De provincie Pangasinan bestaat hoofdzakelijk uit eene uitgestrekte
vlakte of liever uit eene zeer trapsgewijze helling van de
bergen, waar de Igorotte-Indianen wonen en die zich tot die van
Zambales uitstrekken. De wegen zijn over het algemeen goed; aan
beide zijden zijn boomen geplant en de landerijen zijn rijk en
vruchtbaar. Verscheiden rivieren ontspringen uit de heuvels en
worden ter verzending van hout, rottingen en andere boschproducten
gebruikt. De Igorotten verzamelen goud uit de bergstroomen, vooral
in de nabijheid van Asingan. Groote kudden wilde buffels, ossen,
dassen en varkens worden op de heuvels gevonden, doch weinig door de
inlanders in aanmerking genomen. De vruchtbaarheid der landerijen
zal een oogst van suiker en rijst in hetzelfde jaar geven. De kust
en de meren vloeijen over van visch, waarvan, even als van zout,
kokosnoten-olie en suiker, een belangrijke uitvoer bestaat. Huiden
worden gelooid voor de markt te Manilla. De scheepsbouw maakt een
belangrijken tak van industrie uit, vooral aan de Agno-rivier. Eene
menigte vrouwen houdt zich bezig met het vervaardigen van stroohoeden,
cigarenkokers en andere artikelen van de vezelen van verschillende
gewassen, waarvan sommige zeer fijn zijn en voor hooge prijzen
worden verkocht: zoo wordt een cigarenkoker soms tegen een ons goud
berekend. Matten, zoowel effen als versierde, worden ook tot gebruik
en verkoop gefabriceerd. Men zegt dat de Indiaan zonder ander werktuig
dan zijn mes voor zijne huishoudelijke benoodigdheden, en zijne ploeg
voor den veldarbeid, zich van al het noodige voorziet. De vrouwen
zijn er trotsch op de kleederen te hebben geweven en geborduurd,
die hare mannen en kinderen dragen, en zij zijn op feestdagen zeer
opgesmukt. In het jaar 1755 had er een ernstige opstand plaats tegen
het Spaansche gezag, die zich in het jaar 1762 herhaalde, toen de
Engelschen Manilla namen; beide werden echter onderdrukt, ofschoon ten
gevolge daarvan de bevolking tot 20,000 zielen werd verminderd. Twee
verschillende tongvallen worden in de provincie gesproken, daar de
oorspronkelijke Pangasinaansche bevolking verschilt van de stammen,
die zich uit Ilocos hier gevestigd hebben. De Dominicaner monniken
oefenen het voornaamste geestelijke gezag in de provincie uit.
Nadat wij Iloilo verlaten hadden, keerden wij na drie dagen stoomens en
na Nasog en de Isla Verde gezien te hebben, die ons waren aanbevolen
als een koers, die te prefereren was boven de buiten-passage,
waar langs wij gekomen waren, te Manilla terug, om daar op nieuw de
gastvrijheid in het paleis van den gouverneur en de attenties van mijn'
vriend den kolonel Trasierra te genieten, in wien ik een zoo heusch
gastheer vond. Wij kwamen aan op de Dia de los Reyes (Koningen-dag),
waarop eene officiële receptie ten hove plaats had. In den avond deden
wij een langen togt in het land tot aan de provincie Bulacan, die van
de provincie Tondo wordt afgescheiden door eene fraaije steenen brug,
over een tak van de Pampanga-rivier gelegen. Wij spraken er over om te
land naar Lingajen te gaan, hetgeen onder gunstige omstandigheden in
één dag kan plaats hebben, daar de afstand slechts 30 mijlen bedraagt,
maar daar de wegen niet zeer goed waren en het daardoor onzeker was
hoe lang wij ons zouden ophouden, besloot ik op nieuw mij op het schip
te begeven en den tweeden dag van onze reis landden wij te Sual. De
havenkapitein kwam ons schip loodsen in de haven, in het midden waarvan
zich eene rots bevindt, die niet op de kaarten is aangewezen. De engte
van de passage vereischt veel voorzorg, maar eens geankerd, bevindt men
zich in eene zeer veilige en goed beschutte, hoezeer kleine haven. Het
uitzigt van Sual stelde ons teleur; een paar verspreide woningen,
de kerk en het tolkantoor zagen er niet veelbelovend uit. Toen wij
intusschen aanlandden, kwamen de muziekanten van de pueblo ons met
hun corps begeleiden, en wij vernamen dat al de autoriteiten zich te
Lingajen, eene mijl verder gelegen, bevonden; maar een courrier werd
onmiddellijk afgezonden om van onze aankomst berigt te geven en als
een staaltje van de taal, geef ik hier eene copij van de depêche, die
hij terugbragt om te toonen, dat hij zijne zending goed volbragt had:
«Recibido del Conductor de S. Idro (San Isidro) alioncio (à las
once?) Castilio so sagay agangan cà Sogenti amar som pal ed Senor
Aldi (Alcalde) maior sin mabidia pasodo à lacho (à las ocho)
ed Labi Mortes ed pitcha 11 de Eniro de 1859.
«Juan Gabril.»
Dit wilde zeggen, dat daar de depêche ten 8 ure uit San Isidro was
vertrokken, de depêche ten 11 ure aan den alcalde was ter hand gesteld.
Daar er voor rijtuigen was gezorgd om ons naar den zetel van het
gouvernement (Lingajen) te brengen, vertrokken wij vroeg in den
morgen naar het klooster te San Isidro, dat aan den regter oever van
de Agno is gelegen, eene schoone rivier, die veel geriefelijkheden
voor de scheepvaart aanbiedt en bekoorlijke landschappen aan hare
oevers heeft, met wier schoonheden wij ons vermaakten, tot dat wij
de voorbereidselen tot eene processie zagen en de muziektoonen van
den tegenovergestelden oever hoorden; wij scheepten ons toen in
en vonden onze Indiaansche gidsen, die met gemakkelijke rijtuigen,
levendige paarden en hunne gewone voorkomendheid ons wachtten om ons
te ontvangen, terwijl de wegen en huizen als gewoonlijk versierd waren
en alles de blijken van vrolijkheid en bereidwilligheid droeg. Langs
den geheelen weg ziet men tropische vruchtboomen, waar tusschen de
Indiaansche hutten vrolijk uitsteken, terwijl de vrouwen en kinderen,
in hunne fraaiste pakjes uitgedoscht, het geheel een schilderachtig en
gevariëerd uitzigt gaven. De vensters en balcons voor de huizen waren
opgepropt met toeschouwers, die zeer opgetogen schenen als wij van
tijd tot tijd hunne groeten beantwoordden of eene vlag bewonderden,
die meer uitstekend en fraaijer versierd was dan de overige. Wij
traden een of twee der werkplaatsen voor den scheepsbouw binnen en
onze zeeofficieren betuigden hunne tevredenheid over den toestand,
waarin de scheepsbouw onder de inlanders zich bevond. Een vaartuig
van de werven was van 350 ton. Een Indiaansche scheepsbouwmeester,
die ons als merkwaardig werktuigkundig genie voorgesteld werd, kwam
van een verwijderde plaats kapitein Vansittart verlof vragen om de
Magicienne te mogen bezoeken en zich met de wijze van aanwending van
stoomwerktuigen bij de scheepvaart bekend te maken en eenige andere
verbeteringen na te gaan, die hij verwachtte dat op een Britsch
oorlogschip te ontdekken zouden zijn. Het verlof, dat zeer nederig
werd gevraagd, werd met de meeste heuschheid gegeven en toen hij het
verkregen had, sprong de Indiaan, zonder een oogenblik te verliezen,
in zijn rijtuig. De overvloed, de nabijheid, de uitmuntende kwaliteit
en de goedkoope prijzen van de materialen aan de oevers van de Agno,
leveren zoo vele voordeelen op voor den bouw van vaartuigen, maar de
dam is een groote hinderpaal voor het te water laten.
Wij werden op den weg te gemoet gegaan door den alcalde-major en
ik stapte in zijn rijtuig. De Spaansche officieren van den hoogsten
rang dragen een rotting met gouden knop en een zijden vederbos als
bewijs van hun gezag; en nu begaven wij ons in galop naar Lingajen, de
cabazera der provincie. Het heeft eene bevolking van 23,000 zielen. De
wegen waren goed, uitgezonderd op een gedeelte waar de Agno zelf een
nieuw kanaal heeft gevormd, en daar hadden de paarden eenige moeite
om het rijtuig door het zand te trekken. Wij kwamen op de kust en
de golven sloegen met vreeselijke onstuimigheid, als bij een storm,
op den oever, maar daar wij weder op den grooten straatweg kwamen,
vervolgden wij onze reis ongestoord. Wij werden vergezeld door den
uitmuntenden vice-consul Don José de Bosch en de monnik Gabriël,
die overal onze schutsengel en gids was. De vice-consul was geheel
ingedrongen in alle handelszaken en gaf mij alle informatiën die ik
zocht. De monnik was verrukt zijn voorraad plaatselijke kennis te
kunnen uitstorten en deze was groot, terwijl de alcalde Senor Combas
in alle opzigten goed, bescheiden en mededeelzaam was. Het was dan
ook onmogelijk zich niet geheel te huis te bevinden, daar waar alles
wedijverde vermaak te verschaffen, de belangstelling op te wekken en
leerzaam te zijn. Wij bezochten verscheidene pueblos in den omtrek
en te Calasiao, dat 18,000 inwoners telt, bragt de gobernadorcillo
ons stalen van de fabrikaten der plaats en dwong mij een fijnen
stroohoed op, terwijl wij allen op aandrang van den monnik Gabriël
een cigarenkoker medenamen. Hetgeen wij elders hadden gezien, werd
in de pueblos, die wij doortrokken, herhaald, waar de monniken en de
principalia op hun qui vive waren, niet alleen om ons gemak en genoegen
te verschaffen, maar ook om ons alle eer te bewijzen. Wij keerden met
zonsondergang naar Lingajen terug en de goede geestelijke inviteerde
ons den volgenden dag bij hem te dineren, bij welke gelegenheid hij
zeide, zijn best te zullen doen ons alles te toonen wat zijn klooster
kon opleveren. En er ontbrak waarlijk niets. De tafels waren door een
aantal gasten bezet en gevuld met overvloed van voedzame en kostbare
spijzen. Ik verbeeld mij dat de pater alle hulpbronnen der gemeente
te baat moet hebben genomen, want de spijzen en dranken, de schotels
en het porselein, flesschen en glazen en al de bijzaken van een goed
publiek diner, waren hier aanwezig, en aan vrolijkheid ontbrak het
ook niet, waarbij de pater aan het hoofd stond.
Pater Gabriël boogt op de buitengewone geschiktheid van de rivier
Agno. Zij loopt door een groot gedeelte van de provincie Pangasinan en
was op een grooten afstand bevaarbaar. Hij schetste den loop op papier
en wees de talrijke pueblos aan, die zij doorstroomde. Een ongeluk was
het, dat er zich een vreeselijke dam op bevond die niet van of naar
de zee kon bevaren worden. De rivier is intusschen tamelijk diep en
is zeer schoon; zij ontspringt in de Cordillera van Caraballes in de
provincie Abra, te midden van woeste bergen en neemt in haren loop vele
toevloeijende stroomen op. Tusschen San Isidro en Lingajen was veel
scheepsbouw aan de oevers en bevond zich eene levendige Indiaansche
bevolking. Aan de oevers staan schoone woudboomen, die rijp waren voor
de hand van den houthakker, voorts materialen voor tuigwerk, bamboes
en riet, die de wilde stammen van Igorottes daarheen brengen. Men
zegt dat er veel goud in het zand en den modder der rivier gevonden
wordt. De Spanjaarden en vooral de geestelijken, hebben menige poging
aangewend om de woeste bewoners der ruwe en onbebouwde streken te
onderwerpen, beschaven en de christelijke godsdienst te onderrigten,
maar met weinig succes. Hun aantal is vermeerderd door misdadigers,
die de justitie ontkomen zijn en eene wijkplaats zoeken en vinden in
de minst toegankelijke gedeelten van Luzon.
Pater Gabriël, die er groot belang in stelde de handels-ressources van
Sual te ontwikkelen, dat hij zijne «haven» noemde, drukte vertrouwelijk
de hoop uit, dat de vestiging van den vreemden handel en de bezoeken
van schepen om te laden, de inlanders zouden nopen daar hunne producten
te brengen en den weg voor den invloed van verbetering te openen.
Wij achtten het raadzaam toebereidselen voor ons vertrek te maken,
maar onze goede vrienden hadden besloten om, daar wij te land waren
gekomen en te water terug zouden keeren en een optogt te water
te houden, die met vlaggen en muziek in beweging gesteld werd. De
lucht betrok, de regen viel met tropische stroomen en de muziekanten
en andere acteurs en toeschouwers verdwenen; daardoor echter niet
ontmoedigd, kwamen zij na een oponthoud van twee uren weder in den
zonneschijn naar buiten. De booten werden uitgezet, de muziekkorpsen
op nieuw verzameld en thans scheepten wij ons op de rivier Agno
in. Alles ging vrolijk en ongestoord gedurende een uur voort, maar
toen noopte mij een dreigende storm de open schuit te verlaten waarin
ik mij bevond, en eene schuilplaats te zoeken in eene der overdekte
booten. Vele mijner medgezellen werden zoo slijknat, alsof zij in het
water gedompeld waren, en wij bereikten San Isidro alsof wij aan eene
schipbreuk ontkomen waren. Hier zochten wij drooge kleederen en werden
de garderobes der geestelijken ter onzer beschikking gesteld. Wij zagen
er inderdaad koddig uit en een humoristische schetsteekenaar had hier
ruim stof voor zijn potlood gevonden. Sommigen haalden rijtuigen,
anderen paarden en weder anderen keerden teleurgesteld terug, in de
verwachting om ons naar Sual te vervoeren, waar voor een heerlijk diner
door den vice-consul in het tolkantoor was gezorgd. De havenmeester
sprak in poëzij ter eere van de Britsche vlag en gloria met Victoria
rijmden tot lof van de gasten en weêrgalmden binnen de muren. Onze
kapitein werd geïnspireerd en sprak onze gastvrije gastheeren aan in
antwoord op de warme brindis van het gezelschap. De Indianen hadden
ons nationaal lied bestudeerd en voor de eerste maal werd het schoone
«God save the Queen» in de pueblo Sual gehoord. Het was laat, toen wij
ons aan boord van de Magicienne begaven, maar vóór ons vertrek op den
volgenden dag bevonden de autoriteiten, de vice-consul en de monnik,
met een talrijk gevolg zich aan boord, om ons een even heusch despedida
te geven als hun welkom vriendschappelijk was geweest. Zij bragten
verscheidene geschenken als souvenirs mede en een lilliputiaansche
midshipman, die de belangstelling en de bewondering der bezoekers
had opgewekt, werd speciaal uitgenoodigd eene cigarenkoker uit
de handen van pater Gabriël te ontvangen. Zoodra zij ons verlaten
hadden, werd ons anker geligt en stoomden wij van Pangasinan en de
Philippijnen. Het zou inderdaad vreemd zijn, wanneer wij geene hoogst
aangename herinnering medevoerden van al hetgeen wij gezien hadden.