BEVOLKING.--STAMMEN.

Ofschoon verre het grootste gedeelte der heidensche Indianen, zooals

de Spanjaarden ze noemen, tot dezelfde stammen behooren als die de

steden bewonen, bestaan er toch vele uitzonderingen. Onafhankelijk en

afgescheiden van de heidenen, vindt men talrijke Mohammedanen, vooral

op het eiland Mindanao, waarvan slechts eene kleine plek langs de

kust door de Spanjaarden is onderworpen; deze, welke de Spanjaarden

als Moros aanduiden, een naam, waaraan traditionele en nationale

verbindtenissen grooten afkeer verbonden, zijn waarschijnlijk van

Maleische afkomst. Daar, even als in alle streken waar zendelingen het

gezag van den Koran hebben trachten te ondermijnen of in verachting

te brengen, is de poging geheel mislukt. Ik zag sommige dier lieden

te Zamboanga, die met de Arabische formules van het islamisme eigen

waren; vele van hunne namen, als Abdallah, Fatima en anderen, zijn

ook die van Muzelmannen. Men meent dat zij in vriendschap met de

Spanjaarden leven, die tractaten met den regerenden Sultan hebben,

maar ik vind geen blijk van de erkenning van het Spaansche gezag.

De vijandschap tusschen de Mohammedaansche stammen (Moros) en de

Spanjaarden kan als erfelijk beschouwd worden. Het antwoord dat Radjah

Soliman van Sondo aan Legaspi, den eersten Gouverneur der Philippijnen

gaf, toen deze zijne vriendschap verzocht, is karakteristiek. Vóórdat

de zon in tweeën gespleten is, vóórdat ik de haat in plaats van de

liefde van eene vrouw verlang,--vóór dien tijd wil ik de vriend niet

zijn van een Castiliaan (Spanjaard).

In de meest afgelegene bergstreken, die, naar ik geloof, nooit door

Europesche avonturiers zijn bezocht, leeft een stam op den laagsten

trap van de barbaarschheid, niet van beschaving, want daarvan vertoonen

zij geen spoor. Men zegt dat zij geene kleederen dragen, geene huizen

bouwen, geen voedsel zoeken. Zij zwerven in de bosschen, waarvan

zij bij dag de wilde vruchten opzamelen, terwijl zij 's nachts onder

de takken der boomen slapen. Zij hebben geen vorm van bestuur, geen

hoofd, geene godsdienstige instellingen of gebruiken. Ik zag iemand

uit dezen stam als een wild dier aan den Gouverneur van Zamboanga

te koop aanbieden. Hij weigerde den koop, doch hield den knaap, die

waarschijnlijk 8 of 9 jaren oud was, bij zich. Te Iloilo bediende hij,

met andere inlandsche knechten, aan tafel en hij scheen mij toen

de meest snuggere van allen te zijn; hij had een helderen blik en

wachtte vernuftig op elk teeken of bevel van zijn' meester. Hij was

zeer donker gekleurd, bijna zwart; zijn haar was eenigzins wollig; hij

had evenmin de hooge wangen als de dikke lippen van den Afrikaanschen

neger, doch geleek op vele soorten, die ik onder het Madagascarsche

volk heb ontmoet. Men berigtte mij dat de geheele stam--het woord is

niet juist, want zij vormen geen geheel--van kleinen ligchaamsbouw

is; dat zij elken gemeenschap met andere stammen vermijden; niets

inzamelen, niets ruilen en inderdaad niets behoeven. Ik was eens

in de gelegenheid in de gevangenis van Kandy (Ceylon) een van de

eigenlijke «wilde boschmannen» van dit eiland te beschouwen, die

van moord beschuldigd was; het zedelijk gevoel bij dien man was zoo

weinig opgewekt, dat er geen denkbeeld aan kwaad met de daad kon

verbonden zijn geweest en de regter beschouwde hem dan ook te regt

niet als een verantwoordelijk wezen, op wien hij de bepalingen der

wet kon toepassen. In uitwendige eigenaardigheden bestond er weinig

gelijkenis tusschen den Filipino en den Cingalees. De ethnologische

wetenschap zou eene groote schrede voorwaarts doen wanneer zij zich

tot de speciale bestudering van de barbaarsche oorspronkelijke stammen

rigtte, waarvan thans nog rassen bestaan, doch reeds zoovele zijn

verdwenen, die geen gemeenschap met elkander kunnen gehad hebben. Ik

geloof dat er meer verschillende rassen onder het menschelijke

geslacht bestaan, dan tot nog toe door de physiologen zijn erkend,

waaronder geene taalgemeenschap zal worden gevonden. De theoretische

stellingen omtrent de afleiding van de verschillende soorten onder

het menschelijke geslacht van eenige weinige oorspronkelijke typen,

zullen geene uitkomst opleveren. Beschaving en opvoeding zullen

ook hier hare uitwerking doen en het verschil tusschen de crania van

hetzelfde volk is te groot dan dat men eenigen regel van classificatie

kan aannemen. Hoe verder wij kunnen doordringen, des te grooter

zullen wij het verschil in typen en talen ontdekken en des te meer

zal men zien dat de tijd en de handel, kennis en kolonisatie menige

onafhankelijke landstreek hebben te niet gedaan, even als zij menigen

oorspronkelijken stam hebben vernietigd.

Niet zelden zijn door het Gouvernement expeditiën uitgezonden tegen

de wilden, die de bosschen en de bergen in het binnenland bewonen,

vooral wanneer aan de inlandsche Christen bevolking overlast was

aangedaan. Men legt hunne aanvoerders verschillende straffen op,

terwijl hunne dorpen en bentings in bezit worden genomen, maar deze

kan men niet altijd behouden, daar de krijgsmagt te onvoldoende is

om ze te bewaken. Maar het lijdt geen twijfel dat deze wilde stammen

door toenemende ontwikkeling en den drang der hoogere beschaving wel

zullen verdwijnen.

De Mas zet de stelling voorop dat de Igorottes van Luzon heidenen van

denzelfden stam als de bekeerde Indianen zijn, doch in een' staat van

woestheid verkeeren. De Aetas of Negritos maken een afzonderlijken

stam uit, zijn geene inlanders, maar de afstammelingen van indringers

en overwinnaars. Hij heeft menigmalen gelegenheid gehad met hen te

verkeeren en spreekt op eene gunstige wijze van hunne ontvangst. De

mannen hadden geene andere kleeding dan een gordel van vezelen

van boomschorsen, de vrouwen een soort van jakje van dezelfde

stof. Ongehuwde meisjes droegen een soort van ketting uit de bladeren

van een bergpalmboom vervaardigd en waarvan de einden tusschen hare

naakte borsten bij elkander kwamen. De vrouwen speelden op eene ruwe

guitar, waarvan de kast uit een soort bamboe bestond en wier snaren

uit den wortel van een boom waren vervaardigd. Aan dit instrument

ontlokten zij toonen door de snaren met de linkerhand los te maken

of aan te halen. Als het regende, bedekten zij zich met palmbladeren,

die zij tevens tot beschutting voor de zon gebruikten. De Mas zegt dat

zij alle pogingen tot verleiding weêrstonden. De bevolking leverde

was, honig en wild en kocht tabak en rijst in ruil. Geld verlangden

zij niet. De wijze van eerbetoon bestond in het aanbieden van water

aan een ouderen; geen zoon kan dit van zijn vader ontvangen, maar

moet het dezen overhandigen. Zij betoonen groote vrees voor de booze

geesten, die zich in de bosschen bevinden, maar spraken daarvan van

«hooren zeggen.» Zij zelve hadden de geesten niet gezien, maar anderen

hadden ze onder de oogen gehad, en dat was voldoende. De monniken

zeggen dat zij geen hoogen ouderdom bereiken; de oudsten moeten

niet meer dan 40 jaren leven. Pater Mozo zegt: «zij hebben hunne

plaatsen, waarin zij zich vereenigen en die zij ongaarne verlaten;

bepaalde verblijfoorden hebben zij niet; zij zwerven van het eene

punt naar het andere in een omtrek van 4 of 5 mijlen. Zij planten

vier stokken in den grond, omringen die met de buigzame takken van

den ylib, werpen daar eenige palmbladeren op en voegen er een stuk

hout bij, dat tot kussen dient, waarna hunne woning en slaapplaats

in orde is. Het wild dat de een doodt behoort aan allen--de kop en

nek wordt voor de honden bewaard. De gemeente bestaat gewoonlijk uit

20 of 25 personen, die den moedigsten onder hen tot hunnen aanvoerder

kiezen. Des zomers houden zij aan de oevers der rivieren verblijf; in

het regen en stormachtige jaargetijde daarentegen houden zij zich in

hunne ruwe hutten op. Als er een sterfgeval plaats heeft, begraven zij

het lijk, doch verwijderen zich dan van de plaats, uit vrees dat nog

meer mogten sterven. Wanneer zij wilde honig in de bosschen zoeken,

teekent hij, die een zwerm gevonden heeft, den boom aan, waarop zich

de bijen bevinden en dan is deze zijn eigendom tot dat hij gelegenheid

heeft daarvan bezit te nemen. Men ontsteekt een vuur aan den voet

van den boom, om door den rook de bijen te verjagen; daarop klimt de

Indiaan naar boven met een breed palmblad in den vorm van een pot

gevouwen, waarin hij de honigklomp doet, het blad daarna toebindt

en weder afstijgt. Al zijne behoeften zijn voldaan, wanneer hij bij

zijn zwam om vuur te maken, zijn boog en pijlen en zijn ruw mes, een

weinig tabak voor zijn genoegen heeft. Als er gebrek aan voedsel is,

drinkt hij heet water en bindt een stevig touw om zijn lijf; hij eet

ook van een wortel, sucbao genaamd, maar in het warme weder heeft men

nooit aan inlandsche vruchten behoefte.» Nadat hij eene vergelijking

heeft gemaakt tusschen de smarten, wederwaardigheden en hartstogten

aan het beschaafde leven verbonden en de eenvoudigheid, domheid en

tevredenheid van deze kinderen der natuur, zegt de pater: «Terwijl

ik ten slotte hunne levenswijze bewonder, geloof ik, dat wanneer

zij slechts eenigzins van ons heilig geloof doordrongen zouden zijn,

wanneer zij slechts leden voor God wat zij nu lijden, men hen met den

boetvaardigsten monnik van de Thebaide niet kon gelijkstellen. Zoo

waar als het is dat zij de zonde van echtscheiding begaan, even

waar is het dat men zelden van een val voor het huwelijk hoort;

maar zij zijn wreed, zij zijn moorddadig!» Dat is het oordeel der

geestelijkheid over die menschen.

Men maakt velerlei gissingen omtrent den oorsprong van de donkerder

of zwarte stammen, die nu de noordelijke en centrale minder bezochte

bergstreken bewonen en waarvan een der eilanden, Negros, zijn

naam ontleent. Zij houden voornamelijk verblijf in de meer woeste

gedeelten van de provinciën Zuid-Ilocos, Pangasinan, Cagajan en Nueva

Ecija. Zij hebben een kleinen ligchaamsbouw, eenigzins platte neuzen

en krullend haar; zij zijn vlug en dragen geene andere kleeding dan

een bast over hun schaamdeelen, zijn behendige jagers, hebben geene

vaste woonplaatsen, maar slapen daar, waar zij zich bevinden, als de

zon ondergaat. Al hunne goederen bestaan uit een boog, een bamboezen

pijlkoker en pijlen, een eind van de huid van het wilde zwijn en de

gordel, die de Spanjaarden de tapa rabo (staartdeksel) noemen. Men

beschouwt de Negritos als de oorspronkelijke bewoners der eilanden,

die door de tegenwoordige Indios werden aangevallen; deze hebben veel

gelijkenis met het Maleische ras, ofschoon zij van veel beter gehalte

zijn. De Negritos namen de wijk in de woester streken, naarmate de

Tagalezen naderden, maar er bestaat een ingekankerde haat tusschen

deze beide stammen. De Negritos zijn de wilden der Philippijnen

en in verscheidene stammen verdeeld; men zegt dat zij tusschen het

kannibalisme en de beschaving van den Indiaan verkeeren. Zij leven over

het algemeen van de wilde vruchten en gewassen, die weelderig groeijen,

ofschoon sommigen rijst bouwen en hunne velden irrigeren. Anderen

maken ijzeren wapens en de Itaneg behoeft, volgens de monniken,

slechts bekeerd te worden om in allen deele met de Indios gelijk te

staan. Dit ras is met Chineesch bloed vermengd en de Ifugaos met

dat der Japanezen. De meer ruwe wilden versieren hunne hutten met

de schedels hunner vijanden. De Apayos wonen in gemakkelijke huizen

en gebruiken geschaafde planken voor hunne vloeren, in plaats van de

gevlochten bamboes der Tagalezen. Zij drijven handel in was, cacao en

tabak en bedekken hunne woningen met Chineesch aardewerk. De Isinay

Negritos belijden de Christelijke godsdienst. Men schat het aantal

heidenen op het eiland Luzon op 200,000, terwijl men aanneemt dat

er op Mindanao 800,000 afgodendienaars en Muselmannen zijn. Het is

intusschen onmogelijk de gemengde rassen in al hunne vertakkingen

en bijzonderheden na te gaan. Onder de eigenaardigheden der wildere

stammen behoort de afscheiding van ieder der teenen, waardoor zij

zelfs kleine voorwerpen daarmede kunnen opnemen, zoodat, wanneer zij

iets laten vallen, zij met evenveel gemak de voeten als de handen

kunnen gebruiken; zij kunnen met het hoofd naar beneden, met hunne

voeten langs het want van een schip afdalen. Ook de groote teen is

veel verder van de andere gescheiden dan bij de blanke rassen. Zij

hebben een zeer fijnen reuk en kunnen zonder te spreken, iemands

gevoelens uit de ademhaling leeren kennen.

Ofschoon zij eene verzameling van goden en godinnen bezitten (want de

meeste hunner afgoden hebben vrouwen), vindt men bij hen geene tempels

evenmin als instellingen van openbare eeredienst. Zij raadplegen

waarzegsters (gewoonlijk oude vrouwen) bij ziekten of in moeijelijke

zaken; brengen offers door het uitstorten en vermenging van bloed,

drankoffers van gegiste dranken, maken hevige gebaren en roepen

Cambunian (God), de maan en de sterren aan, terwijl de ceremoniën

met overmatig eten en drinken eindigen. Zij offeren een varken om

de Godheid te bevredigen als het dondert en aanbidden den regenboog

na een storm. Vóórdat zij op reis gaan, ontsteken zij een vuur en

als de rook niet in de rigting gaat welke zij willen nemen, stellen

zij hunnen togt uit. De vlugt van vogelen wordt als een belangrijk

voorteeken beschouwd en de verschijning van een slang als dat van

een op handen zijnde ongeluk.

De bergstammen zijn aan geen' aanvoerder onderworpen, maar zij hebben

hunne bijzondere hoofden, barnaas genaamd, aan wie een zeker aantal

personen wordt toegewezen. Bij den dood van een barnaas worden de

darmen uitgehaald, nagezien en verbrand, ten einde door de kunst van

waarzeggen het toekomstige lot van den stam te voorspellen. Het lijk

wordt op een' stoel geplaatst, betrekkingen en vrienden uitgenoodigd

en een groot feestmaal bereid van de kudden en de rijstvelden des

overledenen, waarbij de deugden van den afgestorven barnaas door

vreugdekreten en gezanten worden verkondigd. Het banket eindigt met

verschillende buitensporigheden en zoowel mannen als vrouwen vallen

dronken of van vermoeidheid in slaap op den grond bij het lijk. Men

zegt dat het vleesch van den overledene onder de gasten wordt verdeeld,

en Buzeta verhaalt dat dit voor eenigen tijd te Tagudin (Zuid-Ilocos)

plaats heeft; maar daar hij dit aan de armoede van den overledene

toeschreef, die niets had nagelaten om voor het feestmaal te zorgen,

kon in dit geval de verdeeling van het vleesch bijna als eene eer

worden aangemerkt. De verhalen van het kannibalisme der inlanders zijn

niet te vertrouwen, daar men hen als ruwer wilden voorstelt dan zij

wezenlijk zijn. De wapenen van een krijgsman worden na zijnen dood

verzameld en zijne familie wil ze niet missen. Een stuk vaatwerk,

waarin wijn is gestort, wordt aan het einde van de lijkstatie

geplaatst, opdat het de deugd en de dapperheid van den overledene

moge inzuigen en zijne bescherming erlangen.

Wanneer er een moord plaats heeft, vereenigt de geheele stam zich om

den vermoorde te wreken. Krijgsgevangenen worden tot slaven gemaakt

en voor 10 tot 25 dollars elk verkocht. Oude mannen koopt men om op

hen de vergiftigde hoedanigheden of de scherpte van hunne wapenen

te beproeven. Overspel en een diefstal, ten derden male gepleegd,

worden met den dood gestraft. Veelwijverij is niet geoorloofd, maar

men ziet geen zwarigheid in echtscheiding.

Men vindt eene groote verscheidenheid van talen onder de wilde volken

in het binnenland; niet alleen zijn dialecten van de verschillende

stammen voor elkander onverstaanbaar, maar zelfs bepaalt zich soms

eene taal tot eene enkele familiegroep. Waar geen verkeer heeft plaats

gehad, vindt men ook geene overeenstemming. De menschen moeten zich

onderhouden en uit de noodzakelijkheid daarvan ontstaan talen. Hoe

verder men daardoor bij de studie der tongvallen in de oudheid

teruggaat, des te grooter zal men het aantal bevinden. De beschaving

heeft honderde misschien duizende tongvallen vernietigd en vermindert

nog altijd het aantal talen dat op de aarde gesproken wordt. Het

is dan ook geene ongegronde voorspelling, wanneer men beweert dat

in den loop der eeuwen het aantal talen zich tot eenige weinige zal

reduceren. De Fransche taal in Frankrijk; de Toscaansche in Italie;

de Castiliaansche in Spanje, de Saxische in Duitschland en de Engelsche

in Groot-Brittannië, zijn de hoofdtalen van het volk geworden en hebben

langzamerhand de menigte tongvallen vervangen, die een paar geslachten

te voren in gebruik waren. Adelung verzamelde de namen van bijna

4,000 gesproken en bestaande talen, maar eene lijst van die, welke

door den tijd zijn vernietigd, zou eene nog veel grooter reeks beslaan.

Dat zulke groote gedeelten der eilanden door onafhankelijke stammen,

hetzij heidenen of Mohammedanen, moeten bewoond worden, is niet te

verwonderen, wanneer men het geographische karakter van het land

beschouwt. Vele plaatsen zijn ontoegankelijk voor lastdieren; de

valleijen onverdragelijk heet, de bergen open en koud. Er bestaat

ook groote onwetendheid omtrent de plaatselijke gesteldheid en

de Spanjaarden worden soms verrast door onbekende hinderlagen in

bergpassen en ravijnen. De bosschen, waardoor de inlanders als

konijnen gaan, zijn dikwijls ondoordringbaar voor Europeanen. Geene

enkele poging is gelukt om de «afgodendienaars» uit deze bosschen

en bergen naar de vlakten te drijven en ze daar te onderwerpen, te

belasten en te kwellen. Toch klaagt men dat deze barbaren zich in

het koninklijke monopolie van tabak mengen, dien zij in de provinciën

trachten te smokkelen. «Commiezen en troepen--zegt de Mas--zijn belast

die misbruiken te voorkomen, maar deze beschermers plegen zoovele

knevelarijen op de Indianen en veroorzaken zooveel ontevredenheid,

dat een onderzoek noodig wordt en de moeijelijkheden nog altijd

blijven bestaan.» Op sommige plaatsen verderven de afgodendienaars

«de rustige Christen bevolking» en maken de wegen onveilig voor

reizigers. De Mas heeft uit verschillende bronnen berigten geput,

waaraan ik eenige bijzonderheden ontleen, maar het schijnt mij toe

dat men te veel algemeene toepassing maakt op de niet-onderworpen

stammen, die op verschillende trappen van beschaving en barbaarschheid

staan. De Tinguianes van Ilocos bebouwen uitgestrekte rijstvelden,

hebben groote kudden vee en paarden en drijven een belangrijken handel

met de naburige Christen bevolking. Men zegt dat de Chinesche type in

dezen stam opmerkelijk is. De vrouwen dragen een aantal braceletten,

die den arm van de pols tot aan den elleboog bedekken. De grootste

Tinguiaansche vloek is: «Moge gij slapende sterven,» dat wil zooveel

zeggen als: «Moge uw sterfbed niet bezongen worden.» Het is eene

beleediging wanneer de eene Indiaan tot den anderen zegt: «Malubha

ang Caitiman mo», (groot is uwe zwartheid [negregura]. De Indianen

noemen de Afrikanen Pogot.

Men vindt vele Albinos op de Philippijnen. De inlanders noemen hen

zonen van de zon; sommigen zijn blank, andere gekleurd en nog andere

hebben strepen op de huid. Over het algemeen bezitten zij weinige

intellectuele bekwaamheden.

Buzeta geeft de volgende ethnologische tabel, waaruit men de

ligchamelijke eigenaardigheden kan leeren kennen van de verschillende

stammen in de Philippijnen:

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 17 / 58 题