in staat, om in de volle zon den chaos van ruïnen te bestijgen, die
zich aan ons voordeed. Van den tempel van het Kapitool, die aan zijn
geboortestad werd aangeboden door een burger van Doegga, Marcius Simp,
ex Regillianus, gingen we naar den tempel van Saturnus, dan naar dien
van Coelestis, ook geschonken door edelmoedige burgers, die begeerig
waren, hun stad een geschenk ter verfraaiing aan te bieden. Het is een
opmerkelijk feit, dat die wedstrijd in mildheid en edelmoedigheid de
notabelen van die oude afrikaansche steden dreef, om maar altijd hun
eigen stad wel te doen en haar mooier te maken, door op hun kosten
naar de mate van hun vermogen nu eens een tempel, dan een schouwburg
of een hippodroom te laten bouwen. Bescheidener beurzen richtten
een fontein op of wel een triomfboog. Dat particulier initiatief
van de Romeinen wordt tegenwoordig nagevolgd door de Amerikanen,
de dollarveroveraars. Maar het is, helaas, zeldzaam in onze oude
westelijke wereld, waar zooveel steden er behoefte aan zouden hebben,
met wat ostentatie te worden bemind door sommige hunner kinderen.
Een der andere het best bewaarde bouwwerken van Doegga is het
theater. Het onderscheidt zich door elegante proporties en door de
sierlijkheid van de omgeving en men is van bewondering vervuld, als
men het gebouw binnentreedt. De vijf-en-twintig rijen trappen van
den halven cirkel zijn bijna alle onbeschadigd. Het rijk versierde
tooneel, het met mozaïeken bevloerde orkest zouden gemakkelijk in
hun oorspronkelijke gedaante te herstellen zijn, en de schouwspelen,
die er zouden kunnen worden gegeven, zouden een machtige aantrekking
uitoefenen tegenover het verrukkelijke panorama van het dal der
wadi Khalled, dat in de verte wordt afgesloten door een lijn van
blauwe bergen.
Een dergelijke overvloed van monumenten en hun weelde toonen, hoe rijk
en welvarend de bevolking van dat romeinsche Afrika was, en als men
bedenkt, dat al die rijkdommen door den landbouw waren voortgebracht,
kan men zich er een denkbeeld van maken, hoeveel zorg er besteed
werd aan die thans onbebouwde of verwaarloosde gronden. Maar over
dat onderwerp zou men nooit uitgepraat raken. Het Tunesië van den
tegenwoordigen tijd moet zich voor den geest roepen het Tunesië
uit den romeinschen tijd, om het zooveel mogelijk na te volgen,
zonder te mogen hopen, nog in langen tijd te herstellen wat eeuwen
van stelselmatig werken hadden kunnen bereiken.
Gelukkig is er bij de nomaden de neiging op te merken, om zich
blijvend hier of daar te vestigen, en zij zijn met hun kudden en
hun zwervend leven de grootste vijanden van den landbouw. Een
andere interessante evolutie valt er te waardeeren, namelijk
onder de overige inboorlingen. Ze planten boomen op veel punten,
om zich den particulieren eigendom te verzekeren van den grond,
waarop ze wonen. Ondanks al, wat er nog te doen overblijft, heeft
Frankrijk reeds een heldenstuk verricht in dit land, en men mag
dat wel erkennen. De spoorlijnen, die de vroeger ver van elkander
verwijderde punten onderling verbinden, en die plaatsen toegankelijk
maken, die bezwaarlijk te bereiken waren, zijn een van de weldaden;
dan het wegennet, dat het Regentschap doorsnijdt met wegen, die in alle
opzichten de vergelijking kunnen doorstaan met die in Frankrijk, en
de fransche wegen behooren tot de beste van de wereld. Verder hebben
de kolonisten er ijverig gewerkt en hebben er groote onontgonnen
terreinen overdekt met graanvelden, wijngaarden en olijfbosschen,
zoodat ze aan het mohammedaansche Tunis zoo niet den rijkdom uit
den romeinschen tijd, dan toch een gezond leven hebben geschonken,
een opbloei van zuiver europeesch krachtbetoon.
Na een laatsten blik te hebben geslagen op den chaos van ruïnen
van Doegga en op zijn sierlijk Kapitool, gaan we weer terug naar
de vlakte en de zee, en passeeren dorpen, die nog versierd zijn met
guirlanden van bladeren en bloemen, door de bewoners aan hun huizen
en op de straat aangebracht ter eere van het bezoek, dat hun de
Resident-generaal twee dagen geleden bracht. Daar is Aïn-Toega. Het
verrijst dichtbij de overblijfselen van een belangrijke stad, die
een gemeente werd bij het begin van de derde eeuw. Een byzantijnsch
fort neemt het midden van die ruïnen in. Basreliëfs en opdrachten aan
Saturnus, gevonden op de plaats van deze stad, geven er blijk van, dat
er een heiligdom was, aan dien god gewijd. Wij begroeten de Medjerda,
die overvloedig water heeft, de eenige groote rivier van Tunis. We
betreden nu een der best bebouwde gedeelten van het Regentschap.
In den nacht vliegt de auto over de wegen, monster, dat geen afstanden
kent.
Daarginds slaapt het antieke Karthago onder de sterren, en over de
ruïnen zweeft de herinnering aan den wreeden Moloch en aan Tanit, de
groote godin. Men zou nog lang willen blijven in deze zuivere lucht
op den eenzamen weg, om te droomen over het wonderlijke verleden,
dat in dit hoekje van Afrika werd afgespeeld, maar daar zijn we al
in Tunis. De stad schittert ons tegen met haar electrisch licht. De
stoomfluiten grommen in de haven. Vaarwel doode steden, waarvan het
archaïsch voorkomen nog leeft voor de oogen van den toerist. In
een reuzensprong van den geest hervinden we ons, niet zonder een
melancholiek gevoel op den drempel van onze eeuw van verlichting
en drukte.