Wat de eerste soort der romanceros betreft, ik heb er evenmin als
Sancho Panza een oordeel over, hoe oud zij zijn. Over deze vraag zijn
de tegenstrijdigste beweringen geuit, maar zooals ik reeds gezegd heb,
het zou al heel verwonderlijk zijn, wanneer geen overblijfselen van
het oude Castiliaansche volkslied in een veranderden vorm tot ons
gekomen waren. Ik meen, dat het volkslied een even groote kans heeft,
bewaard te blijven, als een oude gewoonte of een legende, en wij weten
hoe deze in bepaalde streken onveranderd bewaard zijn gebleven. Ik zie
dus niet in, waarom niet een zeker aantal oorspronkelijke Spaansche
balladen tot ons gekomen zouden zijn in een veranderden vorm, zoodat
degeen, die ze dichtte ze niet herkennen zou als zijn schepping;
want ook de dichter van Tom de Rijmer, de oude Schotsche ballade,
zou zijn werk niet meer herkennen, wanneer hij het in den lateren
vorm weer onder de oogen zou hebben gekregen.
Welke geleerde argumenten, hetzij oudheidkundige, of taalkundige, men
hiertegen ook zou aanvoeren, niemand zal mij deze overtuiging kunnen
ontnemen. Voor sommige menschen is de oudheid een warm en levend iets,
een wereld, waarvan zij de paden en gewoonten beter kennen dan van de
wereld, waarin zij nu leven. Voor anderen is de oudheid--een museum. Ik
heb niets tegen de beheerders van dat museum, en ik lees met genoegen
hunne boeken, die een land beschrijven, dat door weinigen van hen
bezocht is. Maar wanneer zij er op staan, een bewijs te weerleggen,
dat geleverd is door een instinct, dat zij missen, dan worden zij
vervelend. De oudheidkunde heeft, evenals de kunst, hare ingevingen,
haar hoogere visie, en het is betreurenswaardig, dat zij, die deze
intuitie missen, de juistheid hunner opvatting willen bewijzen door
doode logica.
Daarom zal ik niets meer zeggen over den ouderdom der balladen van
het Oude Spanje, maar wil ik slechts met Sancho Panza opmerken,
»dat zij te oud zijn om te liegen.« Ik heb duidelijk aangetoond,
dat voor een aantal balladen de stof werd geput uit de kronieken
en cantares, een omstandigheid, die op zichzelf al pleit voor hun
betrekkelijk hoogen ouderdom. Wij zullen ons hier niet bezighouden
met de latere kunstmatige imitaties van Góngora en Lope de Vega
en met andere producten van eenzelfde soort. Wij kunnen ten
slotte slechts de Spaansche balladen nemen, zooals wij ze in de
cancioneros vinden. Evenals de balladen van Schotland en Denemarken
zijn de Spaansche balladen eeuwen geleden verzameld en uitgegeven,
en in de bladzijden der cancioneros is oud en nieuw, volkslied en
letterkundig product, zonder eenig oordeel des onderscheids bijeen
gevoegd. Laat ons dus de geschiedenis dezer cancioneros eens nader
beschouwen, deze schatkamer der dichtkunst van een volk, en laat ons
hun ontwikkelingsgang volgen, om te komen tot de Spaansche ballade in
het algemeen. Wanneer wij dit hebben gedaan, kunnen wij hun oorsprong
behandelen met kritisch oordeel en met juist begrip.