Toen wij het kolossale amphitheater bereikten, hoorden we de

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

ONDERWEG IN TUNIS.

Naar het Fransch van Mevr. B. Chantre.

I.--Aankomst te Tunis.--De tegenwoordige stad.--Bezoek aan den

heer Roy te Dar el-Bey.--Een zitting van het mohammedaansche

gerechtshof.--De Belvédère.--Vertrek naar Soesa.--De stad,

haar catacomben.--El Djem.--Sfax.--De olijvenboschjes;

de sponscultuur.--Middagmaal bij den kaïd.--Op weg naar

Gabes.--Reeks van kleine ongevallen.--De oase.--Einde van

het feest.--Onder de palmen.

Het was volkomen donker, toen wij den 5den Maart te Tunis aankwamen,

zoodat wij het schouwspel misten, dat het binnenvaren van het schip

in de haven oplevert, terwijl de landing zelf er minder vlug door

ging. Bij het aan wal gaan waren we blij, onze uitstekende vrienden,

den heer en mevrouw Alapetite op de kade te vinden, wier hartelijke

ontvangst ons deed vergeten, wat de overtocht bij koud weer en een

onstuimige zee voor onaangenaams had gehad. Ze brengen ons vlug per

rijtuig naar het Residentshuis, waar ze ons op de vriendelijkste

manier gastvrijheid bewijzen.

Al is de afstand van Tunis over zee slechts twee-en-dertig uren

en al krijgt men tallooze verhalen te hooren van bezoekers, die

tegenwoordig door Tunesië dwalen, toch wil men wel eens graag met

eigen oogen een land zien, waarvan men zich nog kan verbeelden,

dat men het ontdekt. En zoo, in afwachting van ons vertrek naar

Zuid-Tunis en Tripolis, waarheen de heer Chantre zich moet begeven,

om een anthropologische zending te vervullen, hem opgedragen door

den minister van openbaar onderwijs, gebruik ik mijn tijd met het

bekijken van de stad. Het is mijn eerste kennismaking met dit hoekje

van Afrika, onder welks hemel onze vlag wappert als een getuige van

het werk des vredes, dat Frankrijk er heeft ondernomen en dat veel

goeds er in het leven zal roepen.

Van jaar tot jaar is de hoofdstad van ons protectoraat vervormd

en is ze mooier geworden, en het is geen overdrijving, als men

zegt, dat ze in volle vaart is op de baan harer ontwikkeling. De

eigenlijke europeesche stad, waarvan de wijken zich uitbreiden aan

den voet van de arabische, ziet er met haar welgebouwde huizen, haar

electrische trams, haar squares en mooie winkels allervriendelijkst

uit. Het prachtige Post- en Telegraafkantoor, de groote scholen

voor uitgebreid onderwijs aan jongens en meisjes maken de stad

niets minder aantrekkelijk en bewijzen, dat de bevolking drukke

zaken doet en ijverig de studie voorstaat. Als men door de breede

straten loopt, waar de équipages, de automobielen, de inlandsche

wagentjes, de huurrijtuigen met dichtgesloten gordijntjes, waarin de

mohammedaansche dames uitrijden, voor de blikken der voorbijgangers

verborgen, de verschillende ruiters en rijdieren elkander opvolgen,

en als men den blik slaat op de prachtige hooge huizen, zou men zich

nog te Marseille wanen, waarvan Tunis, als het ware, de voortzetting

is op den anderen oever van de Middellandsche Zee. Een trouw bezoeker

van de Cannebière zou zich volstrekt niet misplaatst voelen op het

terras van een der café's aan de Avenue de France.

Maar voor den toerist ligt niet daar de grootste aantrekkelijkheid van

Tunis. Toen ik per electrische tram mij naar de kasba begaf, om met

één blik de inlandsche stad te overzien, was ik verrast over het echt

oostersche tooneel, dat zich aan mij voordeed. En langen tijd bleef ik

kijken naar het Witte Tunis, dat mij schooner leek, dan ik had durven

droomen, ondanks wat ik herhaalde malen had gehoord over den goeden

staat, waarin het was bewaard gebleven. Gebouwd op heuvels met zachte

helling, op zekeren afstand van het meer, vormen de witte huizen met

platte daken een schitterend geheel, doorsneden door grillige, smalle

straatjes en afgebroken door koepels en sierlijke minarets met slanke

lijnen. Komt men in de stad, dan wordt men getroffen door de treffende

tegenstelling, die er bestaat tusschen de drukke levendigheid in de

koopluistraatjes en de soeks of bazars, en de kloosterlijke stilte, die

als in een doode stad overal elders heerscht, een tegenstelling, die

zich voordoet in alle mohammedaansche steden. Tevergeefs ondervraagt

de toerist met zijn blikken de blinde en stomme huizen. Het blijven

raadsels en ze verbergen angstvallig voor profane oogen achter hun

vensterlooze muren het geheim van het familieleven der bewoners.

Ons eerste bezoek geldt den heer Roy, secretaris van de tunesische

regeering, van wien bekend is, welke rol hij heeft gespeeld in Tunis

in de jaren, die aan de bezetting vooraf gingen. De heer Roy heeft

steeds met onze residenten-generaal meegewerkt sedert de instelling

van het Protectoraat. Hij is de deken van alle fransche ambtenaren,

en niemand beter dan hij kent de geheimen der taal en de geestelijke

gesteldheid der inboorlingen. Men mag gerust zeggen, dat niets hem

vreemd is wat de belangen van Tunis betreft. Het is een land, dat

hij tot het zijne heeft gemaakt, dat hij lief heeft als zijn tweede

vaderland en waaraan hij zijn leven, dat is al zijn arbeidskracht,

heeft gewijd. Zijn kantoren bevinden zich te Dar el-bey. Dat paleis

is tegenwoordig zelden in gebruik bij den Bey, die het grootste deel

van het jaar in het Marsapaleis woont. Hij komt er alleen eenmaal per

week, om met den eersten minister te werken, aanwezig te zijn bij de

aanhechting van het zegel op de vastgestelde decreten en de stukken

te onderteekenen, die gereed gemaakt zijn door de rechterlijke macht

te Dar el-bey, terwijl hij dan tevens de hulde in ontvangst neemt,

die zijn onderdanen hem brengen, en aalmoezen uitdeelt.

Onder het geleide van den heer Roy, die ons tot een bezoek aan het

paleis in staat stelt, bewonderen we eerst het mooie binnenplein,

geplaveid met zwart en wit marmer, versierd met bogen, die door

sierlijke zuilen worden gedragen, en wandelen daarna door de vertrekken

van den Bey. Die kamers en suite, groote en kleine zalen, waar men

binnen komt, door nu eens een paar trapjes op te gaan en dan weer

eenige treden af te dalen, naar het grillige spel van den bouwtrant

der arabische huizen, zijn alle meer of minder weelderig versierd

met tegels en fijne arabesken en ook met dat edele stucwerk, waarin

van ouds de Tunesiërs hebben uitgemunt. Het mooie gaat er echter

wel een weinig af door de tegenstelling met europeesche meubels van

ontwijfelbare smakeloosheid.

Uit de kamer van den Bey, door welker vensters hij door een

vernuftige inrichting van de houten tralies, zonder gezien te worden,

kan waarnemen wat er op straat en in de winkels der kooplieden

gebeurt, gaan we naar de eetzaal en de raadzaal, die wondermooi

zijn versierd. En altijd door nauwe gangen, langs tallooze trappen,

komen we boven in dit enorme paleis op terrassen of platte daken,

waar we plotseling door het licht worden verblind, om daarna van het

hooge punt het uitzicht te genieten.

Bij het verlaten van Dar el-bey, onder de bekoring nog van ons bezoek

aan den beminnelijken heer Roy, gaan we door de wijk de Medina,

het hart der inlandsche stad. Op enkele kleine verschillen na in

kleeding en manieren der menschen, zou men zich kunnen verbeelden

in Konstantinopel of het oude Kaïro te wezen. De winkeltjes van

groenten, gebak, kruidenierswaren zijn in alle mohammedaansche steden

bijna gelijk, en overal ook ziet men dezelfde straattooneelen, het

martelaarschap van de zachtaardige ezeltjes, die met harde woorden en

slagen worden overladen door hun geleiders zonder dat ze weten waarom,

en het gebrom der altijd ontevreden kameelen.

Het is overbodig, nog eens weer voor de zooveelste maal de winkels

te beschrijven van de borduurders, de kleermakers, de zadelmakers en

reukwerkverkoopers, die overal en altijd aan elkander gelijk zijn in

oostersche landen en enkel een weinig verschillen in rijkdom. Het

is prettiger, op goed geluk te dwalen door dit heerlijke Medina

met de straten, als daar zijn de Vrouwenstraat, de Schatkiststraat,

de Katstraat, de Hondenstraat, de Negerstraat, en in hun petiterige

werkplaatsen de veelsoortige handwerkslieden aan het werk te zien,

ernstig, waardig en onverstoorbaar onder de oogen van nieuwsgierige

wandelaars.

Vooral des morgens zijn de straten en de soeks in de arabische stad

druk en woelig. In de menigte vormen de Europeanen maar een zeer kleine

minderheid, terwijl men er alle typen in herkent uit Noord-Afrika,

van den Marokkaan af tot de zonen der woestijn van Tripolis, waarbij

dan nog de Soedaneezen zich voegen met hun tint, zwart als ebbenhout.

Wij komen aan het gerechtshof, waar het schilderachtige binnenplein

bezet is door de eischers en beklaagden en hun advocaten, om dan naar

de gehoorzaal te gaan. De aanblik daarvan is alleen de reis naar Tunis

waard. Dat men zich voorstelle een zaal van noorschen bouwtrant en van

kleine afmetingen, hoog en wit, tot de halve hoogte behangen met een

groene stof, en langs welker randen een breede divan is aangebracht,

die in het midden afgebroken wordt door een prachtigen troon, die

van den Bey.

Al de rechtsprekende personen zijn rijk gekleed in gewaden van zachte

kleuren, lichtgroen, bleekgeel, mauve, vieux rose, zooals zeer coquette

vrouwen het zich voor haar geliefdste japonnen zouden droomen. De

sjeik el islam en de kadi dragen den grooten tulband van smetteloos

witte kleur, waarop een sluier van cachemire is bevestigd, die aan den

kant is vastgestrikt, gelijk de gewoonte was bij de oude khans. Als

men hen zoo ziet zitten, met de beenen onder zich gevouwen, leunend

tegen den divan, ernstig en waardig met hun sneeuwwitte baarden,

den amberen rozenkrans in de hand, meent men zich verplaatst in een

zaal van het paleis van Haroen al Raschid.

De open ruimte in de gerechtszaal is voorzien van banken en stoelen,

waarop de inboorlingen en hun advocaten plaats nemen. Er moet uitspraak

gedaan worden over de meest uiteenloopende zaken. Onze beminnelijke

gids, een jong Tunesiër, Si Ali Abdul Wahah, tolk aan de rechtbank,

legt ons enkele uit. Een paar processen, op erfenissen betrekking

hebbend, loopen al jaren. Niet enkel bij ons in Frankrijk werkt de

justitie langzaam! Andere worden in de loopende zitting dadelijk

door den kadi uitgemaakt. Een arme, havelooze sukkel met een burnoes

vol gaten, die hij angstvallig tegen zijn naakte beenen drukt, komt

nader. Hij beklaagt zich, o ironie van het lot, over zijn vrouw, die

van hem rijker kleederen eischt, dan hij haar kan verschaffen. Een

andere man, niet minder somber en ongelukkig, verhaalt aan de rechters,

dat zijn vrouw, een zure, kijvende natuur, geen vrede kan houden met

haar buren en hem tot voortdurende verhuizingen noodzaakt. Daarop

antwoord de kadi: "Doe wat je vrouw wenscht. Ga weer verhuizen."

Wij wachten het einde van de zitting af, om tegenwoordig te zijn

bij het vertrek van de hooge dignitarissen der mohammedaansche

geestelijkheid. Pas zijn ze verschenen op den drempel van de deur,

of de menigte van cliënten en advocaten, die onder de bogen zijn

blijven staan op de binnenplaats, maken eerbiedig hun buiging. Ieder

tracht, naderbij te komen en de hand te kussen of het kleed van de

schoone grijsaards. Met vluggen tred en glimlachend met een levendigen

oogopslag bestijgen ze hun muilezels en zijn snel uit het gezicht in

den doolhof der bochtige straten.

Er is geen prettiger wandeling en geen kalmer dan naar de Bélvedère,

dat prachtige Bois de Boulogne van Tunis. Deze nog kort geleden in

het leven geroepen gelegenheid is onwaardeerbaar in een stad als

Tunis, die niet zeer begunstigd is uit het oogpunt van groen en

tuinen. Gelegen op de hellingen van een vrij hoogen heuvel, heeft

de stad mooie, slingerende rijwegen, terwijl er voor de voetgangers

smallere paden zijn en heerlijke lanen, waar schaduw en koelte

verkwikking schenken. Op den top van den heuvel is een verbazend

uitgestrekt plateau, waar het uitzicht het mooiste panorama van

Tunis en de omstreken te genieten geeft. In het zuiden ziet men de

lijn van den Zaghoean en den Ressas met den karakteristieken top van

den Boe-Korneïn; in het Oosten speurt de blik het spiegelende meer

en de heuvels van Carthago; in het Noorden strekt zich een veld van

olijfboomen uit en in het Westen verrijst het Bardo, de Manoeba.

Wij keerden dikwijls terug naar die Bélvedère, in welks groen twee

juweeltjes van arabische architectuur verscholen lagen. Het eene,

Mida genoemd, is een klein gebouw, een reinigingszaaltje aan den

ingang der moskee, die in een van de dijken van Tunis dreigde in

puin te vallen. Dank zij het initiatief van het secretariaat-generaal

van de tunesische regeering, en met de ondersteuning van den Dienst

der Oudheden, is het gebouwtje weer opgetrokken, steen voor steen,

en nu in een uitgezocht schoone omgeving. Diezelfde groote zorg voor

de inlandsche kunst heeft in dergelijke omstandigheden een sierlijk

gebouw, een Koeba, laten overbrengen naar een beter terrein; het was

een kiosk uit den tuin van Hamoeda bey uit het eind der achttiende

eeuw. De koepels en opengewerkte stucversiering en heel de inrichting

maken van het gebouw een heerlijk rustplaatsje, waar men den tijd

kan verdroomen en waar men een prachtig uitzicht heeft, terwijl men

de zuivere lucht inademt, vol met de geuren van mimosa's.

De Tunesiërs schijnen de bekoring van de Bélvedère wel op prijs

te stellen. Ze wandelen er druk, en in het lentegroen vormen hun

kleurrijke gewaden van mauve en rood, hemelsblauw en saffraangeel

een aardige afwisseling. Maar men zou tevergeefs zoeken naar de

traditioneele spookvrouwen in lichte sluiers, die met haar slepende

gewaden in kwijnende gratie dergelijke plaatsen aan den oever van

den Bosporus belangwekkend maken. Hier bestaat de vrouw niet. Men

zou best kunnen gelooven, dat ze er heelemaal niet zijn!

Den 15den Maart zeggen wij Tunis voor eenigen tijd vaarwel. De

heer Alapetite is zoo vriendelijk, ons wel te willen meenemen op de

eerste officiëele tournée, die hij gaat maken in het Zuiden van het

Regentschap. Van daar zal de heer Chantre Tripolitanië bereiken, waar

hij de anthropologische studiën gaat voortzetten, die hij vroeger al

heeft gedaan over de volken van West-Azië en Egypte. Wij zullen per

spoor naar Soesa terug keeren, waar we ons weer zullen aansluiten bij

den Resident-generaal, die per auto vertrekt in gezelschap van den heer

en mevrouw André Siegfried, de heeren Buellet, prefect van Aveyron,

Gabriel Puaux kabinetschef van den Resident-generaal, en kapitein Roux,

zijn ordonnans. Op die wijze winnen wij een vermoeienden dag uit,

want er ligt een verblijf te Kairoean in opgesloten.

Bij den langzamen gang van den trein kunnen we het landschap op ons

gemak waarnemen, dat door den spoorweg wordt doorsneden. Het is een der

best bebouwde streken van Tunis. Ze omvat de groote domeinen Potinville

en Enfida, welker belangrijkheid overal bekend zijn. De dorpen zijn

schaarsch in vergelijking van de bebouwde oppervlakte. Buiten de groote

goederen, waar de modernste cultuurmethoden worden toegepast, brengen

de korenvelden, op inlandsche manier bewerkt, dat is met de antieke

houten ploeg, slechts magere oogsten voort, die nog problematieker

worden door het gemis aan water, dat het heele land in ontwikkeling

tegen houdt. Maar de dorheid van den tunesischen grond gaat in de

lente schuil onder een frisch tapijt van groen en bloemen.

Naarmate men Soesa nadert, wordt het veld al rijker bezet met

olijfboomen. De zon gaat onder in een grootsch wolkentooneel, dat

boven de toppen van den Zaghoean hangt. In de stille rust van den

voorjaarsavond, die uitgespreid ligt over de olijfboschjes en de door

cactussen omsloten velden, komen we in de hoofdstad van de Sahel aan,

het oude Hadrumetum, dat als een witte meeuw sierlijk aan het strand

der zee ligt.

Na onze bagage in het hotel te hebben gelaten, haasten we ons naar

den heer Alapetite, die ons aan het Contrôlegebouw wacht, om te

middagmalen. Daar er een panne zich had voorgedaan al gauw na het

vertrek met de automobiel, moest de Resident-generaal zijn reisplan al

op den eersten dag wijzigen. Slechts een deel van zijn geïnviteerden

zijn naar Kairoean gegaan.

Onze vrienden, die dezen morgen reeds in de vroegte per auto uit Tunis

zijn vertrokken, verlangen naar rust. Toen het eten was afgeloopen,

namen we spoedig afscheid van den Resident en van den heer en mevrouw

Dianons. Op weg naar ons hotel liepen we door het slapende Soesa,

gelijk aan een witte necropool en gingen door stille straten,

uitkomend aan zee, waarop we in de verte de lichtjes der schepen

konden onderscheiden. De maan wierp haar stroomen van bleek licht

over de terrassen, en we sliepen in met het heerlijke gezicht nog

voor oogen van dat bekoorlijk nachtelijk tooneel.

De gekanteelde muren van Soesa worden beschouwd als een der mooiste

staaltjes van sarraceensche krijgskundige bouwkunst. De versterkingen

zijn nog onveranderd gebleven en hebben den vorm van een langen

rechthoek. Sierlijke torens steken eruit op en trekken op bepaalde

afstanden de aandacht. In de binnenstad dalen de straten naar de zee

af en zijn dicht opeen gebouwd, juist als in Tunis, met welke stad

Soesa veel overeenkomst vertoont. Hier en daar verrijzen minarets;

overal ziet men palmboomen en boven de trotsche stad aanschouwt men de

terrassen van de Kasba en haar torens, waardoor aan de afstammelinge

van het oude Hadrumetum een schoonheid wordt gegeven, die haar tot

iets heel bijzonders maakt.

De europeesche wijk ligt als in Tunis tusschen de wallen en de

zee. Het is er vooral door de nabijheid der haven steeds zeer

druk. Mooie huizen, hotels, winkels, café's wijzen er op een gestadige

ontwikkeling. Een onschatbare dienst is aan de stad bewezen door de

instelling eener waterleiding. Een niet minder te waardeeren weldaad

dan het water, de zindelijkheid der straten, trekt de aandacht zoowel

te Soesa als te Tunis. De boven- en de benedenstad, de inlandsche

straatjes en de groote verkeerswegen, alles ziet er zindelijk uit,

een feit, dat zoo iets ongewoons is in mohammedaansche landen, waar

de straten ophoopingen van vuil zijn, dat men er wel eer voor moet

brengen aan het fransche bestuur.

Terwijl de Resident zijn officiëele recepties houdt in het

Contrôlegebouw, wandelen wij door de straten en de soeks. Er heerscht

overal in de inlandsche wijken de grootste levendigheid. Men gaat

er door steegjes en langs trappen, en komt van het helderste licht

plotseling te midden van de duisternis der overdekte bazars of

soeks. Daar vindt men enkel de gewone voortbrengselen van dagelijksch

gebruik. De eenige tak van industrie van beteekenis is die van

olie en zeep. Het is bekend, dat de olijfboschjes van de Sahel de

belangrijkste zijn uit het Regentschap, en die welke onder de contrôle

van Soesa staan, zijn zeer uitgestrekt. De olijven worden behandeld in

de fabrieken, waarvan men de hooge schoorsteenen zich ziet verheffen

in de voorsteden aan de zee.

Na een vluchtig bezoek aan het Museum, dat een overvloed heeft

van archeologische rijkdommen uit de phoenicische, romeinsche en

byzantijnsche periode en verzameld in de omstreken, bereiken wij tegen

den middag in den heeten zonneschijn het Gebouw der civiele contrôle,

dat we nog maar terloops hebben gezien bij onze aankomst gisteren. Het

sierlijke gebouw, het oude Dar el-bey, staat op een pleintje met

zwart en wit plaveisel, van waar men een mooi uitzicht op de zee heeft.

Toen het ontbijt was afgeloopen, gingen we onder leiding van den abt

Laynaud in het gevolg van den Resident-generaal naar de catacomben,

door een merkwaardige reeks van opgravingen onlangs aan het licht

gebracht. Het zijn de eerste en eenige, die in Tunis bekend zijn

en ze zullen voortaan een aantrekkelijkheid te meer vormen voor den

bezoeker van de hoofdstad van de Sahel. Aan kolonel Vincent van het

vierde regiment tirailleurs komt de eer der ontdekking toe. Dr. Carton,

wiens naam is verbonden aan alles, wat op de oudheidkunde van Tunis

betrekking heeft. Geholpen door de Oudheidkundige Vereeniging van

Soesa en met machtiging van den Directeur der Antiquiteiten, besloot

deze de zaak tot op den grond te vervolgen en het mogelijk bestaan

van catacomben nauwkeurig na te gaan. Hij werd bij zijn onderzoek

geholpen door den abt Laynaud en kolonel Calley de Saint-Paul, die

arbeiders te zijner beschikking stelde voor de opgravingen.

Met een lantaarn gewapend, opende de heer Laynaud den optocht door

de donkere gangen. Achter onzen geleider liepen we in een lange rij

door de prachtig opgeruimde gangen van deze christelijke doodenstad,

waarvan de wanden over de geheele lengte verschillende verdiepingen van

"loculi" vertoonen, netjes op een rij zonder ruimteverlies. Evenals

te Rome zijn de graven in den vorm van langwerpige nissen in den

rotswand uitgehold en met steenen afgesloten.

Zijn lantaarn in de hoogte houdend, brengt de heer Laynaud de

belangwekkende opschriften onder onze aandacht, de geschilderde

emblemata ook, die op de loculi dus niet zijn gegraveerd. Wat die

opschriften van de catacomben van Hadrumentum kenschetst, is de

soberheid en de eentonigheid ervan. De aanwijzing van den dag en de

maand, nooit die van het jaar, gaat gewoonlijk aan den naam vooraf,

zonder voornamen en met de formule "in pace". De hier begraven

Christenen waren arm. Men is er dan ook wel ver van de sarcophagen en

fresco's uit Rome. In den steeds onontwarbaarder wordenden doolhof

van gangen, waar nu en dan de vreemde helderheid binnenvalt van

een uitkijkje, drongen wij al dieper door, aangemoedigd door het

geestdriftig woord van onzen gids. Eerst nadat we hem hartelijk hadden

bedankt voor den interessanten tocht naar de dooden, bereikten we

den uitgang en het daglicht.

Sedert het automobilisme, dat de maat voor de afstanden heeft

gewijzigd, durft men haast niet meer zeggen, dat men een verre

reis doet, zelfs niet in zuidelijk Tunis. Hoe het zij, of we nu een

reis doen of maar een uitstapje, het komt mij piquant voor, na onze

eindelooze tochten te paard door Russisch Armenië en Klein-Azië, na

onze langzame vaarten op den Nijl, nu eens dit hoekje van Noord-Afrika

te bezoeken in het snelle tempo van de automobiel.

Den 16den Maart verlieten wij om één uur in den namiddag Soesa en daar

rolden we al spoedig over den weg naar Sfax, die de vergelijking kan

doorstaan met onze beste rijwegen in Frankrijk. Het land werd al gauw

dor en verlaten. Eenige kudden schapen en kameelen tusschen de weinige

doears verlevendigden den weg. Toch weet men, dat deze streek vroeger

met woningen overdekt was en dat in de nabijheid op de plaats zelve,

van El Djem, dat we nu naderen, de romeinsche stad Thysdrus stond, een

der rijkste steden van Noord-Afrika. De invallen, die successievelijk

het land hebben verwoest, hebben tevens de vernietiging meegebracht

van alle aanplantingen, olijven, graansoorten en vruchtboomen en van

de bewonderenswaardige besproeiingswerken, die de Romeinen er hadden

aangelegd. Waterleidingen, thermen en een circus zijn teruggevonden. De

nomaden hebben hun zwarte tenten opgericht en hebben hun kudden laten

grazen op de ruïnen, waarvan men de mozaïeken gaat bewonderen in het

Museum te Soesa; zij, die van roof leven, bijna zonder behoeften zijn

en halve wilden, huizen op de terreinen die de korenschuur van Rome

werden genoemd.

Toen wij het kolossale amphitheater bereikten, hoorden we de klanken

van doedelzakken en tamboerijns. Weldra verschenen de kaïd van

Soeassi's, de khalief van El Djem en de notabelen van het land,

om den Resident te begroeten. De rijtuigen komen slechts langzaam

vooruit door een dichte menigte inboorlingen in burnoes, opgehoopt

in de straten van El Djem. We kwamen uit op een groote, open ruimte,

waar ons een onverwacht schouwspel wachtte. Onder de stralen van een

schitterende zon vormden ruiters, in een halven kring gerangschikt

en gezeten op prachtig opgetuigde paarden, een wonderschoone haag. Ze

hielden banieren van gele en groene zijde in de hand, die klapperden in

den wind, terwijl de luide muziek zich te goed deed aan een uitvoering

van de Marseillaise in ongewone mineurtonen. De Resident moest den

kaïd beloven, op den terugweg langer te El Djem te vertoeven; dan

zouden de ruiters hem op een prachtige fantasia vergasten, met een

ontvoering van de bruid.

Nadat we den tol onzer bewondering hadden betaald aan het amphitheater,

een der grootste van de heele romeinsche wereld, trokken we door het

dorp, het stofkleurige, waar alleen cactussen schenen te groeien. De

heele bevolking liep uit, om de gasten te zien. Hier en daar keek een

jonge vrouw of een jong meisje even door een half openstaande deur

en liet een frisch, bruin gezichtje zien, zij eveneens nieuwsgierig,

om den Sidi el Oezir, den heer minister, te aanschouwen op gevaar af,

door haar man of haar vader te worden vermoord.

Weer rolden de automobielen te midden der wijde uitgestrektheden

van struikgewas, in weideland herschapen. Het landschap blijft

gelijk, tot Sfax toe. Maar in de buurt van die plaats vertoonen zich

olijvenboschjes, de beroemde boschjes, die niet enkel de glorie zijn

van de Sahel, maar ook de rijkdom van de vlakte van Sfax. En tuinen

volgen elkander op, tuinen, omsloten door muren of cactusheggen en

gevuld met vruchtboomen van allerlei soort, terwijl er moestuinen

zijn als bij de nadering van een groote stad. Men passeert een aantal

kleine zomerverblijven, waar de rijke lieden van Sfax in den zomer

wat schaduw komen zoeken en zeelucht komen inademen. Te midden van

dien weelderigen gordel van tuinen ligt Sfax, de grootste stad van

het Regentschap na Tunis. De levendigheid in de nabijheid zou al

voldoende zijn, om haar belangrijkheid in het licht te stellen. Als

alle versterkte steden van Tunis, heeft de plaats een gekanteelden

muur met torens en bastions, veel gelijkende op een middeleeuwsche

vesting. Het is avond als de auto's er aankomen en er door breede,

goed verlichte straten rijden. Wij laten den Resident weer aan het

Contrôlegebouw achter, waar hem de heer en mevrouw Theller wachten,

en waar wij ons bij hem zullen voegen voor het diner, nadat we ons

van onze bagage hebben ontdaan in het hotel.

Het is algemeen bekend, hoe Sfax zich in den laatsten tijd heeft

ontwikkeld en hoe die vooruitgang dagteekent van de exploitatie

der phosfaatlagen van Metlawi. Het laden van de phosfaten geeft een

voortdurende drukte in de haven. De opbrengst aan olijfolie is een

tweede element van welvaart geworden. Ook drijft Sfax handel in vijgen,

amandelen, sponzen, droge visch, versche vruchten, groenten, alfagras,

zoodat zij wel haar naam verdient van tweede stad van het Regentschap.

De nieuwe stad, die zich buiten de vestingwerken heeft ontwikkeld

langs de zee, heeft een prachtig aanzien gekregen door de manier,

waarop ze in grootschen stijl is gebouwd, iets eenigs in Tunis. De

straten en lanen zijn omzoomd met palmen; de openbare gebouwen en

de particuliere huizen met terrasvormige daken verheffen overal

hun schitterend witte gevels. Misschien is het jammer, dat men te

uitsluitend palmen heeft geplant met verwaarloozing van alle andere

boomen, want nu zal er zoo weinig schaduw te vinden zijn in die breede,

elkaar rechthoekig snijdende straten.

Een woeligheid als in een bijenkorf heerscht des morgens in de

soeks. Joden en Mohammedanen, de laatste met groene tulbanden, loopen

haastig en druk door de zonnige straatjes, waar moskeeën hun koepels

en minarets verheffen.

Aan de haven woonden we het inladen der phosfaten bij en daarna

geleidde men ons naar het stadhuis en den gemeentelijken schouwburg,

twee mooie gebouwen, die nog niet lang geleden werden opgetrokken. De

grootste weelde bij de inwendige versiering van het stadhuis bestaat

uit de prachtige romeinsche mozaïeken, in de buurt gevonden, waarmee

men de gelukkige gedachte heeft gehad, de wanden te bekleeden en een

paar zalen te bevloeren.

Na het ontbijt brachten we per auto een bezoek aan het

olijvenbosch. Allen die in Sfax komen, bewonderen dat bosch. De

geregelde aanplanting, die een zeer groote ruimte beslaat, zeventien

boomen ongeveer op de hectare, en het voortdurend onderhoud hebben

de cultuur tot den hoogsten graad van volmaking gebracht. De lieden

van Sfax hebben aldus opnieuw verwezenlijkt en dat wel na een plan,

door de regeering ontworpen en dat den vroegeren directeur van den

landbouw, den heer Paul Bourde, tot groote eer strekt, datgene,

wat ten tijde der Romeinen den rijkdom uitmaakte van dit gedeelte

van Tunis. Toen lagen hier veel steden en dorpen, waarvan men zich

de welvaart en den bloei op geen andere wijze kan verklaren dan door

de teelt van olijven en vruchtboomen.

Het district van Sfax is een der minst begunstigde uit het oogpunt

van de watervoorziening. Het regent er zelden en de grond is daarom

weinig geschikt voor den graanbouw. Maar daar hij licht en goed

doorlaatbaar is, zijn de olijfboomen ver uit elkander geplant, opdat

ze alle kunnen profiteeren van de vochtigheid van den ondergrond over

een groote uitgestrektheid.

Wij rijden door de groote vlakten, beplant met olijvenboschjes aan de

zee. Het lijken parken, zoo prachtig worden ze onderhouden, en ze laten

ver achter zich al wat men in dit genre in Europa kan zien. Gedurende

het eerste zestal jaren kweekt men in die aanplantingen afwisselend

rogge, gerst en boonen. Alles is reeds gezegd in de quaestie der

olijven te Sfax. Maar wat men niet genoeg bewonderen kan, noch dikwijls

genoeg herhalen, dat is, dat deze graad van volmaking verkregen is

door een volkomen inlandsche werkwijze en dat de moderne wetenschap

er niets heeft bij te voegen of op af te dingen. De menschen te Sfax

hebben dus een hoog denkbeeld gegeven van hun liefde tot den arbeid,

maar tevens een bewijs van hun speciale geschiktheid voor den landbouw.

Als men officiëel en per auto reist, is men eraan gehouden, alles

te zien en met groote snelheid. Na het bezien van de grootste

aanplantingen volgde een bescheidener cultuur, die echter toch zeer

origineel en interessant was, de sponscultuur.

Uit de automobiel stapten we in een groote boot, die in de haven

op den Resident-generaal wachtte, en onder het geleide van den

kapitein der haven bereikte ons gezelschap het ruime sop, want het

biologisch station lag nog 1500 meter van daar. Ten allen tijde

hebben de tunesische kusten sponzen voortgebracht, en Sfax is het

middelpunt van den handel. Eertijds hadden de Sicilianen bijna alleen

het monopolie van die vangst of inzameling; maar tegenwoordig wordt ze

ook beoefend door Arabieren en Franschen. Maar men heeft waargenomen,

dat de rijkdom van de sponsbanken aan het verminderen is en dat de

moeilijke inzameling al minder en minder winstgevend werd. Vandaar het

idee, om de diepten weer te bevolken en om, zoo mogelijk, kweekplaatsen

voor sponzen aan te leggen, zooals voor de oesters geschiedt. Daarom

heeft professor Dubois van de universiteit te Lyon er bij de regeering

van Tunis op aangedrongen, om in volle zee, even buiten de haven van

Sfax, een laboratorium in het leven te roepen voor de biologie der

zeedieren. Het wordt bestuurd door den heer Allemand Martin. Wij deden

het kleine op palen gebouwde stationnetje aan, waar alles erop wijst,

dat men met een plek van werk en waarneming te doen heeft. Het is

op de bestudeering van de levensvoorwaarden der sponzen ingericht en

op het nagaan van hun wijze van vermenigvuldiging. Die geschiedt op

twee verschillende manieren, door splitsing en door het uitzaaien van

larven. Na te hebben geconstateerd, dat er door deeling bevredigende

resultaten werden verkregen, sloegen wij weer den weg naar de haven

in, gelukkig, dat dit bezoek aan de sponzen ons tegelijkertijd een

aangenaam en te kort zeetochtje heeft verschaft op het heerlijke uur,

waarop het eenige schouwspel van den zonsondergang in een apotheose

van purper het oog verrukt.

Er was dien avond een groot diner bij den kaïd van Sfax, Si Sadok

Djeloeli. Zijn dienaren kwamen aan het civiele Contrôlegebouw den

Resident-generaal en zijn genoodigden afhalen. Ze droegen groote glazen

lantaarns, zooals in het geheele Oosten in gebruik zijn, en gingen voor

ons uit door de straatjes van de arabische wijk, onder een prachtige

sterrenlucht. De kaïd wachtte den minister op eenigen afstand van zijn

woning af en leidde den ambtenaar op statige manier naar zijn huis. Si

Sadok Djeloeli is een der bekendste persoonlijkheden van Sfax en een

der sympathiekste. Hij liet ons door een zaal gaan, waar muzikanten

veel rumoer maakten. Er wachtten danseressen op divans het einde van

den maaltijd af, om daarna een uitvoering van haar kunst te geven. Dat

beloofde ons een aantrekkelijken avond met veel locale kleur.

In de eetzaal was een tafel aangericht, geheel op

europeesche wijze. Vóór iederen gast stonden veel glazen en

een champagnebeker. Menu's beloofden ons in het Fransch echt

inlandsche gerechten. Tegenover den Resident-generaal nam de heer

des huizes plaats, gedrapeerd in zijn zwaren burnoes van witte

wol. Hij was een aristocratische grijsaardsverschijning, vol fijne

vriendelijkheid. Ongelukkig sprak hij geen Fransch.

Ik zou Brillat-Savarin in eigen persoon moeten zijn, om dit

arabisch menu naar eisch te beschrijven. Want de keuken van die

voorname arabische huizen is iets zeer geleerds en samengestelds. De

toebereiding van de spijzen duurt lang en vereischt de medewerking van

verscheiden familiën, om een maaltijd op tafel te brengen als dien van

den bedoelden avond. Na de tapiocasoep waren er gebakken eieren in

korst, kippen met groenten en een lamsgebraad met amandelen. Daarna

kwam een sappige en heerlijke koes-koes, gekruid op de manier, die

een arabisch gehemelte streelt, maar die voor het onze pernicieus

is. Een honigtaart met amandelen wekte een storm van bewondering

en ingenomenheid onder de gasten en was een groot succes, ofschoon

ze, geloof ik, de oorzaak was van een paar ongesteldheden, die het

noodzakelijk gevolg schijnen te zijn van een oostersch feest. Daarna

was het de beurt van de vruchten, van de zoetigheden en bonbons,

die wonderlijke vormen en namen hadden; en daar er aan alles in

deze wereld een einde komt, stond de kaïd, na nog een laatste glas

champagne te hebben geledigd, van tafel op en leidde ons naar den

salon, waar de koffie en likeuren werden gepresenteerd geheel naar

franschen trant. Dat was ook het preludium voor de dansen, waaraan de

mooie meisjes met de beschilderde gezichten zich nu gingen wijden,

gekleed in schitterende satijnen pantalons, geborduurde lijfjes

en veel gouden en zilveren versierselen. De tegenwoordigheid van

dames ontstemde haar een weinig en ze bromden een oogenblik, maar de

uitlokkende roepstem van het orkest deed de moedigste het sein geven,

en met den klassieken zijden doek in de hand, golfde ze heen en voerde

dien leelijken danse du ventre uit, die voor de meeste oosterlingen

het toppunt van kunst vertegenwoordigt. Na den dans van de derde

almee namen wij afscheid van den kaïd en bereikten onze respectieve

logeerplaatsen, onder het geleide van groote lantaarns.

18 Maart.--Vandaag glijden we naar Gabes. Het is een tocht van 135

kilometers over een mooien weg, die zijn kronkelingen legt door een

eenzaam landschap, alleen verlevendigd door een paar doears en hun

kudden schapen en kameelen. Alle lentebloemen leggen kleur op de

steppe en veel brem schittert ons tegen. Ongelukkig was deze etappe

bestemd, om niet zonder ongelukken af te loopen. Een zwarte reeks

pannes begon halfweg Gabes, wat den heer Alapetite noodzaakte, ons

achter te laten met den heer en mevrouw Siegfried. De waterbekkens,

die langs den weg waren te vinden en die wij tot nu toe slechts met

een half oog hadden aangekeken, werden van toen af voor ons van het

hoogste belang, want we gingen van het eene naar het ander en putten

er water uit, dat onze motor noodig had voor zijn onleschbaren dorst.

Behalve dat wij nu niet tegenwoordig konden zijn bij de receptie van

den Resident-generaal, moesten we ook afstand doen van het tweede

ontbijt. De zon brandde vreeselijk op den vollen middag, en deed ons

gevoelen, dat het klimaat van Zuid-Tunis gunstiger is voor de kruin van

de dadelpalmen dan voor die van arme automobilisten, die met pannes

sukkelen. Eindelijk tegen vier uur in den namiddag wenkten ons op

aanmoedigende manier de palmen der oase. Met horten en stooten bereiken

we het Contrôlegebouw, waar ons een versterkend collation wachtte,

bereid door de goede zorgen van mevrouw Livet. Het was maar een kort

oponthoud, want we willen genieten van de laatste teekenen van de

officiëele receptie, in de oase door den kaïd der streek georganiseerd.

Rijtuigen brachten er ons vlug heen. Maar pas waren we de wegen van de

oase opgereden, of daar deed zich het wonderschoone schouwspel van de

bloeiende vruchtboomen aan ons voor. Onder den koepel, door de hooge

dadelpalmen gevormd, en op het zachtgroene tapijt van korensoorten

op den grond, is het een ware jubel van bloeiende boomen; amandels,

abrikozen en perziken verheffen hun rose en witte kruinen naast

vijgeboomen, granaatboomen en bananen en werpen een licht schijnsel

onder het hoogere groen. De tegenstelling is groot voor reizigers,

die sedert het verlaten van de stad Tunis niet veel anders hebben

gezien dan grijze olijven en doornachtige cactussen, en ze is wel

geschikt om ons sterk te boeien.

De wijnstok slingert als een liane zijn forsche takken tot in den

top der hoogste dadelpalmen. Overal is stroomend water, met bekwame

hand geleid in duizenden kleine beekjes, en verrukt, bereiken wij den

waterval van Chenini, waar tegenover de kaïd van Gabes, Si Mohammed

ben Khalifa een groote arabische tent heeft laten oprichten. Als we een

uur te voren waren gekomen, zouden we tegenwoordig zijn geweest bij de

ontvangst van den Resident, we zouden zijn toespraak hebben gehoord,

en de kaïds en voorname inboorlingen hebben gezien in hun schitterende

gewaden. Thans is de tent ledig. Wij stappen er door over de mollige

tapijten van heldere kleuren, die op den grond zijn uitgespreid, en

nemen plaats met het gezicht naar de schuimende wateren van de cascade.

Enkele notabelen, die achtergebleven waren, om de laatkomers te

ontvangen, nemen vriendelijk de honneurs van het buffet waar, dat

op lage tafels is aangerecht, en nog goed is voorzien van bonbons

en inlandsch gebak. We gebruiken koffie en proeven van den lagmi of

palmwijn, die flauw en sterk gesuikerd smaakt. Maar wij willen liever

voortmaken, om onzen tocht te vervolgen en nog eenige oogenblikken te

genieten van den bekoorlijken aanblik der oase. Te midden van dezen

afrikaanschen plantengroei waartusschen alles te bewonderen valt,

wat onze lente zoo heerlijk maakt, spelen de stralen der ondergaande

zon. Van purper tot mauve zijn de luchten getint en eindelijk nemen

ze dat zachtrose schijnsel aan, dat even een vreemd licht over de

omgeving werpt en dan spoedig in het nachtelijk duister overgaat.

II.--Te Medenine.--Bezoek van den

Resident-generaal.--Fantasia.--De ksar.--Terugkeer naar

Gabes.--Een beetje anthropologie.--Bezoek aan het heilige

Kairoean.--Uitstapje naar Kef en Maktar.--Dolmens en

romeinsche ruïnen.--Van Kef naar Doegga en naar Tunis per

automobiel.--Afscheid van de doode steden van Tunis.

19 Maart.--Over het weglint, dat ter lengte van 80 kilometer

Gabes met Medenine verbindt, glijdt vlug de auto, ten spijt van

grimmige kameelen. Een oponthoud bij de kleine oase van Mahred

wordt noodzakelijk door den aanblik van een bevallige Rebekka,

die er langzaam haar kruik van antieken vorm vult. Het is een

allerbekoorlijkst tooneel onder de palmen, en het mooie meisje met

de gazellenoogen en de zware zilveren versierselen, is niet al te

onvriendelijk. Maar het verschijnen van een jongen man, broeder of

echtgenoot, noopt haar, snel te vluchten met haar kruik, en plotseling

is het bijbelsch vizioen verdwenen.

Wij reden over golvende plateaux over een uitstekenden weg. De

schoone Matmama-keten sluit den horizon af ten zuiden van een

blauwachtige lijn. Het is heerlijk weer en de lucht is vol geur van

lentebloemen. De weg gaat door de wadi Metamer. Naarmate we de ksar

naderden, werd de streek droger en droger. Aan den rand van een ware

steenwoestijn daagde op eens van achter een terreinplooi een wolk

van in burnoes gehulde ruiters. Ten getale van vijf- tot zeshonderd

waren ze gekomen van 200 kilometer in het rond, met hun kaïds, om

den Resident te begroeten. Woeste kreten en geweerschoten worden

gehoord. De steigerende paarden doen de steenen onder hun hoeven

opspringen. Het meest verbaast de plotselingheid van het opgevoerde

tooneel, dat door de gesteldheid van den bodem totaal voor onze oogen

verborgen was gebleven. De fantasia omgaf de automobielen, die hun

gang hebben vertraagd, en de ruiters, staande in de stijgbeugels,

klieven de ruimte, werpen hun geweren in de lucht en vangen ze in de

vlucht op, bijna rakelings aan de rijtuigen. Zoo komen wij te Medenine

in een atmosfeer vol van kruitdamp en stof, onder een brandende zon,

als verdronken in die zee van hijgende menschen en met schuim bespatte

paarden.

De officiëele receptie begon dadelijk. De kaïds in groot tenue

komen bij beurten den Resident hun welkomstgroet brengen en hem de

verzekering geven van hun gevoelens van trouw aan Frankrijk. Men

is hier op militair terrein. Medenine is de hoofdplaats van het

commando. De grens van Tripolis is niet ver af, en de stammen in de

buurt zijn nog al woelig.

Na het défilé der inlandsche hoofden en militaire autoriteiten begaf

zich de officiëele stoet voor het ontbijt naar de woning van commandant

Donau. En in dit verloren hoekje van het Zuiden van het Regentschap,

een echte tunesische Sahara, in dit trieste en verre afrikaansche

garnizoen, begroeten wij elkander met waar genoegen rondom een tafel,

waar fransche harten eenstemmig kloppen. De vroolijke en energieke

officieren maakten van den maaltijd een onvergetelijk uurtje. Het

zal een der beste herinneringen blijven van de vele, die we van dezen

tocht meenemen.

De clou van het maal was een mesjoeï. Gebraden door den op dit

stuk bekwaamsten ruiter, op een plank uitgestrekt, en gedragen

door twee mannen, houdt het schaap een triomfantelijken intocht,

in gouden glans en druipend van het vet. En om ons te houden aan

de plaatselijke gebruiken, nemen wij met de vingers stukken af van

het apetijtelijke vleesch. Na in het salon van den commandant de

koffie te hebben gebruikt, begaven we ons naar de club, waar een

massa boeken en tijdschriften voor de officieren hun ballingschap

dragelijk kunnen maken.

Het kamp is gelegen op een heuvel tegenover die andere hoogte,

waar de ksar op ligt, die het doel van ons uitstapje is. De ksar in

Zuid-Tunis is het type van een dorp van zeer bijzonderen aard. Het is

een opeenhooping van gebouwtjes, die eigenlijk op rijen geplaatste

gewelven zijn in verscheiden verdiepingen en wel een weinig aan

bijenkorven doen denken. Die vele meters lange gewelven zijn meestal

niet hooger dan anderhalven of twee meter. Aan den kant van het veld

is er geen enkele opening. De deuren gaan alle aan een binnenplaats

open, en daar er geen spoor is van een trap, om de hooger gelegen

verdiepingen te bereiken, staat men in den aanvang verbluft tegenover

die zonderlinge gebouwen. Maar dan bemerkt men, dat vooruitspringende

steenen langs den gevel de treden zijn van een trap, waarlijk al te

verheven en luchtig, en dat men er op moet klimmen, door zich met

handen en voeten te steunen.

De overwelfde verdiepingen zijn niet anders dan korenschuren,

waar de bewoners vroeger hun oogsten borgen van een geheel jaar

en van allerlei soort, en waar ze die in veiligheid brachten voor

roovers. Te Medenine zijn die voorraadschuren talrijk en hebben

soms vijf verdiepingen. De inboorlingen, die nog al eens moeten

kampeeren in de buurt om hun troepen, lieten de bewaking van het

dorp aan enkele gewapende personen over, die in geval van onraad de

oorlogstrommel roerden, om de bewoners op te roepen. Tegenwoordig, nu

er veiligheid heerscht in het Zuiden, hebben die voorzorgsmaatregelen

hun beteekenis verloren, en de overwelfde torens vallen in puin. De

oogsten worden thans bewaard in silo's in den grond, die van binnen

met stroo zijn bekleed. Elke stam heeft zijn silo's bij elkander in

zoogenaamde retba's, toevertrouwd aan inlandsche bewakers, die een

bepaald percent van het geënsileerde ontvangen.

De weg gaat niet verder dan Medenine, en dit garnizoen is het eindpunt

van onze reis per automobiel. Maar eer we afscheid nemen van de

officieren, moeten wij uit handen van den beminnelijken commandant

Donau in ontvangst nemen de ridderorde van den Cafard van Medenine,

een eereteeken, dat enkel wordt geschonken aan diegenen, die den grond

van den ksar hebben gedrukt, en dat onder geen enkele omstandigheid

aan iemand anders wordt vereerd.

De heer Chantre bleef te Medenine met zijn tolk Saïd ben el-Haoessine,

secretaris van het bureau van inlandsche zaken, die te zijner

beschikking is gesteld, om in deze streek tot Tatahoeïne en Doeïret

de anthropometrische studiën der Berberstammen voort te zetten en

van de Arabieren, die er zich gevestigd hebben en er als nomaden

leven. Dat zijn bij voorbeeld de stammen van de Werghama's, de

Oederna's en der troglodieten, die zuivere Berbers zijn gebleven,

als de Matmati's. Daarna gaat hij naar Tripolis.

Het was reeds volslagen nacht, toen wij bij het civiele Contrôlegebouw

van Gabes aankwamen, vermoeid, maar verrukt van den mooien dag. En

ondanks het schaap van den vroegen morgen deden we groote eer aan een

sappig maal van gazellenvleesch, door mevrouw Livet voor ons bereid.

20 Maart.--Er zijn in Zuid-Tunis drie groepen oasen. De groep van den

Djerid, die de lekkerste dadels oplevert, vooral die van Tozeur; dan

de groep van Nefzaoea, en die van Gabes. Deze palmentuin, die dadels

van middelmatige qualiteit geeft, omvat drie voorname dorpen, Menzel

op den rechteroever van de wadi, Djara en Chenini op den linkeroever,

zonder nog enkele kleine gehuchtjes mee te rekenen. De aanwezigheid

van water heeft ten allen tijde van deze streek een vruchtbaar en

bewoond land gemaakt. Uit voorhistorische tijden zijn er talrijke

overblijfselen te vinden uit het steentijdperk. De Romeinen hadden

er een bloeiende kolonie, en vóór dien tijd hadden de Phoeniciërs er

een van hun voornaamste handelsplaatsen gevestigd. Men heeft te Gabes

waterwerken aangetroffen, die tot de hoogste oudheid opklimmen. De

materialen van het antieke Tacape hebben gediend bij den bouw van

de beide tegenwoordige dorpen. Op het oogenblik van de aankomst der

Franschen werd Menzel, omdat het weerstand had geboden, gebombardeerd

en de markt werd naar Djara overgebracht.

Tegenwoordig wordt de waterhoeveelheid in de oase op zeer regelmatige

wijze verdeeld. Ongelukkig maakt de vochtigheid het verblijf er

ongezond. Zij veroorzaakt moeraskoorts, en dat zelfde bosch van

palmen, dat aan de plaats zulk een bekoorlijk aanzien geeft voor

den toevalligen toerist, is noodlottig voor diegenen, die er moeten

wonen en werken. De bevolking lijdt in haar geheel min of meer aan die

koortsen. Terwijl wij den loop der wadi volgen, die over een zandige

bedding stroomt, tusschen hooge oevers van zand en die helder, maar

ongelukkig geen drinkbaar water bevat, merken we op, met hoeveel zorg

de oase bebouwd is en hoe ze is verdeeld in kleine of groote perceelen

en doorsneden door een oneindig aantal paden. Bruggen van stammen

van palmen zijn overal geworpen over de wadi en haar zijtakken. Er

heerscht veel leven en beweging onder de palmen. Telkens ontmoet men

kleine ezels, beladen met manden met gras, kameelen, rossig van tint,

met hun minachtende bovenlip en allerlei voetgangers en schilderachtige

ruiters. Er loopen halfnaakte kinderen achter ons aan met bouquetjes

wilde bloemen, die ze ons aanbieden.

Onderweg in Tunis De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 1 / 3 段