Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift,
komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan
een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende
snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform,
met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman
zegt op levendigen toon: "Ik ben de officier, die is aangewezen, om
u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan
u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon's busschutters."
"En ik," antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande,
zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, "en ik neem wederkeerig
de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero's
musketiers."
"Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg," merkt de vaandrig
op, als zij samen het huis verlaten. "Gij zijt zeker naar Antwerpen
gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is een onmogelijk
doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant
is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben
geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden,"
voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.
"Diablo! Gij zijt een vechtersbaas," meesmuilt Guy.
"'t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers
waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen," antwoordt
de vaandrig. "Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult
herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te
danken aan Alva's veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor
zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het," zegt
het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan,
op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.
Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk
zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen
buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der
Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en
glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op
zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden.
"Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het
is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de
laatste van zijn armen!" vervolgt de jongensachtige krijgsman, een
oneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis
van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij
geheimzinnig: "Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat
doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?"
Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend
bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade
der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop
een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf,
en elke toren bewaakt door een wolf--het wapen van Alva; daaronder
de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit
land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van
het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het
licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden
vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur.
De militaire voorschriften eischen, dat Guy's geleider rapport doet
aan den officier van den dag.
Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht
door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn
rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug,
kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten
aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat,
hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt,
want het luidt aldus:
_UITGELOOFD!_
_Drie duizend Carolus-guldens._
Nademaal zekere Engelschman, genaamd Guy Stanhope Chester, en nog
beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als de _Eerste der
Engelschen_, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres,
koningin Elizabeth van Engeland, op den 21sten Maart van het jaar
1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoen
_Santa Cruz_ en sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van
deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden
en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire
overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene,
die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope
Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij
verklaren. Op last van
ALVA, _Onderkoning._
JUAN DE VARGAS,
_President van den Raad van Beroerten_.
Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking
hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het
aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de
eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een
gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn
persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden
onjuist is.
"Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!" zegt de
jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij:
"Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den 'Eerste der Engelschen'
te lezen," en onder het heengaan vervolgt hij levendig: "Drie duizend
Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon
ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een
festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd
van den zeeroover!"
Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming,
want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat
gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat
de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid,
want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen,
en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in
de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het
beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en
de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog
onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken
luiden voortdurend.
"Hier moet ik u verlaten," zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug
zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. "In welke
herberg wilt gij uw intrek nemen? In _De Roode Leeuw_? Die heeft,
dunkt mij, den besten wijn."
"Neen," antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht;
"ik ga naar _Het Geschilderde Huis_. Het is daar rustiger."
"Zoo?" lacht de jonge man. "Dus gij weet niet, wat daar morgen zal
gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar
komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij
hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der
Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van 'de Zes
Drinkebroers van Brussel', om ze allen op één avond onder de tafel
te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker,
dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken;
ik hoop u daar te ontmoeten!"
"Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!" zegt Chester,
die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort
van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op
zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,--want de twee
hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede
kameraden geworden: "Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars
over naar de Bagijnenstraat," en hij keert met een vriendelijken
groet naar de Citadel terug.
Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen,
om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft
gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan
terug. "Neen--om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft
meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn--mijn beminde--" hij
herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest--"zou
te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diende de dame te kennen, die ik
naar Antwerpen heb gebracht."
Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen
en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van
de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog
altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij:
"Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het,"
en hij versnelt zijn pas.
Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van
de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt
eenige malen in zijn handen en roept: "Heidaar, jongen! Hier met de
toorts. Licht mij voor!" wat weldra een dreumes van een straatjongen
tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt.
"Waarheen, Uwe Edelheid?" vraagt de jongen, want Guy's manieren en
uiterlijk zijn die van een man van geboorte.
"Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine."
"O! De wondheeler en barbier," antwoordt de jongen. "Ik ken zijn
uithangbord."
Zij loopen nu--de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die
vlug voortstapt--de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm
lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij
de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de
kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren
geluid doet hooren. Vervolgens duiken zij weg in den doolhof van nauwe
straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt,
om het noordelijk einde van de stad te bereiken.
Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze
nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd
met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken
dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen
wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier.
Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen
en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche
manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een
klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig:
"Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!"
"Drommels!" antwoordt een van de anderen, "de duivel zelf zou den vloed
dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed
van 1300 is nog vijftig voet beneden ons." Hij lacht verachtelijk en
spot: "Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!"
De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en
vraagt hem: "Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?"