De raad der opperhoofden van Mangia neemt geen enkel besluit

Omzwervingen door de eilandenwereld van den Grooten-oceaan.

I

De Tubuaï eilanden.

Reeds meermalen brachten wij een bezoek aan een der schier tallooze

eilandengroepen, die daar in den Grooten-oceaan liggen uitgestrooid

als het zaad op den akker, of als de sterren aan den nachtelijken

hemel. Maar deze eilanden wereld is, onder meer dan een opzicht,

zoo merkwaardig en geeft ons zulke geheel eigenaardige toestanden

te aanschouwen, dat het wel de moeite waard is, nu en dan, ter

afwisseling, onze schreden daarheen te richten. Zoo noodig ik dan nu

mijne lezers uit, mij te vergezellen naar vier groepen van eilanden,

welke wij tot dusver niet hebben bezocht.

Wij waren eerst sedert ettelijke dagen te Tahiti, toen de kommandant

van het eskader der Stille-Zuidzee bevel gaf, met de _Manua_ een

bezoek te gaan brengen aan de groep van de Tubuaï-eilanden en aan

Cooks-archipel.

De Austraal- of Tubuaï-eilanden zijn slechts vier in getal: Wawitu,

Tubuaï, Rurutu en Rimatara; de twee eersten behooren tot de fransche

bezittingen; de beide anderen zijn nog onafhankelijk en worden

geregeerd door zoogenaamde koningen of vorsten, die zelven niet anders

zijn dan werktuigen in de hand der engelsche zendelingen.

Rurutu maakt, vooral als men van Tahiti komt en het verrukkelijk

schoone panorama van dat paradijsachtige weelderige eiland ons nog

levendig voor den geest staat, geen aangenamen indruk; naar de kale

naakte bergtoppen te oordeelen, zou men het eiland voor eene dorre

wildernis houden. De kust is zoo hoog, dat men die, bij helder weer,

op twintig mijlen afstands in zee kan onderscheiden; wie haar te dicht

zou willen naderen, zou zich aan de grootste gevaren blootstellen:

overal toch is die kust omringd door een gordel van riffen, waarop de

golven van den Oceaan met felle branding breken. De sloep, waarmede

ik mij naar den wal begaf, kon zich niet dan met eenige moeite een

weg door die branding banen; de geul, die wij te midden der banken

en riffen volgden, werd gevormd door het zoete water eener kleine

rivier, welke zich in zee uitstort. Deze smalle geul, die zich als

een donkerblauw lint tusschen de smaragdgroene koraalriffen slingert,

voert naar het strand, waar de sloep, door eene bekwame hand bestuurd,

weldra veilig aanlandde.

Naarmate wij de kust naderden, ontvouwde zich voor ons het panorama

van het eiland, waarvan alleen de vlakte en de voet der heuvelen

begroeid zijn. Tusschen de ijzerboomen met hun zwarten stam en schraal

gebladerte, de pandanusboomen met hun grillig gevormde takken, en

de sierlijke kokospalmen, bespeurde ik de huisjes van het dorp, door

beschilderde palissaden omringd. Aanstonds blijkt dat de temperatuur

hier minder hoog is dan op Tahiti. De doorluchtige woningen van

dat toovereiland, die bevallige hutten van vlechtwerk van bamboes,

waardoor de lucht vrij suizen en spelen kan, zouden voor de bewoners

van Rurutu niet geschikt zijn. Zij hebben plankenwoningen noodig:

ja, wat meer zegt, al de vensters zijn van glasruiten voorzien, een

ongehoord iets in Polynesië. Ongetwijfeld hebben deze woningen, hoe

eenvoudig ze ook mogen zijn, van de inboorlingen geene geringe mate

van moeite en inspanning gevorderd. Polynesiërs die arbeiden!--dat

is inderdaad een zeer zeldzaam verschijnsel, en ik mag niet nalaten

daarop te wijzen als op eene eigenaardigheid, welke de inboorlingen van

Rurutu van hunne stamgenooten van de Gezelschaps-eilanden onderscheidt.

Ik begaf mij aanstonds naar het belangrijkste dorp van het eiland, dat

naar mij voorkwam weinig bevolkt is; volgens de door onzen tolk--dien

wij van Tahiti hadden medegenomen--ingewonnen inlichtingen, zou de

geheele bevolking van het koninkrijk Rurutu, blijkens eene voor twee

jaren door de zendelingen gehouden volkstelling, niet meer bedragen

dan tusschen de vijf- en zeshonderd zielen. Op eene wandeling in de

omstreken van het dorp trof het mij, dat vele woningen blijkbaar sedert

lang verlaten en ledig waren; waar vroeger talrijke gezinnen leefden,

zag men nu niets anders dan dicht kreupelhout, en nu en dan een graf,

overschaduwd door prachtige boomen, echte woudreuzen met forsche,

ver uitgespreide takken. Daar, te midden der vrije natuur, sliepen

de voorvaderen van den stam in hunne eenvoudige graven.

Even buiten het dorp staan, dicht bij elkander, het paleis van den

koning en de protestantsche kerk. Op Rurutu is, merkwaardig genoeg,

het wereldlijk en het geestelijk gezag nog in ééne hand vereenigd:

Teuruarii, de schoonste man van het eiland, is, zij het dan ook

op zeer kleine schaal, geestelijk en wereldlijk souverein. De

zendelingen, die de inwoners van de Tubuaï-eilanden hebben bekeerd,

hebben ook inlandsche leeraars en onderwijzers gevormd, aan wie

zij de verdere voltooiing van hunne taak hebben overgedragen.--De

kerk, van hout getimmerd, onderscheidt zich door niets bijzonders:

zij is een publiek lokaal, waar het volk samenkomt om te bidden, te

zingen en te luisteren naar de preeken van den koning, die tevens

den Bijbel weet uit te leggen.--Het paleis des konings is zeer

eenvoudig gemeubeld: de vloer is belegd met pandanusmatten; in eene

der kamers zag ik pannen en potten en ander keukengereedschap, dat

van een vrij hoogen trap van beschaving getuigde. Vooral werd mijne

aandacht getrokken door het koninklijk ledikant, van _tomanu_planken

getimmerd, en bij wijze van matrassen voorzien van eenige lagen boven

elkander gestapelde matten.--Toen ik het paleis binnentrad, was de

koningin juist bezig, aan den vermoedelijken troonopvolger de borst

te geven. De etiquette aan het hof van Rurutu is niet bijzonder streng

en getuigt voor de vrijzinnige denkbeelden van Teuruarii: eene zijner

vrouwelijke bloedverwanten, in volkomen deshabillé, lag voor de voeten

der koningin op den grond te slapen. Van eene lijfwacht was niets te

bespeuren: tenzij als zoodanig de twee dikbuikige inlanders moesten

gelden, die voor de deur zaten te rooken en te soezen.--De vorstinnen

ontvingen mij met de meest mogelijke beleefdheid. Zijne Majesteit,

die kokosnoten was gaan plukken, bood er mij een aan, waarvan ik

zonder eenige vleierij kon getuigen dat zij heerlijk smaakte. Om

zijnerzijds niet onder te doen voor de beleefdheid van den kommandant,

die hem eenige nuttige geschenken, waaronder enkele stukken katoen,

gezonden had, zocht de goede Teuruarii de mooiste vruchten en groenten

van zijn tuin uit, om die den admiraal aan te bieden. Daarmede nog

niet tevreden, voegde hij er zelfs twee kippen en twee varkens bij.

De inboorlingen, die ik te Rurutu gezien heb, komen uit een

anthropologisch oogpunt het meest overeen met het zoo opmerkelijke

ras dat Tahiti bewoont. Echter bedraagt de lengte van de mannen op de

Tubuaï-eilanden gemiddeld niet meer dan een el zeventig duim, terwijl

in den archipel der Gezelschapseilanden de gemiddelde lengte voor

de mannen een el negentig duim bedraagt. Wanneer ik de schoonheid

der bewoners van Tahiti roem, dan bedoel ik daarmede uitsluitend

het mannelijk geslacht; de vrouwen mogen dikwijls aanminnig zijn,

schoon in den waren zin des woords zijn zij bijna nooit.

De kleeding is op de Tubuaï-eilanden overal dezelfde en mist geheel de

artistieke bevalligheid van de vroegere draperieën van tapa, die naar

oud-griekschen trant over de schouders werden geworpen. De kleeding

der vrouwen bestaat uit eene wijde jurk of peignoir; in huis en als

zij arbeiden, dragen zij niets anders dan een _pareo_, een soort van

rok, bestaande uit een lap, welke om de heupen bevestigd wordt en

tot beneden de knieën reikt. De mannen dragen ook dien pareo en ook

een europeesch hemd, dat dan over den pantalon hangt.

Rimatara, dat ik vervolgens bezocht, is dertig mijlen van Rurutu

verwijderd; dit eilandje heeft slechts eene lengte van anderhalve mijl

bij eene breedte van eene mijl. Ook hier is de kust omsloten door een

gordel van koraalriffen; reeds uit de verte ziet men de hooge golven,

die op deze klippen breken en in wolken schuim uiteen spatten.--Het

hoogste punt van Rimatara stijgt niet boven de honderd el; een boschje

van mangoboomen kroont deze hoogte en valt van alle zijden aanstonds

in het oog. Kokospalmen en andere boomen ontspruiten tot zelfs op de

koraalriffen, die het strand omzoomen.

De grond van Rimatara is zeer vruchtbaar; de schepen zouden hier

overvloed van vruchten en andere levensmiddelen kunnen vinden,

maar de onherbergzame kust biedt nergens eene veilige ankerplaats

aan. Goëletten van Tahiti, die onder fransche vlag varen, drijven

handel tusschen Rurutu en Rimatara, maar zonder aan het laatste eiland

aan te leggen. De bevolking, uit ongeveer honderdvijftig zielen

bestaande, levert jaarlijks gemiddeld voor den uitvoer omstreeks

honderd ton aan koopwaren, met name katoen en arrowroot.

Wij voeren langzaam om het eiland heen; eene landing ging ook voor de

sloepen met groote bezwaren gepaard, en het gelukte den inboorlingen

niet, hunne prauwen in zee te brengen, ten einde ons eene landing

te vergemakkelijken. De kommandant alleen ging een officieel

bezoek afleggen bij de koningin Tamaëva. Men hoopte aan boord op

de milddadigheid van deze vorstin, maar zag zich in die verwachting

teleurgesteld: de sloep bracht slechts eenige vruchten en een ouden

haan mede. Trouwens de vrijgevigste en beminnelijkste koningin van

de wereld kan niet meer geven dan zij zelve heeft.

Bij een tweede tochtje, kort daarna ondernomen, had ik gelegenheid de

beide fransche eilandjes Tubuaï en Wawitu of Laïwawaï te bezoeken. Aan

boord van de _Manua_ bevonden zich toen twee passagiers, die,

zij het ook krachtens verschillenden titel, het beginsel des gezags

vertegenwoordigden: een gendarme, die als resident zijn post op Tubuaï

ging betrekken, en een inlandsen hoofd van Laïwawaï, die naar zijn

vaderland terugkeerde. De gendarme was een echt type van den ouden

kolonialen soldaat; hij had reeds vele jaren op de Markiezen-eilanden

doorgebracht en sprak het maori als een geboren Kanake. Het opperhoofd,

een fraai gebouwd man, met fijne en regelmatige gelaatstrekken,

was eerst twee- of drie-en twintig jaren oud en maakte een zeer

gunstigen indruk. De helft van de bevolking van Laïwawaï gehoorzaamde

aan zijn gezag. Daar de fransche regeering tot dusver geen resident

op dat eiland had gehad, was aan de beide hoofden, die over het

eiland regeerden, de zorg opgedragen voor de bewaring der vlag,

voor de handhaving der orde, de rechtspleging enz. Sedert werd het

bestuur over de fransche eilanden van de Tubuaï-groep bepaaldelijk

opgedragen aan een luitenant ter zee, die het bevel voerde over een

goëlet van het station van Tahiti.

De toegang tot het eiland Tubuaï, dat aan den archipel zijn naam

geeft, is voor groote schepen zeer gevaarlijk. De _Manua_ moest dus

op een eerbiedigen afstand van de kust het anker uitwerpen, en op de

vrij hooge golven heen en wier wiegelen, ten einde aan den gendarme

gelegenheid te laten om zich naar de wal te begeven. Zijne geheele

bagage, bestaande uit een half dozijn groote koffers, uit eenige

meubelen, geweren, hoeden, ook de traditioneele zevenmijls-laarzen

niet te vergeten, werd in de boot geladen. Daar ik de vaste gewoonte

had, van elke gelegenheid om onbekende streken te zien te profiteeren,

ten einde, al ware het slechts voor eenige uren, de eentonigheid van

het leven aan boord af te breken, nam ik mede plaats in de boot. Wij

hadden den wind tegen en moesten roeien: de tocht duurde twee volle

uren.... Ik kreeg bijna een zonnesteek, terwijl de weerspiegeling

van de zonnestralen op het water zoo onuitstaanbaar was dat ik mijne

oogen niet open kon houden. Eindelijk stapten wij aan land. Ik dacht

op Tubuaï eene fransche nederzetting te vinden en een aardig dorpje,

schilderachtig onder het geboomte genesteld, als op Rurutu. Welk

eene teleurstelling. Het eiland telt nog slechts driehonderd-veertig

inwoners, en het voornaamste dorp, eene verzameling van eenige

armzalige hutten, ziet er vuil en ellendig uit. Naar het schijnt,

brengen de inboorlingen twee dagen van de week door met het bereiden

van zoogenoemden oranjewijn, en de overige met het drinken van

dien wijn.

Een zwaar belommerde weg loopt rondom het eiland. Ik trad op goed

geluk een der hutten, waarvan de deur open stond, binnen. Drie

vrouwen, die stomdronken waren, rookten eene cigarette van wilde

tabak in een pandanus-blad gewikkeld, en wentelden zich om en om op

een houten bed, met smerige gescheurde matten belegd; ik keerde mij

dadelijk om, meer dan tevreden met dit kijkje op de plaatselijke

gewoonten. Ik beklaag den gendarme, aan wien de taak is opgedragen

om de inboorlingen van Tubuaï te regeeren en tot andere menschen te

maken. Die goede man kwam daar met een in de tahitische taal gedrukt

fransch wetboek! Wat moet hij in 's hemels naam daarmede uitvoeren? en

welke resultaten zijn van zijn arbeid te wachten? Misschien zal hij,

om zijn gezag te toonen en krachtig op te treden, woedende plakkaten,

vol dreiging en moord tegen de dronkenschap, laten aanplakken aan de

bamboezen wanden van het bedehuis; maar welke middelen heeft hij om

die fraaie wetten en verordeningen te handhaven? En al had hij die,

welke wezenlijke hervorming meent men toch wel dat hij tot stand zou

kunnen brengen? Dit ras is onherroepelijk ten ondergang gedoemd.

Van Tubuaï begaven wij ons naar Laïwawaï, ook Wawitu of Raiwawaë

genoemd; bij de Engelschen bekend onder den naam van High-Island,

omdat dit eilandje het hoogste van de geheele groep is. De ligging van

het eiland was op de kaarten niet goed aangewezen; bovendien dreef

eene zeer sterke strooming ons naar het westen: het gevolg van een

en ander was, dat wij eerst tegen den avond van den volgenden dag de

plaats onzer bestemming bereikten, te laat om nog aan wal te gaan. Wij

moesten dus het aanbreken van den dag afwachten. Ik bracht den avond

door in gesprek met het inlandsch opperhoofd, die mij uitnoodigde

een bezoek aan zijn rijk te brengen. Ten zes uren begaven wij ons,

met den kommandant en nog een der andere officieren, naar den wal.

De jeugdige vorst, die zich behoorlijk met monoï (kokosolie met

welriekend santalpoeder vermengd) had geparfumeerd en zijn mooiste

kleederen aangetrokken, was buiten zich zelven van vreugde, nu hij weer

naar zijn land terugkeerde. De Polynesiërs houden wel van reizen, maar

toch is de liefde voor hun land diep in hun hart geworteld; als zij

aan den horizon hun eiland zien opdoemen uit de onmetelijke wateren,

toonen zij nog altijd eene naïeve, echt kinderlijke vreugde. Toen

wij nog twee mijlen van de haven verwijderd waren, zeiden wij tot

onzen passagier, dat wij rechtstreeks naar Rapa zouden doorvaren,

zonder zijn eiland aan te doen; hij trok daarop heel kalm zijn hemd

uit en beduidde ons dat hij er dan heen zou zwemmen.

Ik denk nog met genoegen terug aan dat bekoorlijke eiland, met zijne

hooge romantische kust, zijne fraai geteekende, met bosschen bedekte

bergen en heuvelen, met zijne weelderige flora. Tusschen den gordel

van riffen en de kust strekt zich een binnenmeer uit, dat op sommige

punten drie tot vier mijlen breed is, en dat eene uitmuntende haven

zou kunnen zijn, indien men slechts een toegang maakte door eenige

rotsen te laten springen.

Bij onze komst werden wij verwelkomd door eene muziek, die mij dadelijk

aan onze kermissen denken deed. Een half dozijn mutoïs (inlandsche

politie-beambten) sloegen uit alle macht op een turksche trom van

amerikaansch maaksel en op twee tamboerijnen; achter hen volgden

de bewoners van het dorp. De vorst ontving ons in zijne woning;

fauteuils van roting werden voor eene tafel geplaatst, waarop de

mooiste meisjes van het land kalebassen nederzetten, met bananen en

geschilde oranjeappelen gevuld.

Terwijl de kommandant een gesprek aanknoopte met een Portugees, den

eenigen Europeaan die op het eiland woonde, stelde de vorst mij met

groote vriendelijkheid voor aan de notabelen en aan de vele schoonen

van zijn rijk, die van alle kanten kwamen aangeloopen, om hem met zijne

behouden tehuiskomst geluk te wenschen. De vrouwen van Laïwawaï hebben

in haar gang en beweging iets zeer bekoorlijks. Met een glimlach om

de lippen, met eene sierlijke houding, met de rechterhand den langen

sleep van haar peignoir ophoudende, boden zij ons cigaretten van

pandanus aan, die zij zelven met hare dunne vingers hadden gemaakt,

en die voor het meerendeel half waren opgerookt. Men zeide mij,

dat het aannemen van de half opgerookte cigarette als een bewijs van

kiesche beleefdheid gold.

Ondanks de hitte deed ik eene heerlijke wandeling in de prachtige,

geheel belommerde laan, die langs de kust loopt, en waarin eene

verkwikkelijke koelte heerschte. Dit eiland onderscheidt zich zeer

gunstig van Tubuaï. De broodboom groeit hier niet, maar de taro

voorziet in bijna alle behoeften der inwoners, wier aantal ter

nauwernood tweehonderdvijftig bedraagt. Zoo arm en ellendig als het

er op Tubuaï uitziet, zoo welvarend en aangenaam is het hier. De

inlanders hebben blijkbaar alles wat zij behoeven; het is waar, dat

hunne behoeften niet vele zijn en dat zij nooit iets anders drinken

dan kokosmelk. Hunne matigheid is zeer zeker de hoofdoorzaak van

hunne welvaart.

II

Cooks-Archipel.

Reeds waren twee dagen verloopen sedert ons vertrek van Rimatara,

toen de man op den uitkijk ons land aankondigde; de nevel had tot

dusver het eiland aan ons oog onttrokken, maar nu brak de zon door

de wolken en strooide haar goud en diamanten op de stralende wateren

van de terecht zoo genoemde _schoone zee_.

Weldra bespeurde ik aan den horizon de tweehonderd el hooge

bergen en de steile kusten van het eiland Mangia; een driemaster,

de _John Williams_, laveerde statig aan bakboordzij. Dit was

het eerste zeilschip, dat wij sedert ons vertrek van Valparaiso

ontmoetten.... Slechts wie geruimen tijd in Oceanië vertoefd heeft, kan

zich een denkbeeld maken van die ontzaglijke aangrijpende eenzaamheid

van den onmetelijken Stillen-oceaan.

De eilanden Rarotonga, Mangia, Mauti, Watioe, Mittiero, Hervey,

Fenoea-iti en Oeïtoetaté, die te zamen den dusgenoemden Cooks-archipel

vormen, zijn tot dusver nog onafhankelijk, ondanks de zeer ijverige

propaganda van de engelsche zendelingen, wier post hier reeds in

1821 door John Williams werd gesticht. Wil men de verzekeringen

van de opvolgers van dien man gelooven, dan zouden de wesleyaansche

zendelingen zoo spoedig en zoo volkomen geslaagd zijn in hunne poging

om de anthropophagen van deze eilanden tot hun geloof te bekeeren, dat

er voor de katholieke missionarissen niet de minste kans bestond om hun

invloed en gezag te bestrijden. Maar al wat deze evangeliepredikers

verkondigen, is daarom nog geen Evangelie. Voor de meesten hunner

is de godsdienst niet anders dan een zeer krachtig hulpmiddel om de

politieke macht van Engeland uit te breiden; zij maken zich meester

van alle gezag en beheerschen de gewetens der vorsten. De door en

door mercantiele geest van verreweg de meesten dezer zendelingen

is zoo algemeen bekend, dat ik daarover niet behoef te spreken. De

beruchte zendeling-apotheker Pritchard was in zijn tijd een type van

deze klasse van lieden.

Toen wij nog ettelijke mijlen van het strand verwijderd waren,

bespeurden wij eenige prauwen met inlanders, die een walvisch

vervolgden. Velen hunner hadden, in plaats van een harpoen, eene lange

lans van ijzerhout met metalen punt. De stoutmoedigheid dezer inlanders

is inderdaad verbazend: met hunne primitieve vaartuigen, uit uitgeholde

boomstammen bestaande, wagen zij zich dikwerf in volle zee. Eene der

prauwen scheidde zich van de groep af en draaide met verwonderlijke

snelheid om de _Manua_ heen, dank zij het groote driekantige zeil,

waarin de wind met volle kracht blies. Maar daar wij onze vaart

vertraagden, ten einde niet op de banken en ondiepten te vervallen,

die Mangia aan alle kanten omringen, namen de inboorlingen met luid

geschreeuw afscheid van ons, en het brooze vaartuig voer recht naar

de branding toe. Ik nam mijn verrekijker en was alzoo getuige van

eene eigenaardige vertooning, de _gorué_, eene uitspanning, die ge

niet zonder huivering kunt aanschouwen.

De prauw werd op het rif gezet, en verschillende jongelieden sprongen

uit het vaartuig en doken in de opening tusschen de koraalriffen, juist

op de plek waar de branding het hevigst was en de zee een draaikolk

geleek. Naderhand vertelde men mij, wat de _gorué_ eigenlijk is. De

duikers zijn gewapend met een plank van drie of vier voet lengte

en wachten, op die plank uitgestrekt, tot eene machtige golf hen in

de hoogte zal tillen. Op het oogenblik waarop de golf hen aanraakt,

weten zij met eene vlugge beweging er zich boven op te werken, en in

een oogwenk worden zij tot bij het strand medegevoerd. Een Europeaan

zou gewis verpletterd worden; de inlanders, die als bruinvisschen

zwemmen en duiken, maken zich los van de golf juist als zij tegen

de rotsen gaat breken, en zwemmen weer terug, om hetzelfde spel te

hervatten. Naar men mij verhaalde, nemen zelfs vrouwen en kinderen

daaraan deel.

Mangia heeft misschien dertig mijlen in omtrek. De grond is uiterst

vruchtbaar en voor een groot deel met bosch bedekt; het eiland wordt

zeer goed bebouwd door inlandsche planters, die van de lessen en het

voorbeeld hunner europeesche onderwijzers uitmuntend partij hebben

weten te trekken: dat resultaat verdient te meer waardeering, omdat

de Mangianen van zuiver maöri-ras zijn. De vierduizend inwoners van

het eiland houden zich alleen met landbouw bezig, en hunne plantages

maken den besten indruk.

De woningen der inlanders, van hout getimmerd, zijn voor het meerendeel

met kalk gewit, hetgeen een uitmuntend voorbehoedmiddel is tegen het

felle branden der zonnestralen. Elke woning is omringd door een lagen

muur van koraalblokken, waarvan de melkwitte kleur scherp afsteekt

bij het donkergroen der tropische planten. De eigendomsrechten zijn

nauwkeurig omschreven; de grond heeft hier eene wezenlijke waarde.

De woning van den protestantschen leeraar op Mangia voldoet aan alle

vereischten van comfort in een heet klimaat, waar de eenvoud van het

ameublement eene wezenlijke voorwaarde van de gezondheid is. Het huis

is ruim en boven den grond verheven; een woud van kokospalmen, mango-

en broodboomen bedekt den heuvel, tegen welks helling de cottage is

gebouwd. Bij het doorwandelen van de heerlijke lanen van het park, dat

tot de pastorie behoort, zou men kunnen denken, op het buitengoed van

een of ander landedelman te zijn. Welk een onderscheid met de ellendige

krotten, waarin sommige andere missionarissen moeten verblijven!

In tegenwoordigheid van Europeanen, die hem met vragen zouden kunnen

lastig vallen, houdt deze engelsche predikant zich zedig op den

achtergrond. Metterdaad echter is hij oppermachtig heer en gebieder

over dit eiland, waar hij zich gevestigd heeft en dat hij bijna

als zijn eigendom beschouwt. Zijne woning heeft hem niets gekost:

de inboorlingen hebben het hout voor hem gehakt en de kalk van de

koraalriffen gehaald; de mooie tuin, waarin hij naar hartelust mijmeren

en botaniseeren kan, is een geschenk van de dankbare gemeente. "Ik ben

niemand tot overlast, en tracht alleen een weinig nut te stichten",

zoo zegt hij.

De raad der opperhoofden van Mangia neemt geen enkel besluit van eenig

gewicht, zonder raadpleging en overleg met dien zachtzinnigen man,

wiens invloed des te grooter is, omdat zijn eigen belang geheel buiten

spel schijnt te zijn en dit, in den gewonen alledaagschen zin, meestal

ook inderdaad is. Minder prijzenswaardig is het echter, dat hij zijn

aandeel krijgt van de boete, op de overtreding van politiereglementen

gesteld, waarvan de uitvoering aan inlandsche beambten is

toevertrouwd en die dikwijls een zeer eigenaardig karakter dragen. De

Europeanen, die tijdelijk op het eiland verblijven, de officieren

der oorlogschepen, de koning en de koningin zelfs, zijn in beginsel

gehouden, zich aan de bevelen van deze mutoïs te onderwerpen. Deze

reglementen en politie-verordeningen, waarvan de minste voorschriften

door de inboorlingen letterlijk moeten worden opgevolgd, ademen

voor het meerendeel den echten geest van het bekrompen, despotieke,

puriteinsche ascetisme, dat in Engeland nog zooveel invloed heeft, en

waarvan--als van elke absolute theorie--een der kenmerkende trekken

is, dat het alle menschen met dezelfde maat meet en allen over één

kam scheert. Het hoofdstuk betreffende de handhaving der goede zeden

is uit dat oogpunt inderdaad merkwaardig; zie hier enkele van zijne

bepalingen: "Ieder, man of vrouw, die na negen uren 's avonds buiten

de omtuining van zijn huis wandelt, zal eene boete van twee piasters

betalen aan den mutoï die hem betrapt."--"Elke gehuwde vrouw, die

door een gerechtsdienaar in te vertrouwelijk gesprek met een buurman

gevonden wordt, zal eene boete betalen van vijftig piasters, waarvan

twintig voor den predikant en de rechters, tien voor den koning of de

koningin, en twintig voor haar echtgenoot."--Voorts is het verboden

des zondags te gaan wandelen, in de boomen te klimmen, te visschen of

te jagen. Inlandsche politie-agenten vestigden mijne aandacht op dit

verbod, toen ik gidsen zocht om een uitstapje te gaan doen. Maar ik

kon over een onwederstaambaar argument beschikken om hunne bezwaren

te overwinnen: een goudstukje ruimde alle bedenkingen uit den weg en

de puriteinsche overheid sloot de oogen. De prijs der levensmiddelen,

varkens, gevogelte, vruchten, wordt door de zendelingen vastgesteld.

De stout geteekende bergen van Rarotonga, waarheen wij na ons vertrek

van Mangia koers zetten, geven aan dit eiland zekere overeenkomst

met Moorea, het zustereiland van Tahiti, dat bij zonsondergang van de

kaaien van Papéete gezien, zulk een onvergetelijken indruk maakt. Op

Rarotonga zijn de heuvelhellingen niet, als op sommige andere eilanden,

met dun en schraal gras bedekt, maar met dichte bosschen, die tot de

kruinen van de voornaamste bergketen reiken. De hoogste bergspits is

negenhonderd ellen hoog; de helling is voor drie vierden met struiken,

heesters en boomen begroeid, wier verschillende tinten en schakeeringen

van groen een schilderachtig effect maken.

Wij voeren eerst langs het dorp Arognani, op de noord-westelijke kust,

zonder dat het mogelijk was, zelfs met de sloep aan land te komen,

zoo moeielijk genaakbaar is de kust. Naast de hut, waarop de vlag

der vorstin van het district Arognani wapperde, stond, tusschen het

geboomte, een betrekkelijk massief gebouw van witte koraal: dat was

de protestantsche kerk, aanstonds kenbaar aan hare boogvensters,

die men in alle bedehuizen op de eilanden aantreft.

Rarotonga wordt geregeerd door twee vrouwen, waarvan de eene te

Arognani, de andere te Avarua, het belangrijkste dorp van het eiland,

resideert. De landing is te Avarua betrekkelijk gemakkelijk; de _Manua_

liet het anker vallen, en ik had gelegenheid mij naar wal te begeven

en een interessant uitstapje te maken. Wij werden te Avarua ontvangen

door eene nieuwsgierige menigte, die ons aan de landingplaats stond

op te wachten; de vrouwen vielen in het oog door haar roode rokken:

rood is de modekleur in Cooks-archipel. Trommels maakten de aankomst

van ons schip bekend; het luid en herhaald geroep der inlanders, die

elkander het nieuws mededeelden, en het geschreeuw van hun talrijk

nakroost deden ons bijna hooren en zien vergaan.

Met een mijner mede-officieren ondernam ik eene wandeling; weldra

kwamen wij in de kom van het dorp, waarvan alle woningen, even als

op Tahiti, half verdwenen onder de weelderige, rijk geschakeerde

tropische flora. De Kanaken zijn groote liefhebbers van bloemen; zelfs

de armsten kweeken in hun tuintje eenige bloemen aan. De polynesische

vrouwen kennen geen ander tooisel, en zij verstaan bij uitnemendheid

de kunst, zich op de smaakvolste en bevalligste wijze met bloemen te

versieren. Men moet die vrouwen liefst des avonds en bij feestelijke

gelegenheden zien: het ruwe en grove van haar gelaatstrekken valt

dan minder in het oog, en haar koperkleurige huid hindert minder

dan bij het volle daglicht. Haar groote donkere oogen stralen in de

schemering, en het zoetvloeiende, zangerige van haar taal, waarin de

klinkers verreweg de overhand hebben, oefent eene onbeschrijfelijke

bekoring uit. Deze jonge meisjes, in wijde witte jurken gekleed,

het lange pikzwarte hair doorvlochten met bloemen, die langs haar

welgevulden hals afhangen of haar voorhoofd omkransen, zijn inderdaad

eene liefelijke verschijning.

Het bezoek aan het dorp, hoe aardig ook, was ons niet voldoende; van de

weinige uren, die wij tot onze beschikking hadden, wilden wij zooveel

mogelijk profiteeren. Waarheen zouden wij gaan? Het toeval kwam ons

te hulp. Een inlander, die eenige woorden engelsch sprak, gaf ons den

raad, den weg rondom het eiland te volgen, die naar zijn oordeel de

meest bruikbare was. Aan den boom, waaronder wij stonden te praten,

waren twee paarden vastgebonden; wij huurden die en sloegen nu den

weg in die Avarua met Arognani en zelfs met Atania, een derde dorp

in het zuid-oostelijk deel des eilands, verbindt. Onze paarden waren

een paar magere knollen en hun tuig was in de hoogste mate eenvoudig:

matten vervingen de plaats van zadels en voor toom moesten wij ons

behelpen met een stuk touw van kokosdraad gevlochten. Onze rossen namen

het aanvankelijk zeer kalm en bedaard op; zij stonden hardnekkig stil

om zich te goed te doen aan het gras, dat langs de bermen van den weg

groeide. Daar wij volstrekt niet op een rit te paard hadden gerekend,

hadden wij onze sporen niet aangedaan; maar wij behielpen ons met

dorentakken, en weldra vlogen wij in vollen ren door het kreupelhout.

Te Arognani, tegenover de kerk, hielden wij stil en stegen af;

en een blik op het heerlijke landschap rondom ons deed ons al de

onaangenaamheden van onzen dollen rit vergeten. Achter de kerk verhief

zich de berg, met dicht bosch bedekt, waarboven groote zeevogels

zweefden; voor ons strekte zich, zoover de blik reiken kon, de

donkerblauwe oceaan uit, en vlak in onze nabijheid stak boven het water

de gordel van koraalriffen uit, afgebroken door diepe gaten en spleten,

waar wij onder het bleekgroene, kristalheldere water, de fantastische

vegetatie konden zien, die op de klippen en rotsen haar tooverachtige

vormen ontplooit. Tusschen de verschillend gekleurde koraaltakken

zwommen en dartelden visschen, wier schubben schitterden in al de

kleuren van den regenboog. Stel u daarbij voor de verschillende

soorten van zeewier, die de wanden van deze natuurlijke aquariums

bekleeden, en ge zult u misschien eenig denkbeeld kunnen maken van deze

overstelpende kleurenpracht. Het tafreel is onbeschrijfelijk, want het

wisselt onophoudelijk: de bekwaamste schilder zou in wanhoop penseel

en palet wegwerpen tegenover deze fantasmagorie. Het kleinste wolkje,

dat aan den azuren hemel opdoemt, wijzigt de verlichting; de meeuw, die

zich in de lagune dompelt, brengt het water in beweging, en aanstonds

veranderen de tinten en schakeeringen; zoo wisselt dit kleurenspel

elk oogenblik en ge wordt niet moede deze feërie aan te staren.

Als de avond gekomen is, is het schouwspel niet minder interessant:

dan is voor de inboorlingen de tijd gekomen om te gaan visschen. Hoe

schoon, hoe skulpturaal schoon, zijn die naakte gestalten, wier

onberispelijke athletische vormen nog grootscher en indrukwekkender

schijnen bij het bleeke licht der maan, dat over de wateren wemelt. De

vrouwen en kinderen loopen en springen over de riffen, met brandende

fakkels in de hand, waarvan de rosse gloed zich weerspiegelt in de

effen watervlakte, nauwelijks door het suizende koeltje gerimpeld. De

visschen, door het licht aangelokt, komen uit de rotsspleten, waarin

zij zich verscholen hielden, te voorschijn en worden door de visschers

met hunne houten lansen doorboord.

Maar ik keer tot mijne wandeling terug.... Na deze tooverachtige

dekoratie der koraalriffen bewonderd te hebben, moesten wij weder te

paard stijgen; de tijd verliep en het uur naderde, waarop wij weder

aan boord moesten zijn. Wij deden, stapvoets rijdende, onzen intocht

in het dorp Arognani, waar alles in diepen slaap scheen gedompeld,

uitgezonderd eene oude vrouw, die halfluid in den Bijbel zat te

lezen. Maar weldra begonnen de kinderen alarm te maken; de honden

schoten onder woedend geblaf op ons toe, en binnen vijf minuten

waren al de bewoners van Arognani uit hunne siesta opgeschrikt. Zij

ontvingen ons niettemin zeer vriendelijk, en noodigden ons uit,

enkele hutten te bezoeken. Het trok mijne aandacht, dat de vrouwen

in katoen van engelsch fabrikaat waren gekleed, want de oude tapa

is hier in onbruik geraakt: zij had het groote ongerief van niet

tegen de vochtigheid bestand te zijn. Toen de door het Britsche

zendelinggenootschap uitgezonden zendelingen voor het eerst aan deze

eilanden verschenen, was de bevolking op het strand saamgestroomd en

keek met verbazing naar de reusachtige prauw, die de vreemdelingen

aanbracht. Eenige prinsessen, gedreven door de onder alle hemelstreken

aan alle vrouwen ingeschapen nieuwsgierigheid, wilden dat drijvende

huis van nabij gaan zien; gevolgd door eene menigte vrouwen, gingen

zij te water en, als echte najaden, met forsche slagen de golven

klievende, bereikten zij weldra het schip, langs welks boord zij

omhoog klauterden. De predikers, wier belangstelling door deze proef

van zwemkunst was gewekt, volgden met hun verrekijkers de bewegingen

hunner toekomstige hoorderessen. Toen zij van wal staken, waren deze

dames onberispelijk gekleed: wijde draperiën van tapa omhulden haar

slanke gestalte. Maar verbeeld u de verontwaardiging der eerwaarde

heeren, toen zij op het dek verschenen: de rokken waren onder het

zwemmen letterlijk weggesmolten!

Onze terugreis naar Avarua leverde niets bijzonders op: onze paarden

roken den stal en liepen flink. Wij reden door een bosch van mapés,

waarvan de zoom door de golven der zee werd bespoeld. Zulk een bosch

van mapés levert een eigenaardig schouwspel op. Deze boom, waarvan

de vrucht, goed gebraden, eenige overeenkomst in smaak heeft met onze

kastanje, is door den eigenaardigen bouw van zijn stam en zijne takken,

een der zonderlingste die men zien kan. De stam bestaat uit dunne,

naast elkander gelegde strooken; de hooge, smalle wortels kronkelen

zich als krullen onder de schaaf. De mapé bereikt dikwijls een

kolossalen omvang; zijn dicht gebladerte overschaduwt in wijden omtrek

den dorren grond, waarin hij bij voorkeur tiert; even als de kokospalm

groeit hij langs het strand, in den zandigen, met fragmenten van koraal

vermengden bodem; beiden zijn de geliefkoosde schuilplaats van eene

zekere soort van landkrabben, die door de inboorlingen gegeten worden.

In den omtrek van Arognani merkte ik twee inlandsche begraafplaatsen

op, geheel verschillende van die, welke ik reeds elders gezien had. De

graven bevonden zich eenvoudig ter zijde van den weg, zonder een muur

of eenige afscheiding hoegenaamd. Hierbij mag echter niet vergeten

worden, dat de doodenakker nog steeds _taboe_ is, onschendbaar voor

iedereen. De roekelooze, die de graven der vaderen durfde schenden,

zou vroeger onverwijld ter eere der wrekende goden geofferd zijn

geworden; nu zou hij nog steeds als een heiligschenner worden

beschouwd, die met afschuwelijke ziekten, zoo als melaatschheid,

zou worden bezocht of het slachtoffer worden van de _erincatua_,

eene soort van geheimzinnige betoovering, die hare prooi langzaam

maar onvermijdelijk ten grave sleept.

Van Rarotonga zetten wij koers naar Oeaïtoetaté, in het noordelijk

gedeelte van den archipel. Nog voor wij de bergtoppen van het eiland

konden onderscheiden, zagen wij aan den horizon de kruinen van

kokospalmen uit de zee verrijzen; het was een eilandje, het eerste

eener reeks van rotsen, die zich over vele mijlen uitstrekt, en waarin

negen bloeiende oasen haar groenen dos in de zee weerspiegelen. De

bergen van het voornaamste eiland, zich scherp afteekenende tegen

den helderen hemel, beheerschten den ganschen omtrek. Myriaden

van zeevogels zweefden en zwermden in wilde vlucht boven het rif,

luid schreeuwende en nu en dan in de rollende golven duikende;

groote plekken grijsachtig schuim, hoopen veelkleurige zeeplanten,

wemelende van mikroskopische diertjes, getuigden van den rusteloozen

strijd tusschen den oceaan en het koraalrif. Ook hier was de kust

ongenaakbaar en moest de _Manua_ in het ruime sop ankeren.

Omstreeks vijf uren in den avond keerde de sloep van den kommandant

naar boord terug, gevolgd door twee groote booten, waarin de

notabelen van het land hadden plaats genomen. De inboorlingen van

Oeaïtoetaté klauterden als apen tegen het boord op, beladen met

zakken vol oranjeappelen; de gouden vruchten rolden in zoo grooten

overvloed over het dek, dat de matrozen er meer dan tweeduizend

opraapten. Weldra waren wij met onze bezoekers op den besten voet. De

koning Kuâ en zijn rechterhand, het opperhoofd Tamatoa, bewezen alle

eer aan den welvoorzienen wijnkelder van den kommandant, niet het

minst aan de champagne, die wij juist voor dergelijke gelegenheden

hadden medegenomen.

De inlanders bekeken het gansche schip, waarbij niets aan hunne

aandacht ontging en zij onophoudelijk allerlei vragen richtten tot

onzen tolk.

Deze leerzame en interessante bijeenkomst werd besloten met een bezoek

aan de keuken, waaruit verleidelijke geuren opstegen, die blijkbaar

hunne uitwerking op de wijde neusgaten onzer gasten niet misten;

de matrozen kwamen aan hunne wenschen te gemoet, door hen uit te

noodigen aan hun maal deel te nemen. Het dek leverde inderdaad een

aardig schouwspel op; wat al naïeve uitstortingen van vreugde, wat al

hartelijke handdrukken en vriendschapsbetuigingen! Alvorens afscheid

van ons te nemen, knielden de opperhoofden en alle anderen neder en

hieven, op plechtigen toon, in de tahitische taal, een psalm aan. Dit

ernstig, statig gezang, bij het vallen van den avond, aan boord

van het schip, te midden der onbegrijpelijke stilte en aangrijpende

eenzaamheid der onmetelijke zee, had iets onuitsprekelijk plechtigs

en treffends. De predikant bad ons ten slotte den zegen des Heeren

toe; de krijgslieden van Oeaïtoetaté rezen op in hunne booten en

begroetten onze vlag met een driemaal herhaald hoezee! Toen voeren

zij weg, en het werd weder stil rondom ons....

III

De Samoa-eilanden.

Den 29_sten_ Juli 1882 wierp de _Manua_, die de verschillende door

fransche missionarissen bezette posten in Centraal-Oceanië bezoeken

moest, het anker uit voor het eiland Tetuïla, dat tot de groep der

Samoa-eilanden behoort. Op deze eilanden ontplooit de tropische natuur

al haar weelde en rijkdom; verrukkelijk schoon is de aanblik der fraai

geteekende bergen, tot den top met het prachtigste groen bekleed, dat

onder den gloed der zonnestralen de schoonste schakeeringen en tinten

vertoont. Men zou meenen, dat de mensch, in dit heerlijke land, niet

anders dan gelukkig kan zijn; en terwijl ik mij aan het betooverend

panorama vergastte, kwam mij de naïeve legende te binnen, volgens

welke deze eilanden de bakermat zouden zijn van het polynesische ras,

het paradijs der halve goden en hunner schoone gezellinnen.

Het eiland Tetuïla is een groot park, welks zoete geuren zelfs den

oceaan welriekend maken; zij stroomden ons tegen op den adem van het

koeltje, toen wij in het midden van de baai van Pago-Pago geankerd

lagen. Deze natuurlijke haven, die zeer gemakkelijk te bereiken is,

biedt een veilige ankerplaats; de oorlogschepen loopen altijd hier

binnen. Overigens wordt de haven weinig bezocht; de verschijning van

een franschen kruiser is nog altijd eene gebeurtenis in deze streek,

die voor een goed deel nog den stempel der oorspronkelijke wildheid

heeft behouden. Nauwelijks had de _Manua_ het anker laten vallen in de

stille wateren dezer baai, waarin zich de met bosch begroeide bergen

spiegelen, of van drie verschillende dorpen staken een aantal prauwen

af, allen met inlanders bemand. Mannen en vrouwen, naakt tot aan den

gordel, roeiden op de maat van een gezang, waarvan allen in koor het

refrein herhaalden. De mannen waren op de dijen getatoeëerd; de vrouwen

hadden op de handen en de borst verschillende figuren in reliëf, door

inbranding verkregen. Ik vond die wonderlijke versieringen afschuwelijk

leelijk. Het kostuum was voor de beiden seksen hetzelfde: een breede

gordel van zeegras of bladeren, die bij wijze van rok tot beneden de

knieën hing. Eene bijzonderheid trok aanstonds mijne aandacht, toen

de eilanders op het dek verschenen: de Samoanen verwen zich de haren

wit en wasschen ze met kalkwater; zij zien er uit of zij gepoederd

zijn. Deze laatste operatie heeft vooral ten doel om den geweldigen

haardos der krijgslieden rood te kleuren; zij zijn zeer trotsch op

deze manen, die hun een schrikwekkend voorkomen moeten geven. De

bloemen en bloemkransen, die zij op het hoofd en om den hals dragen,

staan hun zeer goed.

De jonge meisjes onderscheiden zich door de regelmatige evenredigheid

en de schoonheid harer vormen. Echter moet men zich ook hier voor

overdrijving wachten: de bevallige ronde lijnen verliezen spoedig

haar bekoorlijkheid. Als zij de twintig voorbij zijn, zouden zij er

bij winnen indien zij wat minder zuinig met haar kleeding waren. Zij

verschenen op het dek, met korfjes vol kokosnoten, oranjeappelen

of ananassen in de hand; of wel met de eenvoudige produkten harer

nijverheid, fijn bewerkte strooien doosjes, kammen van hout of fijne

palmvezels, matten van verschillende grootte. Ieder koos zich onder de

officieren of de bemanning een vriend uit, dien zij met geschenken

overlaadde en van wien zij gratis alles aannam wat haar in ruil

geschonken werd, katoen of snuisterijen. Als de vriend, de _taïo_,

aan land gaat, vergezelt zij hem op al zijne wandelingen. Savali,

mijne vriendin, versierde mijne kleine hut op de _Manua_ met een

zeldzame collectie van knodsen; haar vader, haar broeders, haar

gansche familie plunderden zekere plank in mijne kast, waarop ik

een rommel van allerlei dingen bewaarde, die ik tegen curiositeiten

van het land wilde inruilen; maar ik heb geen recht mij daarover te

beklagen: al de wapenen, de matten, de merkwaardige tapas, die ik van

de Samoa-eilanden heb medegebracht, dank ik aan hunne vrijgevigheid.

Den volgenden dag ging ik, aan den anderen kant van het eiland,

de Françabaai bezoeken, dicht bij de baai van Aasoe, waar, op den

11{den} December 1787, de kommandant van de _Astrolabe_, de Langle,

de natuuronderzoeker Lamanon en negen matrozen werden vermoord, die

allen deel uitmaakten van de expeditie van La Pérouse. De fransche

matrozen, die in eene sloep naar het land waren gegaan om drinkwater

te halen, vielen als de slachtoffers van de onvoorzichtigheid van

hun hooggeschatten chef, die aan sommige invloedrijke krijgslieden

glaskralen en snuisterijen uitdeelde en aldus, zonder het te weten,

den naijver van eenige anderen opwekte. Den 16{den} Juli 1884 is op

de plek waar de geleerde gezagvoerder van de _Astrolabe_ en zijne

metgezellen werden gedood, te hunner eere een monument opgericht,

waarop, op een plaat, de namen der gevallenen staan gebeiteld.

Dit uitstapje naar França schonk mij de gelegenheid om het eiland

Tetuïla dwars over te steken; de inlanders hebben midden door de

dichte bosschen, die de beide hellingen van den berg bedekken, een

pad aangelegd, dat de grilligste slingeringen beschrijft. Ik volgde

dat pad, waarlangs een kristalheldere bergstroom klaterend over de

rotsen schoot; boven mijn hoofd ruischten de lange bladeren van de

kokospalmen, door den zeewind bewogen, statig en harmonisch als de

golven; boomen van allerlei soort, van wier takken lianen tot op den

grond afhingen, vlochten hunne armen in onbeschrijfelijke wanorde

dooreen. Voor het eerst zag ik, midden in de vallei, hooge krachtvolle

boomvarens, die men anders doorgaans enkel op de bergen vindt. Naar

de zijde van França, aan den tegenovergestelden kant van Pago-Pago,

is het pad steiler en oneffener; het werd zelfs zoo steil, dat ik op

een draf je moest gaan loopen en zoo eensklaps terecht kwam bij het

gemeentehuis, in het midden van het dorp. Ik trad binnen: daar zaten

met saâmgevouwen beenen op den grond neergehurkt, vier grijsaards

en een mooi jong meisje, die mij met het gebruikelijke _kalofa!_

begroetten en mij van het hoofd tot de voeten opnamen. De chef Kalo,

een der eerwaardige grijsaards wier gesprek ik stoorde, was onderricht

van de verschijning van de _Manua_ in de baai van Pago-Pago; hij

ontving mij zeer vriendelijk en noodigde mij aanstonds uit, in zijne

hut wat te komen rusten. Ik bood hem, als blijk mijner dankbaarheid,

een pakje tabak aan: van dat oogenblik waren wij de beste vrienden.

Kalo gaf mij gelegenheid, eene zeer eigenaardige vischpartij bij

te wonen. Drie oude vrouwen riepen met wanluidend gegil de gansche

bevolking op het strand samen. Tweehonderd personen ongeveer, mannen

en vrouwen, ontdeden zich van de zeer luttele kleeding, die hen in

hunne bewegingen zou kunnen belemmeren, en gingen in zee, gewapend met

een tak van een kokospalm. Op zekeren afstand van het strand gekomen,

keerden zij zich om, schaarden zich naast elkander en vormden alzoo een

halven kring, daarbij tevens de palmtakken rechtstandig in het water

dompelende. Op een door het opperhoofd, die bij mij op het strand was

blijven staan, gegeven teeken, naderden allen, in volmaakte orde en

met langzame schreden, steeds meer den oever, eene groote bende van

visschen voor zich uitdrijvende, die in dolle sprongen en met haastige

bewegingen den vijand trachtten te ontvluchten. Door den levenden muur

ingesloten, in de takken der kokospalmen gevangen, kwamen de kleine

visschen op het strand terecht, waar de vrouwen ze opraapten en in haar

manden wierpen; de grootere trachtten door de linie heen te breken,

maar werden met stokslagen gedood. Het deel der vangst, dat rechtens

aan het dorpshoofd toekwam, werd nu in de hut van Kalo gebracht,

en eene vrouw bakte aanstonds eenige kleine visschen, die zij mij

aanbood: een stuk van de gekookte visch, vruchten van den broodboom,

bananen en versche kokosmelk voltooiden het menu van dit dejeuner.

Bij mijne terugkomst te Pago-Pago wachtte mij eene verrassing. Het was

een heerlijke avond: de maan straalde aan den wolkeloozen hemel; de

frissche zeewind deed zijn weldadigen invloed gevoelen in de baai, waar

de _Manua_ scheen ingeslapen op de zachtkens kabbelende wateren; alom

stilte en verkwikkende rust na een heeten dag. Eensklaps werd mijn oor

getroffen door een vroolijk gezang, dat de plechtige stilte verbrak:

het was de bemanning van eene groote boot, welke de officieren kwam

afhalen, die door het opperhoofd Moses op een feest waren genoodigd. De

prauw, bemand met vier-en-twintig roeiers van athletische gestalte,

bracht mij naar den oever, waar de menigte onze komst afwachtte.

Omzwervingen door de eilandenwereld van den Grooten-oceaan De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 1 / 3 段