HOOFDSTUK IX.

"GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT."

Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt

Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan,

naar Londen.

Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar

hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote

vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus

tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het

Borgia-complot te verijdelen.

Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of

Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche

sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou

overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van

Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de

hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg

had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar

ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit

zou Brittannië geheel onder den invloed van Philips II van Spanje

hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan,

de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen

van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland

in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden,

door Alva, zijn onderkoning.

Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman

en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche

koningin.

Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is

gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi,

Alva's agent te Londen.

Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid

is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond

aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk

toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de

brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel,

dien Oliver hem heeft verschaft.

Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de

Lord met een ernstig gelaat: "Gij hebt den staat een grooten dienst

bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor

zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins

verfrisschen kunt," en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn

bevelen. "Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris

de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt

ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op."

De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft

twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot

zich genomen.

Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig

maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,--thans

Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,--naar de

audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel

ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de

ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de

hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth

is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter

van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar

vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten,

de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,--een beeld

van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom,

zij is de goede "Queen Bess", in den bloei des levens, vijf en dertig

jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid

zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven.

"Mijn goede Burleigh," zegt zij, "wat zijt ge toch altijd haastig! Ik

heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat

er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van

mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats

gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek

kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij

opnieuw achthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied

van mijn koninkrijk ontdekt?"

"Neen," antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar

buigen. "Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva

tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk

en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen,

zijn er het bewijs van."

"O! in cijferschrift," zegt de Koningin, ze inkijkend.

"Ja, maar dank zij Master Chester's bereidvaardigheid om zijn leven

opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen

weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch."

"Gauw--geef ze hier!" En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig

door, waarna zij uitroept: "Zij wilden mij dus vergiftigen en dien

verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw,

die mijn gevangene is. _Dat beslist het lot van Norfolk_! Hij is

gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven,

Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen,

en wat Ridolfi betreft--"

"Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe

Majesteit," valt Burleigh haar in de rede.

"Zeer goed," antwoordt Elizabeth, "dan is er voor het oogenblik

niets meer te doen dan van kok te veranderen; en"--hier komt er

een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit--"en

dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen,

vogelvrij verklaard hebben; maar met dat al hebben wij toch veel

met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer

geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven

en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John

Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de

Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen

handelt,--alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,--ik

zeg het met overtuiging,--kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik

echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master

Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te

schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden."

Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide

ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en

geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is

zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine

de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge

dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt,

beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje.

"Gij drommelsche kerel!" roept Elizabeth uit, als hij geëindigd

heeft. "Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours

verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van

reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der

Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit

er onder geleden heeft.

"Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master

Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords

hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad."

"O, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover,

"als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn

koningin aankijkt, een verrader."

Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem

ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar

schoonheid,--een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een

voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen

zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend

aanziet, is zij pas vijf en dertig.

"En ik wil dien vermetelen vleier straffen," zegt zij lachend,

"ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester."

De jonge man wil zijn zwaard afgespen. "Neen, bloot, zooals gij het

tegen uw vijanden gebruikt."

Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en

het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op

een onverwachte, roemvolle onderscheiding.

"Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?"

"Uwe Majesteit," antwoordt Cecil, buigend, "van moeders zijde heeft

hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn

vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn

grootvader werd tot ridder geslagen."

"Dan," zegt de koningin van Engeland, "zal hij eveneens ridder

zijn!" En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende:

"Sta op, Sir Guy Chester!"

Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone

hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift,

dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: "Het

schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft

geleerd, om de hand te kussen."

En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard

over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend,

en zegt: "Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals

vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik

van Alva,--spaar hem niet ter wille van zijn dochter."

"Neen," antwoordt Guy, "want iedere slag, dien ik tegen den vader

richt, brengt mij nader tot de dochter."

"Wel heb ik van mijn leven!" spot Hare Majesteit, "wat denkt deze

nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?"

"Haar te _trouwen_, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig

veroorlooft," roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh,

de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend,

daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder.

Doch niettegenstaande Chester's waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar

leven heeft gered, slaat Elizabeth--die, hoe groot zij ook is als

Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in

practijk brengt,--volstrekt geen acht op Chester's herhaald verzoek

om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning

te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de

Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken,

het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar

vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering

van de hutten der _Dover Lass_ en haar salons zoo rijk stoffeerende,

dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: "Bij alle mooie

meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart

uitgaat op een vrouw!"

Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder

voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus

weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om

geld te verzoeken.

Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt,

die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond

heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het

laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins

verzonken zit.

"Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy," zegt hij

levendig. "Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen,

die Nederlandsche zeeschuimers."

"Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen," antwoordt Chester. "Het

zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland,

Holland--kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid

en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee,

want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op

den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet

gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder

hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje,

die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten

te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb

er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort," en hij

vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan

Lord Burleigh. "Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong

en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam

hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij

zooveel belang in de Watergeuzen?"

"Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand,

zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en

verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der

Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet,

op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne

gastvrijheid weigeren."

"Vijf en twintig schepen--dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid

weigeren," antwoordt Guy.

"Waarom?"

"Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet

geld voor mijn schip hebben."

"Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij

heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft--en

modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur

boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip," lacht Cecil,

maar bestelt toch zijn rijtuig.

En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh

ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten

der Geuzen ontvangt.

"Groote goden!" roept Hare Majesteit uit, "ik zie, Mylord Burleigh,

dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een

afgezant?"

Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de

Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken

gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te

spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te

spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva,

en om die reden zou zij hen willen ondersteunen.

"Neen, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die plotseling een ingeving

krijgt. "Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg

integendeel: _verleen ze hun niet_."

"Waarom niet?" vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand

buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt.

"Om deze reden: als Uwe Majesteit hen van eten en drinken voorziet,

zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang

als uw gastvrijheid duurt."

"Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier

willen maken," gromt Hare Majesteit.

"Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de

Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen

u te gebruiken."

"Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?"

"Ja," antwoordt Guy, "voor geen halven cent proviand."

"Maar zij hebben ook geen water."

"Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet,

zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook,

Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in

de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich

aan Alva's ijzeren vuisten te wagen. _Geef hun niets dan kruit en

lood_. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven

niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen

Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan

den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij

waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen

zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels,

om Alva te bestrijden."

"O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke

inval!" roept Hare Majesteit uit. "Sir Guy Chester gebruikt niet

alleen zijn zwaard, hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van,

Burleigh?"

"Ik?" antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is,

om de wijsheid van een ander te erkennen, "ik zeg, dat hij u den

verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij

maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den

Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk

doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje

neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een

openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn--"

"Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord," merkt

Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: "Laat de

afgezanten van de Geuzen binnenkomen."

En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te

ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later

zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem.

Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de

hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben

flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer

en gebrek.

"Gij zijt hier gekomen, heeren," zegt zij, "om mij een verzoek te

doen. Wat is dat?"

"Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren," antwoordt

de admiraal.

"Geen mondvoorraad!"

"Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva's

vijandin."

"Ik ben Alva's _vriendin_. _Geen mondvoorraad_! _Wat nog meer_?"

"En water,--wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze

schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan

een dorstig zeeman geweigerd heeft--_water_!"

"Geen _water_! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer

of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden."

"En dit heet een Christelijk land?"

"Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een

bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven

niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen."

"En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder

voedsel?"

"Ja!"

"Dan," zegt Van Treslong, "moge God u uw onmenschelijkheid

vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de

uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles--behalve

ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor

laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons

leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in

den ongelijken strijd tegen Alva!"

"De hemel helpe ons," zucht de admiraal. "Wij hebben zelfs geen kruit

om ons te verdedigen," en de beide mannen verwijderen zich buigende,

met wanhoop in het hart.

De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde

houden, en roept: "God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw

noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende

Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonder _kruit_

en _lood_!" En zij zegt tot Chester: "Is uw schip reeds uitgezeild?"

"Neen, Uwe Majesteit."

"Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men

u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt

bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de

haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de

Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te

kunnen vechten."

"Maar, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen,

wat hij behoeft, "ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen."

"Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen." En

Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling:

"Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig

koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw

knorrende honden koest te houden," en zij teekent de order, maar

heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: "Mij dunkt, _tien_

duizend is ook wel genoeg."

"Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend

kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij

zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn,

die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u

zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten,

niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat

ieder mensch het naast aan het hart ligt--_hun bestaan_! Bovendien

doen zij het geheel buiten u om!"

"Drommels, Cecil, wat een redenaar," lacht Hare Majesteit. "Een echte

zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen

tot ondersecretaris van staat--wat dunkt u, lord Burleigh?"

"Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder

hersens in het hoofd."

"En ook wel, die minder goed wisten te praten," antwoordt Elizabeth,

die niet kan vergeten, dat zij vijftien duizend kronen minder in

haar schatkist heeft. "Hij heeft mij het geld leelijk afgetroggeld,

hij trok partij van mijn zwakheid, Lord Burleigh. Voer hem spoedig

weg van hier, eer ik de order terugneem. Tracht gij echter die twee

arme Nederlandsche edellieden in te halen en noodig ze bij u ten

eten. Laat hun zien, dat gij tenminste een hart hebt, als uw Koningin

het niet heeft." En de twee mannen vertrekken, terwijl Guy tot spoed

aanmaant. Hij vreest, dat Hare Majesteit de order op haar schatkist

zal terugverlangen en verscheuren.

Burleigh vergezelt hem naar de thesaurie, daar hij blijkbaar zelf

de zaak nog niet vertrouwt. Maar als het geld aan Guy is uitbetaald,

vraagt hij dezen: "Hare Majesteit zeide, dat de Geuzen goed van wapenen

en ammunitie moesten voorzien worden. Kan uw schip zooveel bergen?"

"Voor een veldtocht?--Neen!"

"Dan," zegt Burleigh, "geef ik u hier een order van mijn hand, Sir Guy

Chester. Neem vier schepen, laad ze met kruit, wapenen en ammunitie,

waarvoor ik u een koninklijke aanwijzing zal geven op het arsenaal van

de Koningin te Sandwich, Harwich of elk ander, waar gij u maar zult

vervoegen. Wij zonden deze mannen uit, niet slechts voor een gevecht,

maar voor een langdurigen en hardnekkigen oorlog met Alva, want nu

geldt het zijn hoofd of dat der van gebrek omkomende Watergeuzen. Hier

is eveneens een volmacht, waardoor ge u de schepen kunt verschaffen,

die gij noodig hebt voor uw doel. Maar dit alles blijft natuurlijk

geheel tusschen ons. Engeland leeft in vrede met Spanje. En nu,

God zij met u."

En zoo krijgt Guy, krachtens zijn volmacht, in de haven van Sandwich

vier groote karveelen tot zijn beschikking en laadt ze met al de

wapenen en ammunitie, die hij kan machtig worden, kruit in overvloed

voor menigen strijd en menig beleg, en daarna zeilt hij den volgenden

morgen met die vaartuigen naar Duins en blijft heen en weer kruisen

tusschen de Goodwin Sands en de kust van Frankrijk. Hier moeten

de Geuzen, als zij uit Dover komen, hem wel in het oog krijgen, en

het duurt dan ook niet lang, of zijn schepen worden gevisiteerd en

prijsverklaard door dit tot wanhoop gedreven volkje.

"Elizabeth van Engeland wilde u geen proviand geven, maar hier zijn

wapenen en ammunitie, waarmede gij ze bij Alva kunt gaan halen,"

lacht Chester, als Treslong's schip de _Dover Lass_ langszij komt.

En de Geuzen begrijpen hem zoo goed, dat zij de vier schepen geheel

leeg plunderen en de _Dover Lass_ zelve nauwelijks genoeg kruit laten

om zich te verdedigen, waardoor Guy zich genoodzaakt ziet, naar Dover

terug te keeren om voor zichzelven ammunitie te halen.

Als dit de Koningin ter oore komt, roept zij woedend haar raadsman,

Lord Burleigh, toe: "Wel vervloekt, wat een onbeschaamdheid! Gij hebt

mijn koninkrijk geruïneerd. Gij hebt uit mijn arsenaal te Sandwich

zooveel ammunitie geroofd, als voldoende was om het geheele Engelsche

koninkrijk te verdedigen. Gij zijt een lage verrader!"

"Met uw verlof, Majesteit," merkt Cecil op, "gij hebt mij bevolen,

de Geuzen behoorlijk te wapenen. Dat heb ik gedaan. Hoe meer kruit

en kogels ik hun geef, des te harder zal uw vriend Alva het te

verantwoorden hebben."

"Nu, het zal u vergeven zijn," antwoordt Hare Majesteit, "indien gij

die arme, hongerige officieren van de Geuzen, Treslong en Van der Mark,

tenminste goed van spijs en drank hebt voorzien."

"Ook daarin heb ik aan Uwer Majesteits orders voldaan," antwoordt

Burleigh. "Ik heb ze onthaald op de lekkerste schotels en den fijnsten

wijn. Ik zie hen nog eten. Er is zeker na de dagen van den reus

Glutton [2] nooit door iemand zulk een woesten aanval op spijs en

drank gedaan. Uwe Majesteit zal daarover kunnen oordeelen, als zij

de rekening ontvangt, die ik reeds bij de thesaurie heb ingeleverd."

"De rekening ingeleverd bij de thesaurie!" krijscht Elizabeth. "Uit

mijn oogen, ellendige dief! Burleigh, gij besteelt mij; gij besteelt uw

vorstin, lage, inhalige schurk,--en de rekeningen van mijn naaisters

en modistes zijn nog niet betaald! Bij God! ik zal u het hoofd voor

de voeten laten leggen, als de Geuzen niet triumfeeren over Alva!"

Dit zeggende, stapt de Koningin de kamer uit, in de hoogste mate

ontstemd en verbolgen.

Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572 · 第 35 / 73 题