"Bravo!" roept de Vlaming uit, "bravo! Maar eerst moet zij u ook
liefhebben."
"O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft," roept Chester uit,
den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht
voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse
gloed van de fakkel van Hymen.
"Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte,
dat ik ook zoo was," zucht de schilder en vervolgt dan, zich
vermannend: "Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met
hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot
tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen
bankier in Londen."
"O, wij zullen wel goed op hem passen," zegt Guy op dreigenden
toon. "Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om
onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord
van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten."
"Waarom vertrekt gij niet terstond?"
"Omdat," antwoordt de Engelschman, "gij mij de overzetting van
die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd
gemoeid zijn."
"Volstrekt niet."
"Waarom niet?"
"Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u
eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in
Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen
mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin
Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan
de Nederlanden besparen." Dit zeggende, gaat de schilder zitten en
schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.
Daarna vervolgt hij: "Berg dat goed weg bij de brieven," en geeft den
sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: "Mij dunkt,
dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op
uw hoofd."
"Ik ga niet vóór van avond," antwoordt Chester, bijna gemelijk. "Het
tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip--het zal mij dus niet
veel ophouden. Buitendien--" hier valt zijn oog op het spottend gezicht
van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: "Maar, voor den
drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten,
zonder haar nog eens gezien te hebben?" Hij wuift met de hand de
goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon,
hem niet alleen met hemelsche, doch ook--zoo denkt tenminste deze
vermetele jonge man--met aardsche liefde aanziet.
"Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te
vragen?" spot de schilder.
"Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb," merkt
Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te
laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven,
en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.
"En gij hebt hem nog niet geopend?" vraagt Oliver, den brief van alle
kanten bekijkend.
"Zeker niet; hij is verzegeld."
"Maar, mijn jongen," herneemt de schilder, "gij zet te veel op het
spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de
dame staat, eer gij haar weer ontmoet." En hij doet Guy schrikken,
als hij er bijvoegt:
"Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog
in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet."
"Een medeminnaar?" stamelt Guy.
"Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo
gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou
bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van
gravin Hermoine de Alva--generaals en edellieden." Daarna vervolgt
hij op bevelenden toon: "Gij moet dezen brief openen. Het spel,
dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is
waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend
op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen."
Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kan beletten, heeft Oliver
vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven
gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij
hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.
"Gij moet hem lezen," zegt hij. "Uw leven zoudt gij kunnen inboeten
door u te laten leiden door een overdreven eergevoel. _Lees hem_! Den
een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va
te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst. _Lees
hem_, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u."
"Waarom niet?" vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om
het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.
"Omdat," zegt de schilder plechtig, "wij een spel spelen, waarbij ons
beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet
hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb,
als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen,
val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland
verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen
geeft. Lees!"
Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen
door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de
oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd,
als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het
schoonste vrouwelijke handschrift:
"Lieve papa!
"Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero's
voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te
nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk
tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te
worden; doe het ter wille van uw liefhebbende