DE WANDELING.

Wanneer een mijner vrienden uit mijne vorige woonplaats mij te kennen

gaf, dat hij gaarne onder mijn geleide, Vianen wilde bezoeken, en hij,

het zij met de stoomboot uit Rotterdam, of de schuit van Utrecht,

te Vreeswijk zoude aankomen, zoude ik hem van daar gaan afhalen,

en de schipbrug met hem overwandelende, door de buitenstad regt op

de Lek-poort aantreden; ik zoude hem eene wijle tijds vóór die poort

doen vertoeven, ten einde dezelve met hem in oogenschouw te nemen,

ik zoude hem deszelfs merkwaardigen en alouden bouwtrant, als meer

dan twee eeuwen tellende, doen opmerken, en, na eenen vlugtigen blik

in de stad geworpen, en dezelve, zoo als de latijnen zulks noemen,

a limine gegroet te hebben, eenige schreden achteruit treden, als dan

den zoogenaamden Ringdijk met hem opgaan, hem, al voortwandelende, de

overschoone en schilderachtig gelegene landsdouwen, aan weerszijde van

den Lekstroom doen gadeslaan, hem op het in de verte gelegene aloude

stadje IJsselstein opmerkzaam maken, en hem voorts de torenspitsen

van de menigvuldige in de verte gelegene dorpen aanwijzen.

Ik zoude nu verder met hem voortwandelende het gesprek wenden op

de Vaderlandsche Geschiedenis, ik zoude den roem vermelden dier

uitstekende helden en staatsmannen, die in het midden der vijftiende

en het begin der zestiende eeuwen, de eerste, op het veld van eer, als

manhafte Scipioos, de laatste in de raadsvergaderingen, als welberadene

Catoos voor vrijheid en vaderland streden en den liebaart ontrolden

voor haardsteden en altaren; ik zoude spreken van Floris I en II,

van Pallant, Graven van Culemborg, van die van Egmond en Hoorne,

van Lalaing en Van den Berg, die voor Margaretha en Granvelle om

vrijheid van godsdienst aanhielden en van dien eersten Willem, die

nog bij den laten naneef den naam van den zoo bedachtzamen Zwijger

voerende, bij denzelven niet dan met diepen eerbied vermeld wordt;

ik zoude met uitbundigen lof uitweiden over de tijdgenooten van

die groote mannen en ik zoude met nadruk de namen der Graven van

Brederode noemen; nu langzaam tot mijn doel naderende, zoude ik, als

op het onverwachts met mijnen vriend stand houden voor de Slotpoort,

die ter linkerzijde gelegen, voert tot de bouwvallen van het kasteel

van Batenstein, weleer het verblijf dier onvertzaagde helden, die

nog ten huidigen dage niet zelden door meer dan eenen inwoner van

Vianen, die het te schatten weet, wat ook hij aan hen verpligt is,

met heilig ontzag genoemd worden.

Treden wij de Slotpoort binnen; wat al Edelen en Ridders, in trotschen

wapendosch, door helm en maliënkolder voor het vijandelijk zwaard

gedekt, met hunne schildknapen en voetknechten, zijn niet, nu bijna

drie eeuwen geleden, op hunne strijdrossen gezeten, die Slotpoort

binnen gereden, om dan eens aan gewigtige beraadslagingen deel te

nemen, dan weder in de ridderzaal aan het hofbanket den vaderlandschen

berkemeier te ledigen.

Wat al Jonkvrouwen, in bevallige amazonendragt, van de valkenjagt terug

gekomen, omstuuwd van hofjonkers en valkeniers, met den koninklijken

roofvogel op de vuist, deden niet, de toegangen van het kasteel, hunne

genetten berijdende, van derzelver hoefslagen weergalmen, om daarna,

naar oud-vaderlandschen trant, aan den spinrok te arbeiden, terwijl in

nog vroegere eeuwen, Vrouw Jacoba met haren Borssele binnen de muren

van het adellijk Batenstein, in teedere minnekozerijen verzonken,

zich met zang en luitgespeel vermaakten.

Aan weerszijde van den hoofdingang, welke tot het corps de logis

leidt, ontwaart men nog de nissen, in welke voorzeker de wapentropheën

der Edelen, uit schild en pantzer, helm en zwaard te zamen gesteld,

waren opgehangen, en die ik minder gaarne wil gepleisterd, dan wel

met mosch en klimop begroeid zoude zien.

Verder doorgaande komt men op het terrein, op hetwelk het slot

Batenstein is gesticht geweest; van dat slot zijn geene sporen

overgebleven, dan alleen, aan weerszijde van het plantsoen, de ruïnen

der dikke muren, die nu dat terrein van de lusthoven afscheiden,

die aldaar door twee aanzienlijke inwoners van Vianen zijn aangelegd.

Dit plantsoen, aan hetwelk de andersints zoo gevoel- en smaakvolle en

voor edele herinneringen aan het dierbaar voorgeslagt, zoo vatbare

Viaansche burger, den naam van Brederodes Boschje had behooren te

geven, is doorgaans eenzaam en verlaten en strekt alleen, ten doorgang,

door de Slotpoort, naar het buitenste gedeelte der stad, en het

Viaansche bosch, hetwelk zich in eene verre uitgestrektheid verliest,

en in onderscheidene fraaije lanen is afgedeeld, waarvan sommige nog

namen voeren, die aan de vroegere overmagt der Spanjaarden herinneren.

Onmiddelijk, nadat men door de meergemelde Slotpoort binnenwaarts langs

de nissen, van welke vroeger gewaagd is, het plantsoen is genaderd,

ontwaart men aan de regterzijde eene van geelen tufsteen gebouwde

pomp, die, volgens het opschrift, in het voor de geschiedenis zoo

merkwaardige jaar 1648, dat van het sluiten van den Munsterschen vrede,

aldaar is opgerigt; twee kuissche stroomgodessen, voorzeker niet door

bevalligheid merkwaardig, in half verheven beeldwerk strekken aan

dezelve ten sieraad: aan het water, hetwelk deze pomp opgeeft, wordt

volgens eene oude overlevering geneeskundige kracht toegeschreven,

immers, zoo als de oorkonde luidt, werd dezelve in vroegere dagen

door vele lijders bezocht, die in het drinken van deszelfs helder

water herstelling voor allerlei kwalen zochten. Martinet noemt in

zijn Vereenigd Nederland, deze pomp als beroemd om haar zuiver water.

Deze pomp stond wel eer door onderaardsche wellen in verband met

de streek gronds, onmiddelijk ter regter zijde van het plantsoen

gelegen, op welke grond eene volkomene badinrigting moet bestaan

hebben, die opzettelijk ten gerieve der lijders door eenen geneesheer

bediend werd;--met den besten uitslag konde voorzeker ook in deze

dagen op die plaats een badhuis worden opgerigt; eene onderneming,

welke wanneer dezelve van Gouvernementswege ondersteund werd, aan

den bloei en welvaart der stad Vianen veel zoude kunnen toebrengen;

men zoude als dan niet buiten zijn vaderland behoeven te zoeken,

hetgeen in hetzelve voorhanden is.

Maar wij gaan verder voort, het plantsoen verlatende komt men op den

Korten Dijk, eene straat, die weinig merkwaardigs zoude opleveren,

wanneer niet in dezelve de Vrijmetselaars Loge, van welke wij nader

zullen gewagen, werd aangetroffen. Den Korten Dijk verlatende,

en regts omslaande is men op de Voorstraat gekomen, eene straat,

welke voorzeker met vele fraaije straten in de groote steden van

ons vaderland kan wedijveren en boven de meesten, als regtlijnig

mag geroemd worden. In deze straat bevinden zich vele aanzienlijke

huizen, door voortreffelijken bouwtrant uitmuntende, met namen die

van den Notaris Van den Berg, den Hoogheemraad Dupper, den Heer

Joan Cambier en Jonkvrouwe Cremer, bij welke met regt mag vermeld

worden de fraaije woning van den Heer Mr. H. M. van Eck, in welke

het Postkantoor wordt gehouden.

Het eerste openbare gebouw, hetwelk men in de Voorstraat ter

linkerzijde ontmoet is het Gemeenelandshuis. Eerbiedwaardig doet

hetzelve zich voor, wegens deszelfs antieke bouworde, in gothischen

stijl; de wapens van vele aanzienlijke geslachten van vroegere eeuwen

versieren den voorgevel en men treft in dit gebouw vele oudheden aan

op de vroegere geschiedenis van Vianen betrekkelijk, onder anderen

eenige antieke schilderijen, welke aan het aloude Vianen en het

geslacht der Brederode's herinneren.

De Burgemeester, benevens deszelfs Assessoren vergaderen hier

op gezette tijden, in eene fraaije geregtszaal wordt het regt

uitgesproken, steeds indachtig aan de gulden spreuk, welke ook in

gouden letteren boven den ingang der buitenhoofddeur pronkt audi

alteram partem, in welke spreuk ik ongaarne het woordje et vergeten

zie, en die ik mij veroorloofd heb, aldus te vertalen:

«Wilt gij vonnissen naar recht,

Hoor ook wat een ander zegt.»

Schuins over het Stadhuis gaat men naar de Roomsch Katholijke kerk,

boven den ingang leest men:

in domum domini ibimus.

Ik las hier liever eamus in domum domini. De kerk is van eenen zeer

fraaijen bouwtrant, en binnen in dezelve is alles doelmatig ingerigt.

Nu gaan wij langs de mede in gothischen stijl gebouwde en door

derzelver ouderdom merkwaardige Stads-pomp, de Voorstraat regt door

gaande op de Landpoort af, maar vóór dat wij ons buiten dezelve

begeven, in de eerste plaats eenen uitstap doende naar de Kerkstraat,

ten einde daar het huis van den Heer Cambier gade te slaan.

Deze aanzienlijke woning, welke verre zoude zijn, van eene buitenplaats

te ontsieren, is te midden van eenen zeer uitgestrekten en wel

aangelegden tuin gelegen, van uitstekend boomgewas voorzien; een

fraai ijzer hek leidt tot dezelve.

Uit de Kerkstraat terug komende, bevinden wij ons al dadelijk tegenover

het Kerkgebouw, aan de viering van de Hervormde Godsdienst toegewijd.

Aan hetzelve mag boven vele van soortgelijken aard in ons vaderland,

den voorrang worden toegekend. Een schoone predikstoel, met een

welluidend orgel daar boven maken inzonderheid het sieraad uit van dit

bedehuis. Men vindt in deze Kerk de marmeren graftombe van Heer Reinoud

van Brederode, in 1556 te Brussel overleden. Des Graven overschot is

sedert herwaarts overgevoerd en met de eer aan zijnen hoogen rang en

bijzondere verdiensten verschuldigd, alhier ter aarde besteld.

Treden wij nu de Landpoort uit; bekoorlijk zijn de ommestreken welke

men buiten dezelve aantreft. Al ras staat men eenige schreden voorbij

het logement het Zwijnshoofd, ter linkerzijde onwillekeurig stil,

voor het fraaije landverblijf, in eigendom bewoond door den Heer

J. J. Cambier, Burgemeester van het naburig dorp Hagestein. Dit

aanzienlijk gebouw, Buitenlust genaamd, is in den jare 1770 gesticht

door den Heer en Mr. Jacob Cambier, in leven Canonik in 't Capittel

van St. Pieter te Utrecht.

Hetzelve heeft eene geschiedkundige vermaardheid verkregen, door dien

de Fransche Generaal La Fayette, de grondlegger der Amerikaansche

vrijheid en onafhankelijkheid, de tijdgenoot van den beroemden

Washington, na zijnen afgelegden staat- en krijgskundigen loopbaan,

en zijne bevrijding uit de vesting Olmutz, aldaar gedurende eenige

jaren zijn verblijf heeft gehouden, als een andere Cincinnatus de

raadzaal met den ploegstaart verwisselende; verder voortwandelende

bereikt men de in eenen modernen stijl aangelegde Villa, de Monnikenhof

genaamd, eenige jaren geleden, bewoond door zijne Excellentie den

tegenwoordigen Heer Minister van Staat, en Lid van de tweede Kamer der

Staten Generaal, Mr. Floris Adriaan van Hall, en thans het eigendom

van den Heer W. Roozeboom, Burgemeester der stad Vianen.

Deze monnikenhof van welke de naam aan geestelijke gestichten vroeger

in den omtrek der stad gelegen herinnert, doet zich op eene bevallige

wijze aan het oog voor, zoo door de afwisseling van allerlei soort

van welig groeijend geboomte, als de schilderachtig gelegene woning

te midden van hetzelve.

Op eenen geringen afstand van den Monnikenhof ligt de Rietkamp,

mede eene bezitting van voornoemden Heer Burgemeester. Hij die zich

gaarne verpoost van het vroegere woelige stadsleven, en in stille

landtooneelen vermaak schept, die het oog gaarne doet weiden over

welige koornakkers, en de bevallige schakering van allerlei soort van

graanvelden bemint, zal zich regt gelukkig gevoelen in de lieve woning

op den Rietkamp, uit welke hij al die weelde eener vruchtbare natuur

kan in oogenschouw nemen, en, paart hij teeder gevoel aan gekuischten

smaak, en is hij dichter tevens, dan zal hij met welgevallen de

lustwaranden doorkruisen, te midden van welke deze Cottage is gelegen,

en denkende aan het beatus ille van Horatius, beurtelings den zanger

van den veldeling [1], de landelijke gedichten van den Duitschen Voss,

of de meer verhevene poëzij van den dichter der Jaargetijden [2],

tot zijne lievelingslektuur maken.

Verder de wandeling voortzettende, bereikt men Bentzberg, niet minder

smaakvol aangelegd dan de Monnikenhof en den Rietkamp; veel dennen en

sparrengeboomte strekt aan deze plaats van uitspanning ten sieraad,

en biedt den wandelaar een verkwikkend lommer aan; een sierlijke koepel

van fikschen bouwtrant, aan den straatweg gelegen, stelt den eigenaar

(den Heer Notaris Van den Berg) en diens gezin in de gelegenheid,

om menigen zomerschen dag genoeglijk in denzelven door te brengen.

En zouden wij bij onze omwandeling Vijverlust vergeten, die lieve plek

gronds, voor vele jaren het eigendom van nu wijlen den Inspecteur

Generaal van den Waterstaat, den Heer Jan Blanken Jansz. Daarna van

deszelfs schoonzoon, den Heer Sloot en nu door aankoop de bezitting

van den Heer Mr. Boxman, Burgemeester der stad Gorinchem en Lid van

de eerste Kamer der Staten Generaal; al het bekoorlijke hetwelk eene

doelmatig aangebragte afwisseling, van het geen natuur en kunst in

zich vereenigen kunnen, oplevert, maakt Vijverlust inderdaad tot een

lustoord. Het huis is zeer fraai en biedt aan een talrijk huisgezin

al de comforts aan, welke men in zulk eene woning verlangen kan.

Maar waar zouden wij eindigen, wanneer wij al die bekoorlijke

dreven, te midden van welke wij ons bevinden, en die den omtrek van

Vianen inderdaad tot een Thessaliesch Tempe maken, voorwerpen onzer

beschouwingen wilden doen worden; wij zouden daar voor tijds te kort

komen; wij bespoedigen alzoo onzen togt, na in het voorbijgaan nog

eenen blik te hebben geworpen op het zoo bekoorlijk Vreugdenrijk,

wel eer het Tusculum van den geleerden De Waal, langs schilderachtig

gelegene landhoeven, door lieve laantjes, tusschen beide het oog

vestigende, dan eens op in vollen bloei staande vruchtboomen, dan

weder op grazige beemden, dan op moestuinen, hunne voortbrengselen

in kwistenden overvloed aanbiedende, naar den Ringdijk, eene wijle

tijds hebbende stand gehouden, bij de overblijfselen van Amalienstein,

vroeger in de geschiedenis als een merkwaardig slot bekend, en waarvan

wij de beschrijving hierna zullen doen volgen, ten einde langs dien

Ringdijk, dat krachtig bolwerk, tegen de overstroomingen van den

Lek, weder te geraken tot het punt, van hetwelk wij zijn uitgegaan,

steeds onder vernieuwde opwekking van ons gevoel, voor de dagen der

verledenheid, hetwelk ons andermaal het aanschouwen van de bouwvallen

van het kasteel Batenstein inboezemt en naauwlijks kunnende denken,

dat er sints, zoo vele eeuwen verloopen waren, en wij ons niet in de

15de of 16de maar in de 19de bevonden.

Aan mijnen vriend worde alzoo uitgeleide gedaan, en keere hij terug

naar de plaats zijner woning, vroeger ook de mijne, ten einde daar te

verhalen, welke zijne gewaarwordingen zijn geweest op den klassieken

grond van de Lekstad en diens omtrek. Vaarwel dan waarde T. keer tot

uwe haardsteden terug, breng mijne groete over, daar waar dezelve

welkom zal zijn, en denk met mij aan de gevoelvolle woorden van den

Duitschen dichter:

«Und sind wir auch fern von einander,

Doch bleiben die Herzen sich nah.»

Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen · 第 6 / 28 题