DE BERSERKER EED.

Na eenigen tijd herstelt Chester van de wonde, hem door een Spaanschen

kogel toegebracht, ofschoon het niet heel spoedig gaat, daar de

heelkunde in die dagen ruw en onwetenschappelijk was en zelfs dikwijls

den dood veroorzaakte. Als hij weer op krachten komt, verneemt hij,

dat de _Dover Lass_ is ingevroren in de haven van Enkhuizen.

Guy vindt echter, dat zij een grove fout hebben begaan, met naar

het Noorden te zeilen. Als zij in Delft gebleven waren, zouden zij

waarschijnlijk nu het meisje over het bevroren meer uit Haarlem hebben

kunnen redden.

Nu ligt tusschen hen en de bedreigde stad de dijk langs het IJ, bewaakt

door Alva's troepen, beschermd door Alva's forten, die Noord-Holland

zoodanig afsluiten, dat het onmogelijk is, den belegerden hulp te

verleenen.

Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken

vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft

verdeeld tusschen het verplegen van zijn gewonden kameraad en het

doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva's troepen te

verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk

op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy,

die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert,

krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of

andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor

Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij

dit voor Haarlem hebben gedaan.

"Pardieu!" merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half

bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, "als

ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken

tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan,

niets--en zelfs niets voor mijn liefde." Hij wringt wanhopig de handen.

"En wat heb ik voor de mijne gedaan?" zucht Guy.

"Diable!" zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn

vriends binnenste, "Alva's schat zal onaangeroerd blijven, totdat de

Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde

troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed

opgezouten voor den winter."

"Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij

de sleutels hebt laten maken?" vorscht Guy, die niet geheel en al

gerust is.

"Dat kan hij onmogelijk--want ik heb ze niet laten maken--ik vreesde

reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht--daarom gaf

ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen, eer ik Brussel

verliet," antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met

een glimlach: "En wat Alva's dochter betreft, zij treurt zeker over

kolonel Guido Amati de Medina."

Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en

hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone

oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang

zijn schip in het ijs ligt vastgevroren.

Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich

bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij

elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk.

Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal

galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra

de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden.

Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de

dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen

van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle

weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat

Amsterdam van Muiden--en daarmee de weg voor proviand en versterkingen

van uit Utrecht--wordt afgesneden.

De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die

overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt

zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in

orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen.

Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren

van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen

verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is,

waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten.

Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet

gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk

een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en

de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen,

bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van

de andere zijde aan te tasten.

In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen

zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens

troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij

zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen,

waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds

twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline

en wederzijdschen steun.

Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen

begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig

opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds

hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar

hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen,

en ook om gereed te zijn tot vluchten.

"Wij moeten een aanval doen op de kanonnen," roept Chester uit. En hij

en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten

door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg

met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan,

dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts

een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij

worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man

verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken.

Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den

schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen

de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen,

die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht--behalve

één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste

gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen

een duizendtal veteranen van Alva's leger. Gelukkig voor hem, kunnen

zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is,

het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend

water van het IJ aan de andere.

Haring's verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen.

Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast

opeengeklemde tanden: "Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u

niet levend in handen krijgen." Dan veegt hij het doodszweet van zijn

vriends voorhoofd en ziet smartelijk in het hem zoo dierbaar gelaat,

dat reeds met een doodskleur overtogen is.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 49 / 73 题