"Zoo!" bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld,
want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren
getrotseerd, en hij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt
hij eenigszins angstig: "Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?"
"Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut
en onder-secretaris van den Onderkoning."
"Ja!" roept het kereltje uit, "ik ben er zoo blij om; als monsieur
Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van
duivenpastei--gij ook?"
"Nu, of ik!" lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder
spoedig terug wordt verwacht.
"Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn
portie van de duivenpastei," snapt het kind voort; "maar misschien
krijgen wij er in het geheel geen--een man heeft vandaag zooveel
duiven weggehaald."
"Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn
kleine baas," lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje
geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: "Zijt gij
zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?"
"Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn
beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het
is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder--tenminste,
hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon
Achille als leerling--mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo
verzot is op duivenpastei," babbelt de Franschman, die blijkbaar van
zijn angst voor den vloed is bevrijd en wiens hart Guy heeft gestolen
door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: "Heb ik u niet
reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden
geleden ook reeds bezocht."
"Ja," antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te
voorkomen: "Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?"
"Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman
van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont."
"O, de Place de Meir, dank u, senor," antwoordt Guy, en den
toortsjongen terugroepend, zegt hij: "Bodé Volckers!"
"Dat is twee stuivers meer," zegt de knaap; iemand, denkt hij, die
een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven.
"Vier, als gij er mij spoedig brengt."
"_Vier_? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn," roept het kind
in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem,
weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé
Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen
naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in
groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman,
handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van
dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde--tenzij
zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot
financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie
van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie.
Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft
bereikt.
Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim
binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er
met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte
echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de
kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door
de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit,
en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en
satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden
gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn.
"Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken," zegt Guy tot
een hem voorbij spoedenden bediende.
"Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?" herhaalt de knaap
ten hoogste verbaasd; "nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?"
"Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!" roept Chester
ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden,
burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen.
"Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat," antwoordt de
leerling. "Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het
vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot
pakhuis op de Engelsche kade."
Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den
hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt,
in gesprek met een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is
van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te
wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad,
daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit
te roepen: "Die arme menschen!" en: "Goede hemel!"
Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht
zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: "Zou ik
ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers
kunnen spreken?"
"Ik weet het niet," is het antwoord. "Als mijnheer maar binnen wil
gaan, dan zal ik het vragen."
Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar
een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen
aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid,
hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek,
bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt,
ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en
sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje
en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op
de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door
een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een
gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis.
"Wiarda Schwartz!" roept het meisje, in haar handen
klappend. "Wiarda!" Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: "Ik ben
dadelijk terug," en de trap vlug oploopend, komt zij een oogenblik
later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig
kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar
meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts
haar doen kennen als een behaagziek ding.
In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester:
"Ik ben kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk. Kan ik vrouw Bodé
Volckers een oogenblik spreken?"
"Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat," antwoordt het dametje
vrijpostig. "Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood."
"Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar
weduwnaar," herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: "Kan ik dan
de meesteres van het huis spreken?"
"O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers," zegt het meisje,
en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: "Freule Wilhelmina Bodé
Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld."
Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin
van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den
oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de
kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een
glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft,
om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: "Misschien kunt
gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver,
de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?"
Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda
Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid:
"Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van
hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder
den adel!"
Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet
hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met
haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed,
spottend op den grond stampt.
"Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te
slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan," overlegt de Engelschman bij
zichzelven. "God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen."
Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de
buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy's bezoek aan de familie Bodé
Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen
naar de herberg _Het Geschilderde Huis_, die beroemd is om haar wijn
en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij
is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd,
en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert,
daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels.
In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel,
versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende
lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers
hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en een half dozijn
reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid
van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten.
Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig
buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met
zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad
het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid. _De Roode Leeuw_
mag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het
regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staat
_Het Geschilderde Huis_ in Antwerpen verreweg het gunstigst bekend.
"Welkom in _Het Geschilderde Huis_!" roept de spraakzame herbergier
uit. "Welkom, senor--kolonel!"
"Neen, kapitein," zegt Guy.
"Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel
of militair."
"Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben."
"Onmogelijk!"
"Onmogelijk?!"
"Ja; alles is bezet."
"Gij moet mij toch een hokje geven."
"Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven
den stal. Mijn huis is geheel vol--gij hebt het nieuws toch zeker
gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen
onzen beroemden artist Frans Floris, en 'de Zes Drinkebroers van
Brussel'. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te
zien. Er is zelfs een deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt
er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien
wil hij mij de eer bewijzen--misschien is hij van plan te komen, om
het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in
Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten
Rijnwijn moeten aansteken."
"Twintig vaten voor zes drinkebroers?" lacht Chester.
"Wel neen--maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal
ook dronken zijn!"
"Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was," zegt Guy, die vreest,
dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer,
dat tot hem komt uit het binnenvertrek.
"St!" fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. "Stoor
hen niet. Het zijn," en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen
open, "het zijn 'de Zes Drinkebroers van Brussel', die hun avondeten
gebruiken!"
"Het schijnt, dat 'de Zes Drinkebroers van Brussel'," zegt Guy, op
wien die klinkende titel geen indruk maakt, "zich weinig sparen voor
morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang."
"Ja, dat is juist het mooie van de zaak," zegt de waard, zich in
de handen wrijvend. "Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd;
niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben
ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben
een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt
van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de
opperste van de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd
twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den
grootsten kunstenaar van onzen tijd--den Raphael van deze lage landen,
onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor
vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van
Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan,
eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?"
"Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn," zegt
Guy. "Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier--laat mij daarvan dus
liever een kan nemen," gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn
nationaal brouwsel getrouw blijvend.
"Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout
uit Londen."
"Juist, dát is het ware!" roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard
vergetend. "Breng mij Engelsche mout!" En dan, zijn onvoorzichtigheid
bemerkend, voegt hij er aan toe: "Ik heb den geheelen dag reeds
Rijnwijn gedronken."
Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd,
figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid
en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer,
de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt,
bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En
naast die aankondiging hangt Alva's edelmoedig aanbod van drie duizend
Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman.
Weldra brengt men hem het verlangde, en hij neemt plaats aan een
tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig
begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de
merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien.
Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek.
Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een
vaandrig van De Billy's Walen, die door de anderen den eenoogige wordt
genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg's nederlaag,
en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals
men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en
aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve
in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van
hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk,
beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de
laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi
Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen,
uit de hoofdstad.
Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier
niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,--want
hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,--naar hun
gesprekken.
"Par Dios!" zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,--een groote man
met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele
grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn
groote losbandigheid,--"ik verneem, dat onze tegenstander Floris een
caricatuur van ons heeft geteekend."
"Diablo! Is het beleedigend?" roept Tomasito, de eenoogige, een kleine
Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid
op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal.
"Neen," zegt Mendez lachend, "hij heeft ons alleen maar _onder de
tafel_ geschilderd."
"Sapristi!" grijnst de Italiaan Pisa. "Hij mag ons voor mijn part
onder de tafel _schilderen_, maar hij kan ons toch niet onder de tafel
_drinken_!" Daarna roept hij: "Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren
Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel
over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent." Dit gaat vergezeld
van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen:
"Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!"
Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit:
"Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei," en trekt zijn mes
terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn
vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. "Gij hebt ons maar
zes duiven gegeven, kapitein Vasco."
"Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!" antwoordt De Guerra.
"Gij zoudt duiven geschoten hebben?" spot De Rijk.
"Zeker!--vandaag--hier!"
"Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet,
die wij tegen den schilder verwed hebben!" sart De la Noel.
"Toch heb ik ze geschoten," antwoordt Vasco, terwijl er een vreemde
uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, "en ik doodde niet
_alleen_ de zes duiven, maar ik zal ook--een ander dooden. Wij zullen
een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!" Hij
grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien.
"Zijn _hoofd_?" roept er een.
"De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van
den Engelschman?" schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende,
wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen.
"Bah!" lacht Vasco. "Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag,
om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten
afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik
mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een
feestgelag, dat ons niets kost."
Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een
gerinkinkel van bekers en kannen. "De Zes Drinkebroers van Brussel"
houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier
Jacques Touraine.
Doch nu wordt Guy's aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast
hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt:
"Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft
er de laatste drie dagen in geslapen."
Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein
vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het
verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen
te sluiten.
Een oogenblik later is hij feitelijk alleen--de eenige van zijn buren
in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit,
en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een
veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst
acht--het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet;
maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint;
vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met
de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust,
maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij
kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva,
terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren
van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt,
waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd
van den "Eerste der Engelschen".