AANTEEKENINGEN

[1] Eene nieuwere geschiedenis van de verovering der eilanden en

van de Spaansche wetgeving vindt men in het werk van Buzeta, deel I,

pag. 57-98.

[2] Ik bezocht eenige Cochin-Chinesche gevangenen in de fortificatie:

zij waren te Turon gevangen genomen en een hunner was een mandarijn,

die daar eenige magt had uitgeoefend,--namelijk de kommandant der

plaats was geweest. Zij schreven de Chinesche karakters, doch konden

de landtaal niet verstaan.

[3] Onder mijne vroegere lettervruchten behoort eene verhandeling

waarin ik geheel wederlegde het vreemde verhaal van de vernieling van

de manuscripten, die den kardinaal Ximenes tot bewerking van zijnen

bijbel in verschillende talen hadden gestrekt.

[4] Eene vrouw en zes kinderen.

[5] Allen kinderen.

[6] Het verhaal, dat de Spaansche schrijvers van het nemen van Manilla

door de Britten geven en dat hier uit Buzeta's werk wordt overgenomen,

kan als op de waarheid gegrond worden beschouwd:

"In 1762 was de voorspoed van de stad Manilla buitengewoon

toegenomen. Hare handelsbetrekkingen strekten zich uit tot de

Molukken, Borneo, verschillende gedeelten van Indië, Mallaka, Siam,

Cochin-China, China, Japan, in één woord tot alle plaatsen tusschen

de landengte van Suez en de straat van Behring gelegen. Op het einde

van voornoemd jaar werd de stad echter door eene ramp getroffen,

die haar jaren achteruitzette. De Engelschen, die toen in oorlog met

de Spanjaarden waren, vertoonden zich met eene aanzienlijke magt. De

zeer doorluchtige aartsbisschop Don Manuel Rojo, die toen tijdelijk

het bewind voerde, had niets van eenige oorlogsverklaring vernomen en

zich niet tot de verdediging voorbereid. Eerst bij de aankomst van de

vijandelijke vloot werd deze tijding bekend. Het garnizoen bestond uit

het regiment del rey, dat een aantal van 2,000 man moest bedragen, doch

door detachementen, desertie en zieken tot 500 was gereduceerd. Men

had niet meer dan 80 artilleristen, allen Indianen, die bijna niet

met het kanon wisten om te gaan. Bij dezen stand van zaken verscheen

de Engelsche vloot plotseling den 22 September 1762. Zij bestond uit

13 schepen en 6,830 man uitmuntende troepen. Daar men hoegenaamd niets

van de zaak af wist, meende men dat de vloot een van Chinesche sampans

was. Er werden eenige maatregelen tot verdediging in het werk gesteld

en een officier afgezonden, om den kommandant der vloot te vragen

onder welke vlag hij voer en wat het doel van zijn onverwacht bezoek

was. De afgezant keerde den volgenden dag terug, vergezeld van twee

Engelsche officieren, die verklaarden dat het doel der expeditie was de

eilanden te veroveren. Men antwoordde hen dat de eilanden zich zouden

verdedigen. In den nacht van den 23 op den 24 ontscheepte de vijand

zich aan de redoute van St. Anthony Abbot. Men deed eene poging hen te

verjagen, die echter mislukte. In den morgen van den 24sten schoot men

op hen, doch met weinig succes, daar zij in verschillende gebouwen

waren verschanst en daardoor beschermd. Ten einde hun voortgang

te stuiten, werd besloten tot een krachtigen uitval, waarover het

bevel werd opgedragen aan den heer Fallu, een Fransch officier in

Spaansche dienst; doch deze dappere krijgsman zag weldra in, dat de

vreemde troepen te talrijk waren om zich met hen te meten. Hij streed

gedurende den geheelen nacht en keerde eerst ongeveer ten 9 ure in den

volgenden morgen naar de citadel terug. De vijandelijkheden werden

gestaakt en de aanvallers zonden een parlementair naar de stad. Den

25sten werd het bombardement voortgezet en ons kanon deed den vijand

veel afbreuk. In den morgen van den 28sten liet de Engelsche generaal

het hoofd opeischen van den officier, die twee dagen vroeger als

parlementair gezonden en door de Indianen onthoofd was. Hij vorderde

ook de uitlevering van de personen, welke die misdaad hadden begaan,

en dreigde bij weigering met schrikbare represailles. Aan dezen eisch

werd voldaan en de aartsbisschop, die de teugels van het bewind in

handen had en de verdediging der stad bestuurde, begaf zich zelf te

paard naar het vijandelijke kamp, doch zonder resultaat. Den 29sten

verkreeg het Engelsche eskader eene versterking van drie schepen, die

350 Franschen uit Pondicherry aanbragten, welke de gelegenheid zochten

de Engelschen te verschalken en twee hunner vertrouwden benoemden om

hunne desertie te bewerkstelligen en hun plan door te drijven; doch de

twee afgezanten werden door de Indianen als Engelschen beschouwd en,

in plaats van welkom geheeten, verslagen. De Engelschen, die met het

gebeurde bekend werden, verzekerden zich tegen verder verraad van

de zijde der Franschen. Den 3den October kwam eene sterke legermagt

Indianen uit Pampangan aan en er werd tot een gevecht besloten;

de strijd was bloedig, doch leverde geenerlei succes op voor de

verdediging. Den volgenden dag schoten de belegeraars een bres in

de bolwerken der Fundicion. Er werd een krijgsraad gehouden en de

militairen oordeelden dat eene capitulatie onvermijdelijk was; de

burgers echter wilden de verdediging volhouden.

"Ongelukkig liet de Aartsbisschop zich van die meening afbrengen,

waarvan zoovele rampen in Manilla het gevolg waren. Den 4den was

men algemeen overtuigd dat die stad weldra genoodzaakt zou zijn zich

over te geven en nu werd de titel van Luitenant-Generaal opgedragen

aan den regter (Oidor) Simon de Anda y Salazar; ten einde den zetel

van het Spaansche gezag naar eenig ander gedeelte van het eiland

over te brengen en voor zijne verdediging te zorgen, vertrok hij

denzelfden avond ongeveer ten 10 ure in eene boot met eenige roeijers,

een' Tagaleschen bediende, 500 dollars in zilver en veertig bladen

gezegeld rijkspapier. Dit waren zijne hulpmiddelen tegen een vijand,

die 16 vaartuigen in de baai had liggen en op het punt stond de

stad binnen te rukken. Op die wijze, zonder legermagt of vloot,

bereikte een meer dan zestigjarig man Bulacan, vast besloten tot een'

volhardenden wederstand tegen de veroveraars, die weldra de hoofdstad

zouden inrukken. Den volgenden dag geschiedde dit werkelijk; de vijand

verliet zijne verschansingen en naderde in drie kolonnes de bres,

die bijna ontoegankelijk was. Veertig Franschen van Pondicherry gingen

voor en vonden geenerlei tegenstand. De vesting was genoodzaakt zich

over te geven. In veertig uren tijds was de stad verwoest en daarbij

de kerken evenmin als de paleizen van den aartsbisschop of Gouverneur

gespaard. De Spanjaarden hadden gedurende het beleg drie officieren,

2 sergeanten, 50 soldaten en 30 burgers der militie verloren, behalve

de gewonden; het verlies van de Indianen bedroeg 300 dooden en 400

gekwetsten. De belegeraars verloren ongeveer 1,000 man, waaronder 16

officieren. De vloot had de stad met meer dan 5,000 bommen en 20,000

kogels beschoten. Men voedde de hoop dat eene verwoesting gedurende 40

uren en de overgave van het garnizoen den vijand zouden bevredigen,

maar hierin bedroog men zich. Terwijl de plundering plaats greep

berigtte de kommandant den Aartsbisschop dat al de inwoners vermoord

zouden worden, zoo niet onmiddellijk 2 millioen dollars in specie

toegestaan en voor 2 millioen aan biljetten op de Spaansche schatkist

uitgegeven zouden worden. Men was wel genoodzaakt hierin toe te geven;

men offerde de liefdadige fondsen en de sieraden der kerken op,

om aan dezen eisch te voldoen.

"Terwijl de gebeurtenissen te Manilla zulk een tragisch einde hadden,

verzamelde Anda te Bulacan den Alcalde, de geestelijken en andere

Spanjaarden en toonde hun zijn gezag aan, dat met geestdrift werd

erkend. Op den avond van denzelfden dag werd de tijding van den val

van Manilla bekend en nu publiceerde Anda eene proclamatie, waarbij

hij zich tot Gouverneur-Generaal over de Philippijnen verklaarde,

terwijl hij den zetel van het Gouvernement te Bacalor in Pampanga

koos. Vijftien maanden lang liet hij den oorlog voortduren,

niettegenstaande de hevige aanvallen door de Engelschen, vooral

onder de Chinezen en in weêrwil der algemeene desorganisatie der

provinciën. Hij hield dan ook de Engelschen te Manilla ingesloten;

zij durfden zich naauwelijks buiten de muren te vertoonen. Te Malenta,

een eigendom van de Augustijner monniken, werd een Fransch sergeant

Bretagne genaamd, die van de Engelschen was gedeserteerd en eenige

zijner landslieden uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen, tot kapitein

benoemd en vijandelijkheden tegen de invallers, die hij veel schrik

moet aangejaagd hebben door het onderscheppen van levensmiddelen en

het aanvallen van achterblijvers uit de stad. De Engelschen loofden

5,000 dollars uit aan dengene, die Anda levend in hunne handen zoude

overleveren. Den 3den Julij 1763 kwam echter een Britsch fregat, dat

eene wapenschorsing tusschen de oorlogvoerende partijen aankondigde en

het ophouden der vijandelijkheden bewerkstelligde. In Maart 1764 kwam

de tijding van het sluiten van den vrede; de Engelschen ontruimden

Manilla, waar het Spaansche gezag hersteld werd. De schade door de

Engelschen te weeg gebragt, werd door Gouverneur Basco hersteld."

[7] Manuscript van het beleg van Manilla, door pater Juan de Santa

Maria.

[8] Diccionario geográfico, estadístico, histórico de las Islas

Filipinas. 2 vols. Madrid, 1850.

[9] Hiervan bestaat eene Engelsche vertaling: "Twintig jaren in de

Philippijnen," Vizetelly 1853.

[10] Ik vernam van den Gouverneur-Generaal dat de heeren de la

Gironière en Montblanc thans onder bescherming van het Fransche

Gouvernement met "eene wetenschappelijke zending naar de Philippijnen"

belast zijn.

[11] De Chinezen schijnen overal dezelfde eigenaardigheden te

behouden. De Britsche Consul-Generaal van Borneo schrijft mij:

"Chinesche kolonisten kunnen onder Maleische wetten geen voorspoed

genieten. Wij hebben eenige weinige honderden, doch het land zou

honderd duizenden kunnen verzwelgen. In het binnenland vond ik onder

de inboorlingen eene levendige herinnering aan de vroegere Chinesche

peperplanters; zij zijn allen uitgeroeid of verdreven ten gevolge

van burgerlijke twisten. Eenige weinige hunner afstammelingen zijn

nog overgebleven, die de taal hunner vaders spreken, doch niet van de

inlanders te onderscheiden zijn. Een Chinesche koopman sprak op een

verachtenden toon van een der hoofden, die rondreisde, en sprak hem,

tot niet geringe verbazing van den Chinees, in tamelijk goed Fokien

aan. De geringe nog overige peperbouw wordt deels door de gemengde

rassen aangekweekt. De opbrengst neemt langzaam toe; eenige weinige

Chinezen met hunne inlandsche vrouwen hebben op nieuw beproefd zich

er mede bezig te houden."

[12] Gael en sapaha zijn termen, waarschijnlijk door handelaars met

China ingevoerd. Taïl en sapeque zijn de namen die de Europeanen aan

den liang en tsin van de Chinezen, het zilveren ons en het duizendste

gedeelte daarvan, hebben gegeven.

[13] Het is welligt niet onaardig de volgende bijzonderheden mede te

deelen als een model van zulk eene processie, die echter lang niet

eene van de grootste is.

Programma van de processie der Heilige Begrafenis, uit de kerk van

San Domingo gaande en daarheen langs de hoofdstraten van Manilla

terugkeerende:

Burgerwachten te paard.

Dragers van brandende waskaarsen langs de processie.

Militairen, onder hunne resp. hoofden en kleuren.

Carabiniers van de Hacienda, met 8 kaarsen.

Compagnie ingenieurs met 8 kaarsen.

Carabiniers voor de openbare veiligheid met 8 kaarsen.

Cavalerie (lanciers) met 32 kaarsen.

Infanterie (Bourbon) met 32 kaarsen.

Idem (Princesa) met 32 kaarsen.

Idem (Infante) met 32 kaarsen.

Idem (Fernando VII) met 32 kaarsen.

Artillerie-brigade no. 1 met 32 kaarsen.

Idem no. 2 met 32 kaarsen.

Infanterie (Rey) met 32 kaarsen.

Boeren met waskaarsen.

Officieren van de zee- en landmagt en ambtenaren.

Collegeanten van St. Jan van Lateraan.

Wereldlijke geestelijkheid.

Broederschap van St. Domingo.

Twee rijen der Zusterschap (Beatas).

Het midden der processie bestond uit:

Een muziekkorps der infanterie (Rey).

Standaard.

Tien voorstellingen van het Lijden, op bepaalde afstanden door

de geestelijkheid gedragen.

Zes collegeanten van St. Jan van Lateraan, met cirios (groote

waskaarsen).

Het beeld van Johannes den Evangelist.

Elf voorstellingen van het Lijden, door de geestelijkheid

voorgesteld.

Zes collegeanten van St. Jan met cirios.

Beeld van St. Maria van Magdalena.

Muziekkorps der infanterie (Ferdinand VII).

Tien voorstellingen van het Lijden, als boven.

Muziek-koor, het Miserere zingende.

Acht collegeanten van St. Thomas met cirios.

Wagen, waarin de Heer gedragen wordt.

Ter zijde van den wagen acht hellebaardiers met lijkhellebaarden.

Muziek van de infanterie (no. 7).

Pallium (palio) door collegeanten van St. Jan van Lateraan

gedragen.

Broederschap der begrafenis, in een halven cirkel.

Zes collegeanten van St. Jan van Lateraan, met cirios.

Beeld van Santa Maria Salomé.

Zes collegeanten van St. Thomas met cirios.

Beeld van Santa Maria Jacoba.

Muziekkoor, het Stabat Mater zingende.

Zes collegeanten van St. Thomas in eene rij met waskaarsen.

Beeld van Onze Lieve Vrouw de los Dolores.

Pallium, door zes collegeanten van St. Thomas gedragen.

Preste (hoogmis-vierder) in zijn zwarten kap, met twee kosters

ter regter- en linkerzijde.

Z. E. de Gouverneur-Generaal; aan zijne linkerhand de

Luitenant-Gouverneur, aan de regterhand de prior van St. Domingo,

president van de Broederschap der Heilige Begrafenis, welke

laatste al de hooge autoriteiten van de eilanden voorafgaan, die

in volle kostuum door de hoofd-officieren der zee- en landmagt

worden gevolgd.

Brigade Europesche artillerie, met officieren.

Trommelslagers (de trommels bekleed), de treurmarsch slaande.

Treurmuziek.

Europesche brigade, met omgekeerde geweren.

Eskorte van den kapitein-Generaal te paard.

NOTA. In deze godsdienstige processie worde de meest mogelijke orde

bewaard.

[14] Persoonlijke voornaamwoorden zijn: aco: ik; anim: wij. In het

Tagaleesch zijn geene bezittelijke voornaamwoorden; men gebruikt

daarvoor den genitivus van de persoonlijke.

[15] Um, zijn; ungma: gij zijt.

[16] Ca of ycao, persoonlijk voornaamwoord: gij, volgt altijd op het

werkwoord; mo is de genitivus.

[17] Samba, aanbidden, heiligen; sambahin, de toek. tijd.

[18] Arao, Zon of dag.

[19] Tolot, toelaten te ontgaan.

[20] Dayat, heiligen, loven; de toek. tijd wordt door ipapag weder

gegeven.

[21] Van anchi, bijwoord: hier.

[22] Van hadi: koning.

[23] Van uara; vergiffenis.

[24] Van auai, twisten.

[25] De verhandeling van John Crawfurd in zijn Maleische grammatica.

[26] De Engelsche schrijver deelt hierbij als NOTE mede, dat

het hoofdstuk, door hem oorspronkelijk geschreven over de taal

der Philippijnen, met zoovele andere zijner manuscripten, door de

schipbreuk van de Alma in de Roode zee is verloren geraakt, terwijl

het nog overgeblevene geheel onleesbaar is. Hij verontschuldigt zich,

wanneer hij in zijne opgaven hieromtrent te kort mogt hebben geschoten,

daar hem verdere bouwstoffen in Engeland ontbraken.

Vert.

[27] Het werk van den heer Bowring bevat de tabellen, uit het bedoelde

rapport van kolonel Valdes uitgetrokken. Wij laten die achterwege.

(Vertaler.)

[28] Een vriend van een der heeren, door de Mas aangehaald, verhaalde

mij intusschen, dat hij ontkent hem gemagtigd te hebben onder zijn

naam die bewering te doen.

(Schrijver.)

[29] Er zijn verschillende benamingen voor den openbaren scherpregter,

die de plaatsen aanduiden, waarin hij zijn beroep uitoefent en de

werktuigen, die hij gebruikt om de doodstraf te doen ondergaan.

[30] Articulo sobre las Rentas de Filipinas y los medios de

aumentarlas, por D. Sinibaldo de Mas (later Minister-plenipotentiaris

van Spanje in China), Madrid 1855.

[31] Marcaida rekent de paters Blanco, Santa Maria, Zuniga, Concepcion

en Buzeta onder de beste geschiedkundige autoriteiten. Hij geeft hoog

op van de Apuntes van Don Sinibaldo de Mas, van eene deugdelijkheid,

waarvan ik mij zelf meermalen heb kunnen overtuigen.

[32] Men kan Buzeta raadplegen, vooral het hoofd Caraga, waarover

hij een groot artikel schrijft.

[33] De aartsbisschop Hilarion zegt: «Er zijn eene menigte pueblos,

als Argao, Dalaguete, Boljoon in Zebu en vele in de provincie Iloilo,

waar men naauwelijks een jongen of een meisje zal vinden, die niet

kunnen lezen of schrijven, hetgeen niet kan gezegd worden van vele

steden op het schiereiland.» (Antwoord aan de Manilla-deputatie.)

[34] Onder de wijzen, waarop een schadelijke wetgeving wordt ontdoken,

bieden de Philippijnsche eilanden een curieus voorbeeld aan. Daar

witte katoenen goederen in het belang van zekere inlandsche producenten

geprohibeerd zijn, heeft men het economischer geacht geele en groene

twist in te voeren, die binnen mogen komen, en later wordt het in

wit veranderd door het uittrekken der kleur, hetgeen gemakkelijk kan

geschieden door den draad in eene sterke oplossing van lijm te doopen.

[35] In 1859 werd het bedrag geschat op 3,000 à 3,500 vaten.

[36] Aldus schrijft Bowring in een brief van 3 Augustus 1858 aan den

heer N. Loney.

[37] De route van de Spaansche ontdekkingschepen Atrevida

en Descubierta loopt daar langs. Zie de zeekaart van de

St. Bernardino-straat en naburige gedeelten no. 2577, schaal, graad =

6 duim.

[38] Vaartuigen, die langs de zuidelijke passage naar Iloilo varen,

moeten, in den n. o. mousson, als zij ten noorden van kaap Guinad

komen, langs de kust van Guimaras gaan. In April 1859 vond ik in

het schip Camilla, van Manilla naar Iloilo, veel grooter diepte ten

Z. W. dan op de Spaansche kaarten is aangewezen. Door kaap Guinad

zuidelijk en kaap Balingasag oostelijk te brengen, had ik van 7 tot 9

vademen water, met zachten grond. Ten N. W. had ik 7 vademen dieplood.

Vijf of zes mijlen van het strand af had ik vier vademen; ik ging

strand-inwaarts en wierp het anker uit voor den nacht, liggende kaap

Cabalis ten N. O. twee mijlen, acht vademen water; goede ankergrond;

het dieplood tot 20 vademen op eene mijl van het strand.

Kaap Cabalis en kaap Bondulan, ten N. O. blijvende, vormen twee zeer

uitstekende hoofdlanden, die op de Spaansche kaarten, welke ik had,

niet voorkwamen. Met den gewonen voorzorg bestaat er geenerlei

gevaar, wanneer men de haven van Iloilo nadert en de kust van

Guimaras digt houdt aan den kant van kaap Cabalis tot ongeveer het

fort, waardoor men de Oton-bank vermijdt. Wanneer zelfs een vaartuig

zou vastraken, zou het geene schade bekomen en kan het gemakkelijk

uitgehaald worden, daar de bodem zeer zacht is. Als het fort eene mijl

Z. W. ten W. is, is het kanaal naar Iloilo open en bij vloedgetij

houde men het N. O. punt digt aan boord. Is men dit voorbij, blijve

men meer bij het andere strand, waar 3 1/2 tot 3 vademen water digt

aan het strand en 2 vademen bij laag water zijn. De haven van Iloilo

is een volmaakt natuurlijk dok. Vaartuigen liggen langs de werf,

waar 2 1/2 vadem bij hoog water en 2 vademen bij laag water zijn,

terwijl het laden en lossen hier zeer gemakkelijk is. Ik loste 200

vaten ballast en nam binnen negen dagen 300 vaten suiker in. Werk en

versche provisie verkrijgt men tot zeer gematigde prijzen.

Iloilo, 4 Mei 1859.

(Get.) J. H. Pritchard, schip Camilla.

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 58 / 58 题