Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief
niet aan zijn vriend en mentor te toonen.
"Bij Saint Denis!" roept Oliver uit, het briefje inziende, "ik geloof,
dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste,
en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft
verteld." En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij:
"Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als
gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw
welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn
even talrijk als windmolens."
"En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen,
om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?" zegt Guy stoutmoedig,
het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.
"Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden," glimlacht de
schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: "Maar laat ik u
een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede,
hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint
dan alles ter wereld."
"Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?"
"Neen, duizendmaal neen!"
"Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?"
"Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens
trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn."
"Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?"
"Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij
heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen
zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat
Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker
der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!--een diamanten
halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit
haar omgeving van een aanbidder; want als zij 'neen' zegt, heeft
ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft
zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat
Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten,
edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is,
dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den
Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal
zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat
hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar
misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva's barmhartigheid. Als
gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u
niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt
voor des tijgers welp!"
"Waarom noemt gij haar zoo?" roept Guy toornig uit.
"Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe," antwoordt de schilder
weemoedig. "Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij
geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te
brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven."
"Ah! zij heeft _hier_ voor u geposeerd?"
"Ja, in het bijzijn van haar duena."
"Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar
verschaffen."
"Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet,
dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou
begaan, ook al aanbidt zij u--iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn."
"Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik
wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij
zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,"
zegt Guy vol vertrouwen. "Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als
ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,"
en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de
hand van den schilder.
"Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een
kus?" lacht Oliver; en als een gloeiende blos Guy's gelaat overdekt,
mompelt hij: "Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer
van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking
met den Engelschen." Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij:
"Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De
duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel
om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken,
gelukkig jongmensch--of beter, ongelukkig jongmensch--is een samenkomst
ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen."
"Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?" roept Guy uit.
"Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien,
die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar
duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva
afzonderlijk spreken."
"Maar de duena--de fatale duena?" bromt Guy.
"De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende
kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten
te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de
gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen
zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere
bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,"--hier
wordt de schilder rood van verontwaardiging,--"tusschen den man,
die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en 'de Zes
Drinkebroers van Brussel'. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren
van de herbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van
den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht,
den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man,
wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor
altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier
jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk
omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede
tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden
dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, 'de Val
der Engelen'; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden
zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het
nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,"
en Oliver zucht.
"Dat is dus afgesproken," roept Guy uit, het verontwaardigd relaas
van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan
herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. "Nu wij met onze zaken
klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille
terug is met zijn proviand,--misschien wel een weinig duivenpastei,
hè?" en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want
door Antony's berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge
man in een vroolijke stemming gebracht.
De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op
Guy's lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij
op den schilder heeft. Bij het woord "duivenpastei" wordt Oliver
doodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: "Wat
weet gij van duivenpastei?"
"Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie,
het zoontje van Touraine, den barbier."
"Wat zei hij van duivenpastei?" vraagt de schilder, wiens vreemde
wijze van doen Guy's aandacht trekt. "Spreek op, spoedig--ons leven
kan er van afhangen!"
"Alleen dit," zegt de Engelschman, "dat hij zooveel duivenpastei van
u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij
nog,--ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,--dat hij
misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een
man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen."
"Een man--zooveel duiven weggenomen--van hier!" stamelt Antony. Daarna
roept hij plotseling uit: "Dat verklaart mij waarom er geen brieven
van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,--geen duiven, die ze
brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn
God! Ik moet het weten."
Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn
weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen
met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: "Ik kan niets
krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel
geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil
geven."
"Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb," zegt
Oliver nadenkend. Dan schijnt hij plotseling een idee te krijgen,
want hij roept uit: "Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem
boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem
maken," met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.
"Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,"
antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.
"Ik moet hem ondervragen," mompelt de schilder. "Als dit waar is,
dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen."
Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op
de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen,
uitroepend: "Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver's
duivenpastei!"
"Ja zeker, duivenpastei!" roept de schilder, "duivenpastei! Maar wat
is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?"
"Neen!"
"Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok,
maar in de til--vliegende om de til?" De stem van den schilder klinkt
heesch--zijn oogen schieten vuur.
"O ja, verscheidene, de twee laatste dagen," antwoordt de jongen. En
als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept
hij angstig uit: "Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u,
monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op
mijn woord van eerlijken jongen!"
"Neen, hij heeft ze niet weggenomen," roept nu de kleine Marvédie;
"een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee."
"Wanneer?"
"Gisteren."
"Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?"
"O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn
schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor
hem te halen om ze in te stoppen."
"Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine
Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" brengt Antony met moeite uit,
zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van
een doode.
"Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de
schelvisch op de markt."
"Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine
Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" en de schilder grijnst
afschuwelijk.
"Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait,
als gij duivenpastei voor mij maakt," zegt de kleine jongen.
"En waar was uw broer?" De stem van den schilder klinkt dof.
"O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,"
zegt Achille. "Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest,
heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel
verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand
heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen."
"Het is goed," zucht Antony, "hier is een gulden. Ja, haal daarvoor
duiven!" Hij lacht droevig. "Wij willen toch duivenpastei hebben."
De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit
als krijt en hij stamelt: "Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand
heeft mijn geheim ontdekt."
"Welk geheim?" fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.
"Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van
Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het
welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift,
zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van
tijd--Ik ben een verloren man, ja, nog erger--ik ben een gemartelde! O
mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!" en
de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en
blauwe lippen.
"Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft," zegt
de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar
voor Oliver gelijkstaat met gevaar voor hemzelf.
"Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van
geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder
de schrijvers van den Hertog. Ik--ik was den geheelen morgen
reeds niet op mijn gemak. Toen ik--ik hier aankwam, dacht ik de
duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik--de
reden. Zes! Zes brieven--waarvan elk op zichzelf voldoende is om
mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!" kreunt de schilder,
zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.
"Zes! Zes duiven!" herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: "Kent gij
een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef,
en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?"
"Mijn God!" roept de schilder uit, "zeker! Hij, dien gij daar
beschrijft, is Vasco de Guerra--mijn vijand! Hij--heeft--heeft de
brieven!--Wat bracht u op die gedachte?"
"Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond 'de Zes Drinkebroers
van Brussel', die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag
met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven,
die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van
een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende
zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn
kameraden een groot feest te geven."
En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht
zag en hoorde bij het drinkgelag van "de Zes Drinkebroers van Brussel"
in _Het Geschilderde Huis_.
"Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim
bezit,--hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken,
want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk,
die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger
is weggejaagd,--bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den
soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen
en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun
officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt
weggejaagd? Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand
van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier,
Wiarda Schwartz, omgekocht."
"Ah, zoo!" merkt Guy op. "Daarom behandelde zij mij zoo beleefd,
toen ik naar u vroeg."
"Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen,
wij moeten handelen--en dat wel spoedig," antwoordt de schilder, die
zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. "Vasco
vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds
eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij
zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan
vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich."
"In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen," zegt
Guy. "Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in
ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien
meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje
met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den
stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen
haan naar kraaien."
"Neen," zegt de schilder, "dat zou ons in verdenking brengen. Misschien
kan ik iets beters verzinnen," en hij spant zijn vindingrijk brein in,
zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit:
"Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van
'de Zes Drinkebroers van Brussel' onder de tafel drinken, bewusteloos,
levenloos. In de verwarring kunnen wij den benevelden Vasco naar een
andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem
de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen."
"Maar als Vasco eens wint?"
"Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan
eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen."
"Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet
doet," zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij:
"Misschien kan ik u helpen, ik heb hier...." hij haalt uit zijn
wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat
beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop
zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.
"Wat is het? Vergift?" vraagt de schilder. "Het vergift van de
Borgia's?"
"Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den
manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens
een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie
maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den
dood. Het vergift is zeer vluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik
draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen
en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn
lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als
het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de
tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn
beker hem voor altijd doen inslapen."
"Dus als Frans Floris niet slaagt,--het vergift van de Antillen,"
prevelt de schilder. "Het geldt zijn leven of het onze." Na een
oogenblik nadenken vervolgt hij: "Neen, ik moet Vasco de Guerra,
mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd
gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug,
zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een
ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood,
zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion
meer in Alva's nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf
ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend."
"Dat is flink gesproken," antwoordt Guy kortaf. "Doe een weinig van
dit in den wijn van den Spaanschen spion."
Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand,
doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: "Maar, bij alle
heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker
te doen, en niet in de bekers van de anderen?"