wacht in de eeuwigheid: "Dit is niet de man, dien gij

meendet lief te hebben. Dit is niet Guido Amati. Hij werd gedood in

het gevecht op het ijs, gedood door dezen Engelschen roover, dezen

vervloekten zeeschuimer, dezen laaggeboren clown, die een Spaansch

edelman naäapte, om uw vertrouwen en liefde te winnen."

"Laaggeboren clown!" barst de Engelschman verontwaardigd los. "Dat

is een leugen, waar gij dat schimpwoord met den naam van Chester

verbindt. Hertog van Alva, gij spreekt tot een ridder; geridderd door

de Koningin zelve. Ik heb in mijn aderen het bloed van de Stanhopes,

die onder Willem den Veroveraar vochten; mijn neef is een Stanley

en draagt een gravenkroon. Adeldom bezit ik genoeg voor u en de

uwen. Denkt gij, dat ik haar, die ik bemin, zou misleid hebben door

haar te bewegen tot een verbintenis met onedel bloed? Hier op mijn

borst draag ik de gouden sporen van mijn ridderschap!"

Het meisje, dat ineengekrompen is onder de woorden, die den man,

dien zij liefheeft, als een onedele brandmerken, rukt de sporen van

zijn borst, die toonen, dat hij van rang is, houdt ze Alva voor en

roept op bijna gelukkigen toon uit: "_Hij is van adel_! Vader, hoort

gij mij? _Hij is van adel_. Nu kunt gij niet meer weigeren, hij is

van adel, al is hij"--zij breekt eensklaps af en zegt stamelend tot

Guy, want zij begint het nu te begrijpen: "Zijt gij de--de 'Eerste

der Engelschen'?"

"Ja!"

Het antwoord wordt gegeven op een hoogen en trotschen toon, en nu

wordt haar eensklaps alles helder en zij stamelt: "O, nu begrijp

ik alles--! Deze--deze Oliver, zijn vriend--den dag, dat hij mij

bevrijdde--den dag, dat zij zeiden, dat de Engelsche zeeroover in

Antwerpen was." Daarna fluistert zij, bijna juichend: "Dien dag, mijn

lieveling, heb ik u tweemaal gered; thans _wil ik_ u wederom redden!"

Doch deze woorden eindigen in een verschrikkelijken kreet, als Alva,

op een toon, even onwrikbaar als de rots der eeuwen, ijskoud zegt:

"Gomez, _haal den beul_!"

"Den beul! Vader, gij begrijpt het niet. Dit is de man, dien ik bemin."

"Gij bemint hem?" spot de Hertog. "Gij bemint den vijand van uw

land? Dezen man, een vriend van Oliver, den verrader in mijn omgeving,

wiens aanval op Bergen Oranje tijd gaf, om geheel Holland in opstand

te brengen, den man, die mij ter wille van zijn koningin beroofde

van mijn Italiaanschen schat? Gij moet hem haten, mijn dochter,

zooals ik doe," en hij wendt zich af om zijn verdere bevelen te geven.

Bij deze woorden vertoont er zich een spotachtige lach om Guy's mond,

maar Hermoine legt haar hand op zijn lippen en fluistert smeekend:

"Vertoorn hem niet, beheersen u, om mijnentwille, mijn Guido--mijn

Engelschman. Ik kan Papa om mijn kleinen vinger winden," en zij tracht

hem bemoedigend toe te lachen: "Kijk wat ik ga doen."

En in het volgend oogenblik slaat zij haar armen om zijn hals en vleit:

"Wat spreekt gij toch voor onzin? Gij doet altijd, wat uw Hermoine

u zegt te doen. Lieve papa, zal ik u aan uw stouten baard trekken?"

Hij antwoordt echter: "Kind, gij begrijpt mij niet. Ik zal allerlei

mooie zaken en nieuwe kleederen voor u uit Frankrijk laten komen. Gij

zult hem spoedig vergeten!" en met verheffing van stem:--"_De beul_!"

Zij laat zich echter niet zoo gemakkelijk afschepen en tracht te

lachen: "De beul?--voor den man, dien gij mij tot echtgenoot beloofd

hebt? Welk een onzin! Gij bedoelt den priester. Mijn lieve, beste

domme papaatje, laat dadelijk den priester halen!"

Doch Alva antwoordt ijskoud: "Om hem te laten biechten, als hij geen

ketter was!" Daarop vervolgt hij op strengen toon: "Gomez, waarop

wacht gij nog? Gij hebt mijn bevelen--_De beul_!"

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 59 / 73 题