Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de
Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van
hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere
oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig
voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af
te schrijven uit het werk van Professor Paulus Voet, Oorspronck,
voertganck en daeden der doerluchtige Heeren van Brederode, uit hetwelk
buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel
aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele
merkwaardigheden omtrent het vroegere Vianen bevat.
Zie hier de woorden van voornoemden Professor Paulus Voet, pag. 110
en volgende.
«Na het overlijden van Raynoudt is Hendrick sijn sone, de een en
twintichste Heere van Brederode geworden.......
«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne, Aemilia genaemt,
dochter van Gumbert, Grave van Nieuwenaeren en Limborch, uit de
Gravinne van Schouwenburch Holstein en Steinbergen. Deze Aemilia
was uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende
gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert
soodaenich bemint van haeren man, dat hij 't haeren gevalle alles zoude
gedaen hebben, soo 't in sijne macht waere geweest. Om haer eenich
vermaeck aan te doen, dede buijten Vianen in het Bosch een aengenaem
Speelhuijs metselen, Ameliensteijn genaamt. 't Welk nu ter tijt geset
staet midden in een vierkant. Was daer nae bij Heer Johan Wolphaert
tot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot
bevrijdinge van 't gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen,
en den smaeck wesen kan.
«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer
aldaer, maer ook het gehoor, door 't aengenaem gezang van allerleij
kleijn gevogelte, 't welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.
«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t' samen vier
in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der
ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt,
of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen
schijnen en de konst van 't aengenaem leijden, en de natuer omtrent
het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten,
met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt
het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voor Pan
vluchtende in een biesbosch veranderde.
«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden
perspectiven van op in rijen gezette boomen die 't gesichte ten
boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was
dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden dat
Hendrick leefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof
mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de geruste
besittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede
te doen tot vermaeck van zijne vrouwe Aemilia, terwijle dat Godt en
de gelegentheijt zulks hun beide gunde.
De geleerde Van 't Sant, Kostschoolhouder te Gorinchem meldt in
zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen,
omtrent Amalienstein het navolgende.
«Een kwartier uurs ten westen van Vianen in het Vianensche bosch,
had de beroemde Heer Hendrik van Brederode, welke in 1568 stierf,
voor zijne gemalin Amalia van Nieuwenaar een adellijk huis doen
bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het
was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal,
ter vergaderplaats diende, om over het bekende smeekschrift der Edelen
te handelen, dat der Hertogin van Parma moest aangeboden worden; doch
de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede
in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.
Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen
vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen
mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor
de zoodanigen, die met waardige personen en nuttige inrigtingen
in Vianen gaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de
navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik
voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats
Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had
ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw
te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding
van zoude hebben mogen achter wege laten.