"En u eveneens!"
"Red uzelf!" Uit Oliver's oogen spreekt een angst, die geen doodsangst
is. "Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend,
dat gij haar zult redden!"
"Dat heb ik reeds gedaan," fluistert Guy haastig. "Wenscht gij nog
iets anders?"
"Enkel dit--doch gij zijt--geen--kunstenaar. Ik zou zoo gaarne--mijn
altaarstuk--hebben afgemaakt. Ik--zie--nu--_werkelijke_ engelen--"
De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen
naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen,
waar de _werkelijke_ engelen en de _ware_ Madonna zich bevinden.
Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat
hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden
bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn
alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche
schepen den terugtocht af.
Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en
vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een
kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze
plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn
losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer.
Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: "Dat is onze
eenige kans!"
Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen,
en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een
kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen
nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de
sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot.
En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn
hoofd af.
"Zij snijden hem het hoofd af," fluistert Haring. "Het is Alva twee
duizend Carolusguldens waard."
Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog
meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt
er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn
dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten.
"Het was een Berserker eed," mompelt hij, "doch ik zal hem houden." En
hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht,
met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers
gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich
te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden,
onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet
verzadigd is van doodslag en wraak.
Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek
tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: "Sir Chester, het ziet
er slecht met ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer
dijk--en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken,
om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn
geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben
vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog
meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon
wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,"--want
de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen,
om naar de sloep te zwemmen.
"Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk," antwoordt
Guy op beslisten toon. "Tenminste, ik niet."
"Hoezoo?" vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend.
"Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te
brengen. Gij kent immers het land?"
"Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor
vecht ik."
"Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer
te komen?"
"Zonder wapens?" vraagt de Hollander. "Dat zal moeilijk gaan;
wij kunnen niet vechten en--het stuit mij tegen de borst, voor de
Spanjaarden te gaan loopen!"
"Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten," mompelt Guy,
"en spoedig ook." Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over
den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn er twee paar
riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat
zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee
mijlen langen Diemer plas.
Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden
bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van
af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen
nu haastig, wat hun verder te doen staat.
"Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen," verklaart Haring, naar
het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. "Die
is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen
komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een
mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten."
Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig
met het voorstel in, vragend: "Is er in de plassen en meren, waarmee
dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer
meer kunnen roeien?"
"Ja, er is een weg," antwoordt Haring. "Doch de eerste zes mijlen
zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De
laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist,
waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen
moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij
maar wapens," zucht de Hollander, "dan hadden wij kans, al vechtende
Haarlem te bereiken, en Alva's schepen te ontloopen."
"Wapens!" merkt Guy op, "gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard."
"Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard
en mes," zegt Haring, grimmig lachend. "Ik heb er altijd schik in,
een Spanjaard te pakken te krijgen."
Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een
zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want
er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast
en hijschen het zeil.
Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken,
een vreugdekreet.
"Wat is er?" vraagt Guy.
"Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met
ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd,
als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van
roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal
heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje."
"Ja, en hier is nog iets beters," roept Guy uit.
"Wat kan nog beter zijn dan eten?" vraagt de Hollander.
"_Wapens_!"
In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier
Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een
strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst,
want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur.
Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer
samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden
komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met de
Spaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten
staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig
maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer
Alva's veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen
reeds een vijftig voeten voorbij.
"Nu," fluistert Guy, "ter gedachtenis aan Oliver!"
Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met
de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt.
Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te
kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en
onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging
van de moordenaars hunner makkers begonnen.
"Dat hebben wij hem eens netjes gelapt," merkt de Hollander op. "Ik had
gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden,
doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En
nu vooruit, daar komen zij!" De beide mannen grijpen de riemen,
maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier
man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint.
"Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger
dan gij," zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe:
"Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor
ieder van ons."
Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af,
die snel naderen, denkende, dat zij gemakkelijk spel zullen hebben,
daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de
andere drie de geweren laden.
Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan.
Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij
grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt,
beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en
hun eenigermate een schuilplaats bieden.
Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en
kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen,
als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun
vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk.
Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met
een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier
afdrijven.
"Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna
te zenden!" fluistert Haring.
"Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen,"
antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar
hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in,
die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke
waterrotten als de Geuzen.
Een paar schoten, daarna een van Alva's veteranen het hoofd tot aan
zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot
drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken.
"Dat was een gelukje," zegt de Hollander. "Nu kan niemand van hen
alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen
wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een
heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis
te verschalken."
Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder
stroomt, en om zes uur 's avonds verschuilen zij zich tusschen de
wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan
vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij
durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood
met olie en wachten de naderende duisternis af.
Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder
maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen
een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den
anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst
doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij
zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen,
als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge
heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept.
Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch
zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen
en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend,
dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets is voorbijgegaan. Zij
meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van
de honden op te merken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een
valsch alarm hebben gemaakt.
Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde,
als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle
strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In
den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat
zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden
niet waren gebleken, vrienden te zijn.
Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart
in dienst van den prins van Oranje.
Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op
het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen
hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot
zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer,
om gekalfaterd te worden. "Ik zou u afraden, te gaan," zoo besluit
de Hollandsche bevelhebber.
Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden,
dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden,
en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de
man om hem in den steek te laten.
"Nu, als gij er dan op staat," antwoordt de Hollandsche bevelhebber,
"zullen wij u helpen."
Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer
door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt
en in het Haarlemmer meer uitkomt.
"Nu," zegt Chester, "hoeveel levensmiddelen kunt gij missen? Het zou
tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad
kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten."
"Gij hebt gelijk," antwoordt de bevelhebber der boot. "Wij zullen
u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij
zet uw leven op het spel," vervolgt hij. "Ga liever vannacht. Op het
Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van
Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie
galeien bij de Fuik."
Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder
zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel
verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine
eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad.
Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in
de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een
patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar
gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de
belegerde stad.
Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde,
doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg,
meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis,
dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen,
geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan
verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dak gericht en die
iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om
zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener
weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger
doen strijden.