In Oceanië zijn de koningen nu juist geene zeldzaamheid, maar deze

George I onderscheidt zich toch in sommige opzichten voordeelig

van zijne talrijke mede-souvereinen. Meermalen stonden europeesche

bezoekers verbaasd over de mate zijner kennis, vooral van militaire

zaken. Daar de Tonga-eilanden door engelsche zendelingen werden bekeerd

en beschaafd, voerden zij er natuurlijk het parlementaire stelsel in;

en zoo heeft ook koning George een parlement naast zich, bestaande uit

een huis der edelen en eene wetgevende vergadering!--Der menschelijke

dwaasheid is toch inderdaad geen grensgesteld!--Deze beide doorluchtige

vergaderingen zijn echter, even als de inlandsche ministers, niets

anders dan werktuigen in de hand van den slimmen eersten minister,

die vermoedelijk ook den koning zelven om zijn duim windt, den heer

William Baker. Door het protestantsche zendelinggenootschap van Sidney

naar de Tonga-eilanden gezonden om daar het Evangelie te verkondigen

en tevens een handelshuis te stichten, vergat de eerwaarde Baker

de verplichtingen die hij op zich genomen had en behield de winst

der onderneming voor zich. Het genootschap van Sidney, dat hem geld

geleend had, zette hem af en benoemde een ander in zijne plaats;

Baker wreekte zich door de partij der Duitschers te kiezen en zich

tot agent te laten benoemen van het huis Godefroij te Hamburg, dat den

geheelen handel der Tonga-eilanden in handen heeft. Het was zeker ook

niet buiten zijn toedoen, dat koning George zich en zijn rijk onder

het protektoraat van den Keizer van Duitschland heeft gesteld.

Nukualofa, waar koning George woont, is de officieele hoofdstad van

zijn rijk. Men vindt er veel europeesche huizen, want het aantal

Europeanen, vooral duitsche handelaars en planters, is op Tonga zeer

aanzienlijk; de handel breidt zich gestadig uit, en de tijd kan niet

verre meer zijn, waarop het inlandsche element hier geheel zal zijn

overvleugeld.

Wij mochten niet van het heilige eiland scheiden zonder een bezoek aan

Mua, den ouden zetel der Tuï-Tonga, en tevens een van de voornaamste

posten der katholieke missie. Op uitnoodiging van Mgr. Lamaze

begaven alle officieren van de _Manua_ zich daarheen. Drie fransche

missionarissen zijn daar gevestigd. De overste, de heer Chevron, die

den laatsten Tuï-Tonga tot het katholicisme heeft bekeerd, is meer

dan vijf-en-zeventig jaren oud, maar ondanks dien hoogen ouderdom

nog helder van hoofd en opgeruimd. Het beeld van dien eerwaardigen

grijsaard zal niet licht uit het geheugen zijner gasten wijken.

De vierhonderd bewoners van het dorp Mua zijn tegenwoordig allen

katholiek; buiten de oude vestingwerken der voormalige residentie

van de Tuï-Tonga, wonen de protestantsche bekeerlingen in eene

afzonderlijke buurt. De Katholieken van Mua schijnen voor hunne

geestelijke herders een grooten eerbied te koesteren; de kerk en

het huis der missionarissen werden vrijwillig en kosteloos door

hen gebouwd.

Wij waren getuigen van een inlandsch feest, waarvoor de bevolking zich

in hare fraaiste kleeren had gedost, en waarvan dansen natuurlijk

het middelpunt vormden. Deze dansen kwamen geheel overeen met die,

welke ik op de Samoa-eilanden gezien had; het is dus niet noodig,

ze op nieuw te beschrijven.

De kommandant en de officieren van de _Manua_ zaten met den

bisschop onder de veranda van het missiehuis, als toeschouwers van

het feest. Gu-Wellington, de oudste zoon van koning George, voegde

zich weldra bij ons, tot blijkbare ergernis van een nieuwen gast,

den zoon van Tongi, den voormaligen vorst van het oostelijk gedeelte

des eilands. Deze zoon van Tongi, die beweert van koninklijken bloede

te zijn, wilde niet de eereplaats afstaan aan den zoon van George,

die met ijzeren hand de macht van de hooge aristocratie gebroken

heeft; hij stond op en ging heen. Zelden zag ik een zoo schoon man;

zijn houding en gang trof ons allen door natuurlijke majesteit. Rijzig

van gestalte, trad hij langzaam voort, op romeinsche wijze gedrapeerd

in een wijden mantel van tapa, en gevolgd door tien bedienden, die

achter elkander liepen.

In den omtrek van Mua zag ik verschillende graven van Tuï-Tonga,

groote terpen, omringd door kolossale platte steenen. Als men door

de struiken heendringt, waarmede deze terpen zijn begroeid, vindt

men een hoop zand, met scherven van koraal vermengd: dat is het

eigenlijke graf. Een mijl oostwaarts van Mua wezen de inboorlingen

mij een reusachtig monument, even als de dusgenoemde _dolmens_, uit

drie geweldige steenklompen gevormd. Ook de missionarissen kunnen

zich den oorsprong van dit raadselachtig gedenkteeken niet verklaren.

Voor mijn vertrek van Tonga verkreeg ik eene audiëntie bij koning

George, die voor deze gelegenheid versierd was met het grootkruis van

de pruissische orde van den Zwarten Adelaar, hem door Keizer Wilhelm

geschonken. De schoenen, waarmede Zijne Majesteit zich nooit heeft

kunnen verdragen, hinderden den koning blijkbaar geweldig; ik had

medelijden met hem en maakte spoedig een einde aan mijn bezoek.

Ik bracht ook een bezoek aan Gu-Wellington, den kroonprins, wiens

huis een uitdragerswinkel gelijkt: overal ziet men langs de wanden

portretten, wapenen, blaasinstrumenten, snuisterijen van allerlei aard,

een onbeschrijfelijken rommel. De prins spreekt zeer goed engelsch.

De prins toonde vrij wel op de hoogte te zijn van de verhoudingen

tusschen de europeesche mogendheden, die elkander ook hier het

overwicht betwisten, en sprak met ingenomenheid over de Franschen. Was

hij daarin oprecht?

Deze eilanders, wier ouders nog volslagen wilden en menscheneters

waren, nemen thans tegenover de Europeanen, wier meerderheid zij hebben

leeren kennen en tegen wier overmacht zij weten zich niet te kunnen

verzetten, de plichten der gastvrijheid in acht. Geen blanke die deze

eilanden bezoekt, behoeft eenig gevaar te vreezen; de bevolking heeft

zelfs voor een deel europeesche gewoonten aangenomen; en behalve het

parlementaire stelsel, hebben wij haar ook vuurwapenen, brandewijn

en sommige noodlottige ziekten ten geschenke gegeven. Ondanks de

betrekkelijke zegeningen, door dikwijls zeer welmeenende, maar

zeer onverstandige en in hooge mate eenzijdige mannen aan deze

natuurkinderen geschonken,--die men plotseling uit den staat van

volkomen barbaarschheid heeft willen overbrengen op het standpunt,

waarop na eeuwenlange voorbereiding en ontwikkeling de christelijke

volken van westelijk Europa staan;--ondanks die betrekkelijke

zegeningen en weldaden, is de aanraking met de blanken voor de

stammen van Polynesië verderfelijk geweest, en is het wel aan geen

twijfel onderhevig, dat zij juist ten gevolge van die aanraking en

de daardoor veroorzaakte geweldige omkeering in hun gansche bestaan,

in hun levensbeginsel doodelijk getroffen en onherroepelijk ten

ondergang gedoemd zijn. De afstand tusschen de beide rassen, die

aldus eensklaps met elkander in aanraking werden gebracht, was veel

te groot om inderdaad samenwerking en gemeenschappelijke ontwikkeling

mogelijk te maken; het eene heeft het andere niet noodig en heeft niets

te ontvangen; de inboorlingen staan, onder elk opzicht, weerloos en

machteloos tegenover de blanken, aan wie zij inderdaad niets te bieden

hebben. Onder zulke omstandigheden is de uitslag der ontmoeting niet

twijfelachtig: het lagere ras zal worden overvleugeld en verdrongen,

om in het eind te verdwijnen.

Gevoelen zij zelven hiervan iets? Ik weet het niet; maar dit is

zeker, dat de inlanders, in spijt van hunne vriendelijkheid en

voorkomendheid, ons innerlijk verachten en met zekeren trots, den

trots der natuurkinderen op hunne nog ongebroken kracht, op ons

neerzien. Men verhaalde mij daarvan een aardig staaltje.

Toen Mgr. Lamaze van Rome, waar hij de wijding ontvangen had, was

teruggekeerd, had, als naar gewoonte te Maofaga, de plechtigheid

van den handkus plaats. Den volgenden morgen meldde een katholiek

inboorling zich bij den bisschop aan, en deelde hem mede, dat zijne

protestantsche stamgenooten hem en de andere Katholieken bespotten,

omdat zij de hand van den prelaat hadden gekust.

Den volgenden zondag beklom de bisschop den preekstoel, en sprak

ongeveer het volgende: "Vroeger kustet gij den voet van den Tuï-Tonga;

de Katholieken kussen den voet van den Paus: hierin is dus niets

vreemds. Nu nog kust gij de hand van koning George, die in rang op

den Tuï-Tonga volgde; de bisschoppen volgen in rang op den Paus: het

is niet meer dan natuurlijk dat de Katholieken hun de hand kussen...."

Na afloop van de preek verscheen dezelfde man weer aan de missie en

zeide tot Mgr. Lamaze:

"Gij hebt mijne vraag niet begrepen, Monseigneur."

"Hoe dat?" hernam de bisschop.

"Wel, de anderen bespotten ons niet omdat wij met onze lippen uwe

hand hebben aangeraakt, maar zij zien verachtend op ons neer, omdat

uwe hand _blank_ is!"

Van de Tonga-eilanden zetten wij koers naar den Fidji-archipel, die,

zoo als men weet, eene engelsche bezitting is. Wellicht deel ik u

later daarvan het een en ander mede.

Omzwervingen door de eilandenwereld van den Grooten-oceaan De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 3 / 3 段