Het ontbrak Partenopex in het geheimzinnige kasteel van Melior
niet aan verstrooiingen van allerlei aard; want de uitgestrekte
landerijen en bosschen waardoor het omgeven was, verschaften hem een
prachtig jachtterrein, en des avonds werd hij vergast op de heerlijke
liederen van onzichtbare zangers. Al het mogelijke en onmogelijke werd
gedaan, om zijn verblijf in het slot te veraangenamen, en om hem te
boeien. Maar te midden van alle heerlijkheden waardoor hij omringd
was, hoorde hij, dat zijn land was aangevallen door vijandelijke
troepen. Hij vroeg zijn onzichtbare gebiedster, voor zijn vaderland
te mogen strijden, en toen zij van hem de verzekering had gekregen,
dat hij zou terugkeeren, stelde zij het tooverschip, waarmede hij in
haar rijk geland was, tot zijn beschikking, en kort daarna kwam hij
daarmede in Frankrijk aan.
Maar toen Partenopex zich zoo spoedig mogelijk naar Parijs begaf,
om zijn zwaard in dienst van zijn Koning te stellen, ontmoette
hij een ridder, wiens optreden tegenover hem, aanleiding gaf tot
een tweegevecht. Toen zij eenigen tijd gestreden hadden, ontdekte
Partenopex, dat zijn tegenstander niemand anders was dan Gaudin, de
minnaar van Uracla, de zuster van Melior; en van geslagen vijanden
werden de twee jonge ridders goede kameraden, die te samen naar het
Hof van Parijs reden.
Spoedig na zijn terugkomst in de hoofdstad, maakte Partenopex kennis
met een nicht van den Paus, Jonkvrouw Angelica, die bij den eersten
aanblik verliefd op hem werd. In de eigenaardige opvatting, dat
»alles in de liefde geoorloofd is«, onderschepte zij zijne brieven aan
Melior, en werd zij op deze wijze ingelicht over zijn hartstocht voor
de keizerlijke toovenares. Zij bracht een vromen kluizenaar er toe,
zich naar Partenopex te begeven, en hem zijn geliefde af te schilderen
als een geest der duisternis, die zóó verdorven was, dat zij zelfs
de gedaante had aangenomen van een duivel met een slangenstaart, een
zwarte huid, witte oogen en roode tanden. Partenopex weigerde beslist
dit alles te gelooven, maar toen de vijandelijkheden geëindigd waren,
en hij weer in het betooverde kasteel was teruggekeerd, hield het
verhaal van den kluizenaar hem toch voortdurend bezig, en hij besloot
zich zekerheid te verschaffen, want Melior had hem in het donker
bezocht en hij wist niet, hoe zij er uit zag.
Op zekeren nacht, toen het geheele kasteel in diepe rust was, nam
de jonge ridder dus een lamp, en begaf zich naar de kamer, waar hij
wist dat Melior sliep. Hij trad onhoorbaar binnen, hield de lamp
boven zijn slapende geliefde, en toen hij haar warme menschelijke
schoonheid aanschouwde, wist hij, dat alles, wat men hem van haar
verteld had, laster was. Maar helaas! toen hij verzonken was in den
aanblik van haar bekoorlijken slaap, viel er een druppel olie uit
zijn lamp op haar boezem, en zij ontwaakte. In haar woede over zijn
ongehoorzaamheid aan hare bevelen, zou zij haar ongelukkigen minnaar
stellig op de plaats gedood hebben, indien niet haar zuster Uracla, die
op den toornigen uitval van Melior was binnengekomen, het verhoed had;
en de vertoornde Keizerin liet hem ten slotte ongedeerd vertrekken.
De ongelukkige Partenopex verliet in allerijl het kasteel en kwam na
eenigen tijd weer in de donkere bosschen der Ardennen, waar hij besloot
te sterven in den strijd met de wilde beesten, die in de donkere
schuilhoeken van het gebergte huisden. Maar ofschoon zij zijn paard
verslonden, schenen zij niet genegen den ridder aan te vallen. Het
gekerm van het ongelukkige dier bracht Uracla, die uitgetrokken was om
hem te zoeken, op zijn spoor, en zij nam hem mede naar haar kasteel
in Tenedos, om daar te wachten totdat de woede harer zuster bedaard
zou zijn. Daarna keerde zij naar de vertoornde Keizerin terug, en
haalde haar over, af te kondigen, dat zij haar hand zou schenken aan
den overwinnaar in een tournooi, dat zij van plan was uit te schrijven.
In allerijl werden de voorbereidingen tot dit tournooi getroffen,
en Partenopex wachtte den dag van den strijd af in het kasteel van
Uracla in Tenedos. Maar het was hem niet gegeven, daar rustig te
verblijven, want Parseis, een der jonkvrouwen van Uracla, vatte een
hartstochtelijke liefde voor hem op, die zij hem bekende, toen zij
een kleine boottocht met elkander maakten. En juist toen Partenopex,
ten zeerste verbaasd, haar wilde afwijzen, werd het lichte vaartuig
door een hevigen storm gegrepen, en het paar werd op de kust van Syrië
geworpen. Daar werden de beide schipbreukelingen gevangen genomen
door de bevolking van dat land; de ridder werd voor hun koning Hermon
gebracht, en in den kerker geworpen.
Partenopex was diep bedroefd toen hij vernam, dat Hermon en
verscheidene andere ridders naar Constantinopel waren getrokken, om
deel te nemen aan het tournooi van Melior, terwijl hij in gevangenschap
zuchtte, en alle hoop moest laten varen, de liefde zijner aangebedene
door groote dapperheid te herwinnen.
Maar Partenopex slaagde erin, de Koningin medelijdend voor hem te
stemmen; zij hielp hem zijn Syrische gevangenis te ontvluchten, en
bereikte Constantinopel nog juist op tijd om aan het tournooi deel te
nemen. Hij had vele en machtige tegenstanders, onder wie de Sultan van
Perzië de voornaamste was; maar ten slotte versloeg hij hen allen,
en toen hij verzocht zijn loon te mogen ontvangen, werd hij door
Melior weer met groote liefde en volkomen vergiffenis aangenomen.