»Al staan de vervolgboeken van Amadis niet op de hoogte van het
oorspronkelijke gedicht, toch zijn zij, als uiting van den tijd,
waarin zij geschreven zijn, van genoeg belang on een korten inhoud
van de geheele serie hier weer te geven.«
Southey.
Bij het behandelen van de letterkunde van het Pyreneesche Schiereiland,
een taak, waarvoor hij zoo bij uitstek berekend was, volgde Southey het
instinct van zijn onderscheidingsvermogen, dat hem zelden bedroog. Al
mogen wij niet ontkennen, dat sommige dezer »vervolgboeken« van
Amadis zeer zwak zijn, toch kunnen wij niet nalaten er onze aandacht
aan te schenken, al ware het slechts ter wille van hun beteekenis als
letterkundig verschijnsel. In deze verdichte verhalen was de fantasie,
die zoo welig gebloeid had in Amadis, dikwijls zóózeer overdreven,
dat deze voortbrengselen van den geest, in de snelheid waarmede zij
verwelkten en verloren gingen, deden denken aan de bloembladeren,
die uit een stervende roos vallen.
Het eerste dezer vervolgboeken, dat Het Vijfde Boek van Amadis heet,
is meer algemeen bekend onder den naam van Esplandian, daar het
voornamelijk handelt over de avonturen van dezen held.
Cervantes is misschien iets te hard in zijn oordeel over deze romance,
wanneer hij zijn critischen monnik ervan laat zeggen: »Inderdaad mag
de deugd van den vader geen verontschuldiging zijn voor het ontbreken
dezer deugd bij den zoon. Hier, mijn beste huishoudster, open het raam,
en smijt dit boek op het erf; laat het het eerste stuk van den hoop
rommel zijn, dien wij straks in brand zullen steken«.
De eerste uitgave van Esplandian verscheen in 1542 te Sevilla. Het
grootste gedeelte hiervan schijnt te zijn gemaakt door Montalva,
den oorspronkelijken vertaler van Amadis. Maar waar hij bij het
neerschrijven van dit werk slechts den rol van vertaler vervulde,
daar trad hij bij de bewerking van Esplandian ook als schrijver op,
en het blijkt uit alles, dat zijn krachten op dit gebied volkomen
te kort schoten. Het is echter ook weer overdreven, in Esplandian
niets dan een minderwaardig product te zien, en ik verdenk meer dan
één dezer strenge critici ervan, den origineelen tekst niet te hebben
gelezen, of het ongunstig oordeel van Cervantes na te spreken. Het is
bekend, dat verscheidene Engelsche critici zich gerechtigd gevoelen,
een werk, geschreven in het Spaansch, te beoordeelen, terwijl zij
slechts oppervlakkig met deze taal op de hoogte zijn, en dat onder
vele letterkundigen het wanbegrip heerscht, dat, wanneer men Latijn en
Fransch kent, men slechts een beetje Castiliaansch behoeft te lezen,
om ook deze taal spoedig volkomen machtig te zijn.
Esplandian bezit vele schoonheden, en de mengeling van tooverkunst
en beminnelijken eenvoud maakt het tot een bekoorlijk en stemmingsvol
geheel. Waar vinden wij daarenboven een sprekender voorbeeld van een
goede uiting van romantische overdrijving? Want Esplandian bezit,
zonder te vervallen in de grovere gebreken der andere vervolgboeken,
de rijke en kleurige verbeeldingskracht, die het geboorterecht is
van alle ware dichters die er echter niet allen in slagen zich in
dit opzicht te beperken. Ik geef evenwel dadelijk toe, dat Esplandian
slechts kost is voor den enthousiast, en ik moet den niet romantischen
lezer dit werk dan ook ten zeerste ontraden. Het is niet geschreven
voor de barbiers en pastoors dezer wereld, en het is te betreuren,
dat zij, die den geest van zulke gedichten niet begrijpen, hun invloed
gebruiken, om ook anderen ervan afkeerig te maken.
Esplandian bracht zijn jeugd door aan het Hof van zijn grootvader,
Koning Lisuarte, en zoodra hij geridderd was, ontwaakte in hem de
roeping tot grootsche avonturen. Aan zijn wenschen in dit opzicht
kon spoedig worden voldaan, want kort nadat de gouden sporen aan
zijne hielen bevestigd waren, viel hij in een diepe bezwijming,
hetgeen er op wees, dat hij onder den invloed kwam van een machtige
betoovering. Terwijl hij sliep, zag de bevolking van het Versterkte
Eiland, waarheen hij gekomen was om tot ridder te worden geslagen,
een grooten vuurberg, die steeds naderbij kwam; daaruit steeg de
sylphide-achtige gestalte van de toovenares »Urganda de Onbekende«
omhoog, die door de lucht voer op den rug van een reusachtigen
draak. Eenigen tijd tevoren was Amadis, in wiens gevangenschap de booze
Archelaus zich bevond, zoo onvoorzichtig geweest, dien stokebrand der
tooverwereld weer in vrijheid te stellen, en hij had spoedig daarna
tot zijn schade gemerkt, dat de trouwelooze toovenaar misbruik had
gemaakt van zijn herwonnen vrijheid, en den goedgeloovigen Lisuarte
weer in zijn macht had gekregen, zoodat de Koning, die blijkbaar door
ondervinding niet wijzer was geworden, nu in den diepsten kerker van
het kasteel des toovenaars zuchtte. Urganda deelde den bedroefden
schoonzoon mede, dat het noodzakelijk was, dat Esplandian wraak ging
nemen, en voordat Amadis in de gelegenheid was iets naders te vragen,
voerde zij den jongeling op den rug van het gevleugelde monster met
zich mede.
De toovenares bracht den slapenden Esplandian aan boord van een
geheimzinnig vaartuig, Het Schip van de Groote Slang genaamd, en toen
hij bij zijn ontwaken bemerkte, dat hij zich op zee bevond, was hij
uitgelaten van blijdschap. Toen hij over de rustige golven gedragen
werd, voelde hij een groote, innerlijke vreugde over de wonderbaarlijke
snelheid, waarmede de betooverde galei de baren kliefde. Na eenigen
tijd ontdekte hij een rotsachtig eiland, midden in een verlaten zee,
en toen hij aan land ging, zag hij, dat het onbewoond was, en dat er
zich niets op bevond dan een hooge toren, die op het hoogste punt
der rots gebouwd was. Hij beklom de hoogte, waarop de toren stond,
en ontdekte, dat de oude vesting volkomen verlaten was. Bij een nader
onderzoek van het gebouw zag hij een steen, waarin een rijk versierd
zwaard stak; maar toen hij probeerde, het er uit te trekken, werd
de lucht plotseling vervuld van het woeste gebrul van een geweldigen
draak, die met zulk een snelheid op hem toekwam, dat, vóórdat hij zich
tot den aanval had kunnen gereedmaken, het monster zijn reuzenklauwen
om hem heengeslagen had, met het kennelijk doel, de platen van zijn
wapenrusting te breken, en hem te vermorzelen. De man en de draak
worstelden op leven en dood, en zóó hevig was hun strijd, dat de
aarde beefde en het kasteel onder hen heen en weer bewoog, toen zij
zich wendden en wrongen in een doodelijke omhelzing. Tenslotte slaagde
Esplandian er in, zijn rechterhand te bevrijden uit de grijparmen van
den draak, en, een tooverzwaard trekkende, dat Urganda hem gegeven
had, stak hij het door de geschubde huid van het monster. Doodelijk
gewond liet het tooverdier zijn prooi los, en het geweldige lichaam
verstijfde in den dood. Toen Esplandian zich ervan overtuigd had,
dat het monster werkelijk dood was, verliet hij het kasteel, en
keerde naar het strand terug, bij de invallende duisternis geleid
door een bovenaardsch licht, dat uit het betooverde zwaard straalde,
dat hij uit het rotsblok getrokken had.
Nu voer hij op het Schip van de Groote Slang weer verder en belandde op
een woeste plaats, bekend als de Verboden Berg, een vesting, gelegen
op de grens tusschen Griekenland en Turkije. Uit de verte zag hij een
kasteel, en toen hij zich daarheen begaf, ontmoette hij een kluizenaar,
die hem ontraadde, in de nabijheid daarvan te komen. Hij vertelde hem,
dat een beroemd vorst daarin gevangen gehouden werd. Oogenblikkelijk
begreep Esplandian, dat dit niemand anders dan Lisuarte kon zijn, en
dat het kasteel de vesting was van den boozen toovenaar Archelaus;
deze overwegingen deden hem natuurlijk besluiten, de plaats nader
te onderzoeken.
Toen hij bij de poort kwam, zag hij, dat deze bewaakt werd door
een reusachtigen schildwacht, die bij zijn nadering woedend op
hem afkwam een geweldige knots zwaaiende. Terwijl hij den aanval
van zijn reusachtigen tegenstander ontweek, doodde hij hem met het
tooverzwaard, en hij was op het punt, het kasteel binnen te treden,
toen hij plotseling tegenover Archelaus zelf kwam te staan. Er
volgde een vreeselijke worsteling. De toovenaar, hevig vertoornd
over de onbeschaamdheid van den jeugdigen knaap, die het gewaagd had
door te dringen in de geheimen van zijn vesting, en in het besef,
dat hij stamde uit het geslacht van zijn aartsvijand Lisuarte,
viel Esplandian met groote woede aan. Maar zijn blinde woede
was niet opgewassen tegen de koelbloedigheid van zijn jeugdigen
tegenstander, die erin slaagde, hem met zijn tooverzwaard te dooden,
en die hierdoor voor goed een einde maakte aan de gevaarlijke streken
van den sluwen toovenaar. Een neef van den verslagen boosdoener viel
daarna den jongen ridder aan, maar ook hij was niet bestand tegen het
tooverwapen van Urganda. Vervolgens trachtte de moeder van Archelaus,
Arcobone, die diep was doorgedrongen in de geheimen der zwarte kunst,
hem te verdelgen door hare vervloekingen, maar de tooverkracht, die
in zijn zwaard verborgen was, redde Esplandian voor de woede van de
vreeselijke heks, die zelfs gedwongen was, hem te gehoorzamen. Hij
beval haar, hem de plaats te wijzen, waar Lisuarte gevangen gehouden
werd, en smaakte de voldoening, zijn ouden bloedverwant te bevrijden.
Toen Esplandian en Lisuarte op het punt stonden, het eiland te
verlaten, landde de vloot van Matroed, den oudsten zoon van Arcobone
aan het strand, en de jonge held was gedwongen, weer met een nieuwen
vijand te strijden. Daar deze vertrouwde op zijn krijgskunst en
in verband met den jeugdigen leeftijd van zijn tegenstander, diens
krachten onderschatte, daagde hij hem uit tot een tweegevecht. De
beide mannen vochten, totdat de zon onderging, maar ten slotte was de
heidensche krijgsman door de vele wonden, die hem waren toegediend,
gedwongen den strijd op te geven, en hij smeekte Esplandian in vrede
te mogen sterven. Juist op dit oogenblik kwam een monnik voorbij, en
de stervende heiden vroeg zijn zegen, die hem liefdevol gegeven werd.
Esplandian noemde zich nu »de Zwarte Ridder« om de kleur van zijn
wapenrusting en hij leefde op den Verboden Berg als vorst van het
kasteel, dat hij veroverd had. Maar veel rust werd hem niet gegund,
want korten tijd na zijn overwinning werd het fort omsingeld door een
groot leger van den Sultan van Turkije. Er hadden zich echter vele
ridders bij Esplandian gevoegd en door hen geholpen, versloeg hij
de heidenen, en nam hij hun aanvoerder gevangen. Aangemoedigd door
dit succes, verplaatste hij den oorlog naar het hart van Turkije, en
veroverde de hoofdstad. Voordat hij op avontuur was uitgetrokken, had
hij Leonorina ontmoet, de dochter van den Keizer van Constantinopel;
hij had haar zeer lief gekregen en haar gedurende den oorlog vele
boodschappers gezonden, die haar de verzekering van de standvastigheid
zijner liefde moesten brengen. Hij hoorde nu, dat zij aan zijn trouw
was gaan twijfelen door zijn langdurige afwezigheid, en toen dus
de hoofdstad van Turkije gevallen was, begaf hij zich haastig naar
Constantinopel. Daar aangekomen kocht hij een kunstig gebeeldhouwde
kast van cederhout, en hij droeg zijn boodschappers op, deze naar
zijn geliefde te brengen. Toen zij de kast in de eenzaamheid harer
vertrekken opende, trad tot hare verbazing en vreugde, haar minnaar
er uit te voorschijn. In de Spaansche romance is het onvermijdelijk,
dat de liefde van den held en de heldin verborgen blijft voor de
verwanten van de jonkvrouw, niet alleen omdat de romantische smaak
van den Spaanschen lezer dit eischt, maar ook omdat de Spaansche
opvattingen ernstig gekwetst zouden worden door de gedachte aan eenige
toegeeflijkheid van den kant der ouders, waar het betreft iets meer
dan een uitsluitend vormelijken omgang tusschen de gelieven vóór het
huwelijk. Deze ouderwetsche opvattingen heerschen ook nu nog onder den
middenstand en in de hoogere kringen van Spanje en Spaansch Amerika,
en het is met een gevoel van verbazing, dat wij hooren, hoe verliefde
jongelingen met de meisjes, waarmede zij officiëel verloofd zijn,
slechts een vertrouwelijk woord kunnen wisselen door zich onherkenbaar
te vermommen, of door de vriendelijke hulp van ondergeschikten. Het
komt niet zelden voor, dat jonge Spaansche paartjes, wier verloving
volkomen en règle is, en tegen wier vereeniging niet het minste bezwaar
gemaakt wordt, hun toevlucht nemen tot een schaking, alleen om het
romantische van het geval. Door zulke toestanden krijgen wij eerst
een juist begrip van de groote macht, die de romantiek uitoefent op
het Spaansche hart.
Maar Esplandian had niet veel tijd te verliezen, daar de Turken
zich weer gereed maakten tot den strijd. Hij had een grooten steun
in Urganda; maar daartegenover stond, dat de ongeloovigen geholpen
werden door de toovenares Melia, de zuster van Armato, den overwonnen
Sultan, die erin geslaagd was te ontvluchten op den rug van een
gevleugelden draak, die hem voor dit doel door de Turksche toovenares
was toegezonden. Met grooten spoed vormde Armato een leger, waarmede
hij Constantinopel belegerde. Zijne bondgenooten waren talrijk als
het zand der zee; één ervan was een schoone Amazonenkoningin, die
naar de plaats der vijandelijkheden gekomen was met een troep van
vijftig griffioenen, die over de stad vlogen zooals bommenwerpers,
vuur en rook spuwende op de hoofden der ongelukkige inwoners.
Zóó vreeselijk was het verlies aan menschenlevens in dezen slag
tusschen Christenen en heidenen, dat er ten slotte overeengekomen werd,
den strijd te beslechten door een dubbel tweegevecht. Esplandian en
Amadis werden door de ééne partij aangewezen, en de Amazonenkoningin
en een bevriend heidensch Sultan door de andere. De heidenen werden
verslagen, maar zij waren zóó woedend over hun nederlaag, dat zij
zich met elken man (en vrouw), die hun gebleven was, op den vijand
wierpen. Maar de Christenen, aangemoedigd door de overwinning hunner
kampioenen, brachten hun groote verliezen toe en drongen den vijand
terug van de grenzen van het Grieksche Rijk. De Grieksche Keizer was
overgelukkig zich te kunnen ontdoen van een last, die hem langzamerhand
te zwaar was geworden, en hij deed afstand van den troon, ten behoeve
van Esplandian, die zijn dochter Leonorina huwde en zich in Griekenland
vestigde, waar hij zich aan zijn regeeringstaak bleef wijden.
Nadat de wijze Urganda ontheven was van hare oorlogsplichten,
kon zij weer meer aandacht schenken aan de persoonlijke belangen
harer beschermelingen. Maar toen zij haar tooverspiegel en andere
hulpmiddelen raadpleegde, zag zij tot haar groote droefheid, dat
Amadis, Galaor, Esplandian, in het kort, al haar liefste ridders, aan
het einde van hun aardsch bestaan waren. Indien haar profetische ziel
in staat geweest was, alle wonderbaarlijke verwikkelingen te voorzien,
waartoe hunne verdere avonturen aanleiding zouden geven, dan zou zij
ongetwijfeld de natuur haar beloop hebben gelaten; en hieruit moeten
wij dus besluiten, dat haar helderziendheid niet onbeperkt was. Zij
besloot het wreede noodlot te trotseeren, riep hare beschermelingen
naar het Versterkte Eiland, en raadde hun, wanneer zij zich aan de
sterfelijkheid wenschten te onttrekken, zich te onderwerpen aan hare
bevelen. Zij beloofden haar gaarne, dat zij haar onvoorwaardelijk
zouden gehoorzamen, en stemden er met de grootste opgewektheid in
toe, in een betooverden slaap te worden gebracht, waaruit zij eenmaal
zouden worden gewekt door Lisuarte, den zoon van Esplandian, die in
het bezit zou komen van een tooverzwaard, waardoor hij in staat zou
zijn, hun een nieuw leven en verjongde krachten te schenken.
Het Zesde Boek van de Amadis-Serie behandelt de avonturen van
Florisano, zijn neef; maar daar deze niet in rechte lijn afstamt van
de vorige helden, en hij daarenboven onverdragelijk vervelend is,
zullen wij slechts volstaan met de vermelding van zijn persoon.