ZUIVERE INDIANEN. MESTIZEN. NEGERS.

Ligchaamsbouw, Schoon, middelm. Hetzelfde. Schoon en

klein. teeder.

Huid. Koperkleur, Ligte, eenigzins Donker

fijn. geel. koperkleur.

Ligchaam. Slank, Zwaar. Slank en vlug.

welgevormd,

sterk.

Haar. Zwart, dik en Minder zwaar. Zwart en

ruw. krullend, doch

minder dan de

Afrikan.

Hoofd. Middelmatig of Over het algemeen Klein en rond.

klein, rond en groot.

van achteren

plat.

Voorhoofd. Open, soms smal. Open. Smal.

Oogen. Zwarte, Minder Groote,

schitterende. gelijkvormig. doordringende,

schitterende.

Wenkbrauwen. Dik en gewelfd. Minder bogtig.

Oogleden. Lang. . . . . . . . . . Zeer lang.

Neus. Middelm., Dikker. Middelmatig,

meestal plat. eenigzins plat.

Mond. Groot, soms Grooter. Middelmatig.

middelmatig.

Lippen. Middelmatig. Dikker. Middelmatig,

ronder.

Tanden. Blank, Sterk en groot. Lang en zeer

regelmatig, sterk.

sterk.

Boven kakebeen. Gewone grootte. Hoog, Gewoon.

vooruitspringend.

Onder kakebeen. Gewoon en sterk. Sterk, open. Welgevormd.

Borst. Breed, bij de Sterk doch kort. Hetzelfde.

vrouw hard en

sterk.

Gang. Sierlijk, Sierlijk. Vlug en los.

elegant.

Voeten. Klein. Klein. Klein en

welgevormd.

Vleesch. Hard. Hard. Hard.

Dijen. Klein. Klein. Klein.

Ligchaamshaar. Weinig. Geen. Weinig.

Baard. Geen. Klein. Klein.

Schaamdeelen. Klein. Klein. Klein.

De Indianen van Altaban hebben een' afgod, dien zij Cubiga noemen en

wiens vrouw Bujas heet. De Gaddans geven de benaming van Amanolay,

(schepper van den mensch) aan het voorwerp hunner vereering, wiens

godin Dalingay is. Er bestaan geene tempels, evenmin als eene openbare

eeredienst, maar in tijden van nood worden de hoogere geesten meestal

aangeroepen door de priesteres of toovenares, die het afgod besprengt

met het bloed van een buffel, vogel of varken en plengoffers brengt,

terwijl de Indianen hunne handen opheffen onder den uitroep: «Siggam

Cabunian! Siggam Bulamaiag! Siggam aggen!» (O God! O schoone maan! O

ster!) Daarop doopt men een borstel in palmwijn en besprengt de

omstanders daarmede. (Dit laatste is waarschijnlijk eene navolging

van de besprenking met wijwater bij de Roomsch-Katholieken). De

plegtigheid eindigt met een algemeen gezang.

De Priesters geven vele voorbeelden van hetgeen zij de onwetendheid

en domheid der Indianen noemen, maar deze bepalen zich meestal tot de

miskenning van de geheimen der schepping, de wording en de toekomst van

den mensch, de godsdienstige verpligtingen en de leerstellingen van het

Katholieke geloof. Het is te betwijfelen of de bloote herhaling door

gewoonte van sommige formulieren meerdere blijken van Christelijken

vooruitgang zou opleveren dan de openlijk erkende onwetendheid van

deze heidensche stammen.

Als een Indiaan door iemand uit een naburigen stam wordt vermoord en

de beleediging niet door eene som gelds wordt afgekocht, is men van

de zijde van den beleedigde verpligt wraak te nemen door een uit den

stam, waaronder de misdaad is gepleegd, te dooden.

Het volksvermaak is de dans; daarbij vormt men een kring, strekt de

handen uit en gebruikt de voeten beurtelings terwijl men op den eenen

loopt en den anderen achterhoudt; zoo draaijen zij rond onder luid

geschreeuw, gevoegd bij het geroffel van ronde trommels, waarop met

beide handen wordt geslagen.

De schedels van dieren worden dikwijls gebruikt om de huizen der

Indianen op te sieren. Galvey zegt dat hij in ééne woning, te Capangar,

niet minder dan 405 koppen van buffels en ossen en meer dan duizend

varkens heeft gezien, die een onverdragelijken stank verspreidden.

De bast van den Uplay wordt gebruikt bij tusschenpoozende koortsen

en men is zeer goed met de geneeskundige eigenschappen van sommige

kruiden bekend. Heet ijzer wordt gebruikt om sommige ligchaamspijnen

te verdrijven, zoodat het vleesch dan wordt ingebrand; maar in de

meeste gevallen neemt men zijne toevlugt tot bijgeloof en toovenarij en

offert vogels en dieren, die onder de ziekenoppassers worden verdeeld.

Pater Mozo zegt van de Italons (Luzon) gezien te hebben dat zij, na

een vijand te hebben vermoord, zijn bloed dronken en zijne longen,

het achterhoofd, de ingewanden en andere gedeelten van het ligchaam

uitsneden en raauw opaten, waarbij zij zeiden dat het hun moed en

kracht in den oorlog gaf. De schedels worden in de huizen bewaard

om bij plegtige gelegenheden te worden ten toon gesteld. Deze

gewoonte is zeker van Borneoschen oorsprong, want pater Quarteron,

de apostolische vicaris van dit eiland, verhaalde mij, dat hij eens

een groot aantal wilden had overvallen die de menschelijke schedels,

waarmede hunne huizen gewoonlijk zijn versierd, ronddroegen en dit

deden «om hunne vijanden een luchtje te doen scheppen.» Nadat hij nog

vele der barbaarsche gewoonten van de eilanden heeft opgenoemd, roept

de goede monnik Mozo uit: «Verbeeld u nu eens hoeveel moeite en zorg

het kost om zulke barbaren uit de magt van den duivel te krijgen!»

Zij brengen even vele offers als zij vingers geopend vinden aan de

hand van een doode. Is die gesloten, dan wordt er niets geofferd. Zij

lijden veel aan huidziekten. De Busaos beschilderen hunne wapens met

bloemen en om sieraden te dragen, doorboren zij hunne ooren, die zij

somtijds tot hunne schouders uitrekken. De Ifugaos dragen aan een

halsketting stukken riet die het aantal door hen gedoode vijanden

aanwijzen. Galvey zegt er 23 te hebben geteld die een man droeg,

welke in eene schermutseling met Spaansche troepen sneuvelde. Deze

stam valt dikwijls reizigers in de bergen aan, met het doel om hunne

schedels te verkrijgen. De zendelingen stellen hen als de hevigste

vijanden der Christenen voor. Sommige monniken spreken van vreeselijke

bekentenissen die vrouwen der Igorottos na hunne bekeering tot het

Christendom moeten gedaan hebben, omtrent hare gemeenschap met apen

in de bosschen, en pater Lorenzo weidt in breede trekken over dit

onderwerp uit; hij verklaart dat een schepsel eens bij hem ter doop

werd gebragt dat «hem met afgrijzen vervulde.» De Mas verhaalt dat een

kind met lange armen en zacht haar, dat veel op een aap geleek, door

zijne moeder te Vijan werd ten toon gesteld en aalmoezen leerde vragen.

De Mas beveelt het Spaansche Gouvernement aan het koopbare gedeelte van

de Mohammedaansche en heidensche stammen te koopen, hen te bekeeren en

tot den landbouw te gebruiken. Hij geeft statistieke opgaven om aan

te toonen dat er eene opeenstapeling van 120 pCt. zou plaats hebben,

terwijl hunne verwijdering de Indianen zoude ophitsen, die elkander

zouden dooden en zoo de eilanden van hunne tegenwoordigheid verlossen.

Dit zou eene nieuwe bladzijde in de geschiedenis van den slavenhandel

zijn. Hij berekent dat er zich meer dan een millioen heidenen en

Mohammedanen op de eilanden bevinden. Galvey's «Dagboek van eene

expeditie naar Benguet, in Januarij 1829» en van eene andere naar

Bacun in December 1831, zijn verhalen van ondervonden avonturen,

waarvan vele van gevaarlijken aard waren en waarbij velen hun leven

verloren en een tal woningen vernield werden. Zij zijn belangwekkend

in zooverre dat zij doen zien hoe moeijelijk het is deze bergrassen

tot onderwerping te brengen. Galvey stond aan het hoofd van nog

verscheidene andere expeditiën en stierf in 1839.

Er zijn weinig feiten van meer belang, in verband met de veranderingen

die in de Oostersche wereld plaats vinden, dan de Chinesche

overbevolking in bijna iedere streek ten oosten van Bengalen; en in

Calcutta zelf bevindt zich een aanzienlijk aantal Chinezen, meestal

schoenmakers, waarvan vele groote rijkdommen hebben verworven; zij

zijn te zamen in den sterken nationalen band aan elkander verbonden,

die hun overal vergezelt en die niet verbroken, zelfs naauwelijks

geïnfluenceerd wordt door de hun omgevende omstandigheden. Op

de Philippijnsche eilanden hebben zij bijna een monopolie in den

kleinhandel verkregen en de vadsige gewoonten der inlanders kunnen

bij lange niet concurreren met deze nijvere, matige en volhardende

indringers. Zij worden door de inlanders zeer gehaat, doch daar

hun over het algemeen vreedzaam gedrag en gehoorzaamheid aan de

wetten hunne vijanden geen voet geven, nemen zij jaarlijks in aantal,

rijkdom en belangrijkheid toe. Intusschen zijn zij slechts trekvogels,

die weder huiswaarts keeren om door andere van hunnen stam te worden

vervangen. Zij brengen nooit hunne vrouwen mede, maar nemen zelve

vrouwen of huishoudsters onder de inlanders. Een wettig huwelijk

vereischt echter de belijdenis der Christelijke godsdienst en velen

hunner bekommeren er zich dan ook weinig over om tot de kerk van

Rome over te gaan. Zij mogen geene tempels oprigten om Buddhistische

leerstellingen te verkondigen, maar hebben afzonderlijke kerkhoven. Zij

betalen eene bepaalde belasting, die berekend wordt naar den staat,

dien zij voeren, als kooplieden, handelaars , winkeliers, handwerkers,

bedienden enz. Geheele straten in Manilla worden door hen bewoond en

overal waar wij hen aantroffen, vonden wij in hen de meest werkzame

en voorspoedigste onder de arbeidende klassen. Duizenden en duizenden

Chinezen komen op de eilanden aan en verspreiden zich daar, zonder

dat eene enkele Chinesche vrouw hen uit hun vaderland vergezelt.

In het jaar 1857 landden alleen in de haven van Manilla 4,232 Chinezen

aan, terwijl 2,592 die verlieten om naar China terug te keeren.

Geen beter bewijs van den buitengewonen onwil der Chinesche vrouwen

om te emigreren, kan men vinden dan in de statistiek van de hoofdstad

der Philippijnen. In 1855 bevonden zich in de vesting Manilla 525

Chinesche mannen, doch slechts 2 vrouwen en 5 kinderen. In Binondo

waren 5,055 Chinesche mannen en slechts 8 meisjes. Wanneer men nu in

aanmerking neemt dat men, bij een gunstigen mousson, niet meer dan

drie of vier dagen behoeft om van China naar de Philippijnen te komen,

dat er een aantal rijke Chinezen op het eiland gevestigd zijn en dat

de begeerte naar kinderen en om hun stam voort te planten onder het

Chinesche volk algemeen is, kan men ligt begrijpen welk een weêrzin

er bij de vrouwen tegen de emigratie bestaat.

Dit is dan ook eene ontegenzeggelijke waarheid en het feit blijkt een

groote hinderpaal te zijn tegen de gunstige emigratie van koelies. Men

heeft geene vrouw noch voor de Britsche, noch voor de Spaansche

koloniën kunnen verkrijgen, ofschoon de uitvoer van koelies meer

dan 60,000 had bedragen, en uitgezonderd door kinderroof en directen

afkoop van koppelaarsters of bordeelhoudsters, kan men er geene vrouw

toe krijgen om te emigreren. Deze zekerheid moet wel in aanmerking

genomen worden door de voorstanders van de kolonisatie met Chinesche

landbouwers in de Britsche koloniën. In den loop van tijd zal Hong-kong

welligt eenige vrijwillige vrouwelijke emigranten opleveren en de

jongste uitgevaardigde emigratiewet door de autoriteiten van Canton

zal daartoe veel bijdragen.

Gedurende vijf jaren (van 1850-55) werden slechts 14 Chinezen

in al de provinciën wegens ernstige misdaden veroordeeld, dat is

gemiddeld nog geen drie per jaar; gevallen van moord, diefstal met

geweld of aanvallen op de eerbaarheid kwamen niet voor. Er hadden

negen gevallen plaats van eenvoudige diefstal, twee van diefstal

van vee, een van vervalsching, een van namaak van muntspeciën en

een van brandstichting. Deze feiten geven een goed denkbeeld van

de zedelijkheid der Chinesche kolonisten. Misdrijven van geringen

aard worden, even als bij de Chinezen, door hunne eigen plaatselijke

principalia gestraft.

Het meerendeel der schoenmakers op de Philippijnen zijn Chinezen. Van

784 in de hoofdstad zijn 633 Chinezen en 151 inlanders. Vele zijn

ook timmerlieden, grofsmeden, waterdragers, koks en daglooners,

maar een kleine winkelhandel is het geliefkoosde bedrijf. Onder de

laatste echter behooren vele welgegoede handelaars en kooplieden,

die voor hunne rekening een grooten in- en uitvoerhandel drijven en

op al de eilanden bijna hunne agenten hebben. Waar zal de Chinees

niet doordringen; aan hoevele gevaren zal hij zich niet blootstellen;

hoeveel lijden zal hij niet ondergaan; welke ondernemingen zal hij

niet doen; hoeveel volharding zal hij niet ten toon spreiden--als hij

slechts geld kan verdienen? En inderdaad, dit is zijne verdienste als

kolonist, hij is spaarzaam, geduldig, volhardend, geslepen; onderworpen

aan de wetten, eerbiedig voor de autoriteiten, terwijl hij zich slechts

van verdriet onthoudt en dollar op dollar stapelt; is de hoop groot

genoeg om aan zijne behoefte of zijn streven te voldoen, dan keert hij

terug om door anderen opgevolgd te worden, die dezelfde eigenschappen

bezitten en bij hunnen terugkeer met hetzelfde succes beloond worden.

De eerste aanmoediging die den Chinezen werd gegeven om zich op de

Philippijnen te vestigen, was als landbouwers; een ander bedrijf

mogten zij niet uitoefenen. Ook de Japanezen werden uitgenoodigd,

doch men vindt van deze naauwelijks nog eenige op de eilanden. De naam

der Chinezen als landbouwers heeft waarschijnlijk de aandacht der

autoriteiten van Manilla op hen gevestigd, maar geen enkele Chinees

blijft een beroep uitoefenen, wanneer hij een ander voordeeliger kan

vinden. Bovendien waren zij onder de landelijke bevolking niet gezien

en bij hun spaarzaam karakter meer geneigd zich tot groepen en hwey

(gezelschappen) te verbinden, dan zich onder de herders- en landelijke

stammen te verspreiden, die hen als mededingers benijdden en als

heidenen haatten. Zij hebben zich eene positie in de steden gemaakt

en zijn nu te groot in getal en te vermogend om miskend of werkelijk

verdrukt te worden. De meesten zijn uit de provincie Fokien en schepen

zich te Amoy in. Ik vond geen enkelen onder hen die de eigenlijke

Chinesche taal sprak, ofschoon velen Chineesch schrift lezen.

Wanneer een Chinees de eed wordt afgenomen, snijdt de getuige den

kop af van een witten haan en zegt men hem, dat zoo hij de waarheid

niet zegt, het bloed van zijne familie even als dat van den haan zal

worden vergoten en hem een ongeluk zal overkomen. Mijne langdurige

ondervinding van de Chinezen noopt mij te zeggen dat geen eed--behalve

bij vrees voor straf--eenige de minste zekerheid tegen de verbreking

daarvan aanbiedt. In onze hoven in China werden verscheidene vormen

op verschillende tijden aangenomen, als het onthoofden van een haan;

het breken van een stuk vaatwerk; het doen van vervloekingen door den

getuige op zich zelven en de wensch dat al zijn geluk mogt verdwijnen

als hij loog; het verbranden van een stuk papier, waarop een soort

van eed stond geschreven en de verbindtenis om in de hel even als

dit papier op de aarde verbrand te worden als hij de waarheid niet

zeide;--deze en andere ceremoniën hebben niets gebaat om de zekerheid

te erlangen voor de waarheid. Terwijl ik Gouverneur van Hong-kong was,

werd een besluit uitgevaardigd, waarbij het afnemen van den eed aan

Chinezen werd afgeschaft en hun eene zware straf als meineedigen werd

opgelegd, als zij eene valsche getuigenis gaven. Deze maatregel heeft

het bekennen der waarheid veel versterkt en aangemoedigd en bedrog of

logen belet. Ik vroeg eens een invloedrijk persoon in Canton welke

ceremoniën zij onder hen zelven gebruikten als zij zekerheid voor

eene waarachtige getuigenis wilden hebben. Hij zeide mij dat er een

tempel was waarin een afgelegde eed veel meer verbindend was, dan

op eene andere plaats, maar hij erkende dat hunne geregtshoven geene

zekerheid voor waarheid hadden. Er bestaat een chineesch spreekwoord:

«Puh tah, pu chaou», dat wil zeggen: «zonder slagen, geen waarheid»,

en getuigen in geregtelijke zaken worden dan ook dikwijls gekastijd. De

Chinezen eerbiedigen heilig hunne geschreven en over het algemeen

hunne ceremoniële verbindtenissen. Zij zijn door alles heen, als

zij die onteeren. Maar logen wordt niet veracht, vooral wanneer die

verholen en ongestraft blijft en het Gouvernement verstaat het best

de kunst om te liegen. In sommige hunner boeken wordt zelfs logen om

barbaren te bedriegen, aangemoedigd en aanbevolen.

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 18 / 58 题