HOOFDSTUK IV: DE VERVOLGBOEKEN VAN »AMADIS DE GALLIËR«.

»Al staan de vervolgboeken van Amadis niet op de hoogte van het

oorspronkelijke gedicht, toch zijn zij, als uiting van den tijd,

waarin zij geschreven zijn, van genoeg belang on een korten inhoud

van de geheele serie hier weer te geven.«

Southey.

Bij het behandelen van de letterkunde van het Pyreneesche Schiereiland,

een taak, waarvoor hij zoo bij uitstek berekend was, volgde Southey het

instinct van zijn onderscheidingsvermogen, dat hem zelden bedroog. Al

mogen wij niet ontkennen, dat sommige dezer »vervolgboeken« van

Amadis zeer zwak zijn, toch kunnen wij niet nalaten er onze aandacht

aan te schenken, al ware het slechts ter wille van hun beteekenis als

letterkundig verschijnsel. In deze verdichte verhalen was de fantasie,

die zoo welig gebloeid had in Amadis, dikwijls zóózeer overdreven,

dat deze voortbrengselen van den geest, in de snelheid waarmede zij

verwelkten en verloren gingen, deden denken aan de bloembladeren,

die uit een stervende roos vallen.

Het eerste dezer vervolgboeken, dat Het Vijfde Boek van Amadis heet,

is meer algemeen bekend onder den naam van Esplandian, daar het

voornamelijk handelt over de avonturen van dezen held.

Cervantes is misschien iets te hard in zijn oordeel over deze romance,

wanneer hij zijn critischen monnik ervan laat zeggen: »Inderdaad mag

de deugd van den vader geen verontschuldiging zijn voor het ontbreken

dezer deugd bij den zoon. Hier, mijn beste huishoudster, open het raam,

en smijt dit boek op het erf; laat het het eerste stuk van den hoop

rommel zijn, dien wij straks in brand zullen steken«.

De eerste uitgave van Esplandian verscheen in 1542 te Sevilla. Het

grootste gedeelte hiervan schijnt te zijn gemaakt door Montalva,

den oorspronkelijken vertaler van Amadis. Maar waar hij bij het

neerschrijven van dit werk slechts den rol van vertaler vervulde,

daar trad hij bij de bewerking van Esplandian ook als schrijver op,

en het blijkt uit alles, dat zijn krachten op dit gebied volkomen

te kort schoten. Het is echter ook weer overdreven, in Esplandian

niets dan een minderwaardig product te zien, en ik verdenk meer dan

één dezer strenge critici ervan, den origineelen tekst niet te hebben

gelezen, of het ongunstig oordeel van Cervantes na te spreken. Het is

bekend, dat verscheidene Engelsche critici zich gerechtigd gevoelen,

een werk, geschreven in het Spaansch, te beoordeelen, terwijl zij

slechts oppervlakkig met deze taal op de hoogte zijn, en dat onder

vele letterkundigen het wanbegrip heerscht, dat, wanneer men Latijn en

Fransch kent, men slechts een beetje Castiliaansch behoeft te lezen,

om ook deze taal spoedig volkomen machtig te zijn.

Esplandian bezit vele schoonheden, en de mengeling van tooverkunst

en beminnelijken eenvoud maakt het tot een bekoorlijk en stemmingsvol

geheel. Waar vinden wij daarenboven een sprekender voorbeeld van een

goede uiting van romantische overdrijving? Want Esplandian bezit,

zonder te vervallen in de grovere gebreken der andere vervolgboeken,

de rijke en kleurige verbeeldingskracht, die het geboorterecht is

van alle ware dichters die er echter niet allen in slagen zich in

dit opzicht te beperken. Ik geef evenwel dadelijk toe, dat Esplandian

slechts kost is voor den enthousiast, en ik moet den niet romantischen

lezer dit werk dan ook ten zeerste ontraden. Het is niet geschreven

voor de barbiers en pastoors dezer wereld, en het is te betreuren,

dat zij, die den geest van zulke gedichten niet begrijpen, hun invloed

gebruiken, om ook anderen ervan afkeerig te maken.

Esplandian bracht zijn jeugd door aan het Hof van zijn grootvader,

Koning Lisuarte, en zoodra hij geridderd was, ontwaakte in hem de

roeping tot grootsche avonturen. Aan zijn wenschen in dit opzicht

kon spoedig worden voldaan, want kort nadat de gouden sporen aan

zijne hielen bevestigd waren, viel hij in een diepe bezwijming,

hetgeen er op wees, dat hij onder den invloed kwam van een machtige

betoovering. Terwijl hij sliep, zag de bevolking van het Versterkte

Eiland, waarheen hij gekomen was om tot ridder te worden geslagen,

een grooten vuurberg, die steeds naderbij kwam; daaruit steeg de

sylphide-achtige gestalte van de toovenares »Urganda de Onbekende«

omhoog, die door de lucht voer op den rug van een reusachtigen

draak. Eenigen tijd tevoren was Amadis, in wiens gevangenschap de booze

Archelaus zich bevond, zoo onvoorzichtig geweest, dien stokebrand der

tooverwereld weer in vrijheid te stellen, en hij had spoedig daarna

tot zijn schade gemerkt, dat de trouwelooze toovenaar misbruik had

gemaakt van zijn herwonnen vrijheid, en den goedgeloovigen Lisuarte

weer in zijn macht had gekregen, zoodat de Koning, die blijkbaar door

ondervinding niet wijzer was geworden, nu in den diepsten kerker van

het kasteel des toovenaars zuchtte. Urganda deelde den bedroefden

schoonzoon mede, dat het noodzakelijk was, dat Esplandian wraak ging

nemen, en voordat Amadis in de gelegenheid was iets naders te vragen,

voerde zij den jongeling op den rug van het gevleugelde monster met

zich mede.

De toovenares bracht den slapenden Esplandian aan boord van een

geheimzinnig vaartuig, Het Schip van de Groote Slang genaamd, en toen

hij bij zijn ontwaken bemerkte, dat hij zich op zee bevond, was hij

uitgelaten van blijdschap. Toen hij over de rustige golven gedragen

werd, voelde hij een groote, innerlijke vreugde over de wonderbaarlijke

snelheid, waarmede de betooverde galei de baren kliefde. Na eenigen

tijd ontdekte hij een rotsachtig eiland, midden in een verlaten zee,

en toen hij aan land ging, zag hij, dat het onbewoond was, en dat er

zich niets op bevond dan een hooge toren, die op het hoogste punt

der rots gebouwd was. Hij beklom de hoogte, waarop de toren stond,

en ontdekte, dat de oude vesting volkomen verlaten was. Bij een nader

onderzoek van het gebouw zag hij een steen, waarin een rijk versierd

zwaard stak; maar toen hij probeerde, het er uit te trekken, werd

de lucht plotseling vervuld van het woeste gebrul van een geweldigen

draak, die met zulk een snelheid op hem toekwam, dat, vóórdat hij zich

tot den aanval had kunnen gereedmaken, het monster zijn reuzenklauwen

om hem heengeslagen had, met het kennelijk doel, de platen van zijn

wapenrusting te breken, en hem te vermorzelen. De man en de draak

worstelden op leven en dood, en zóó hevig was hun strijd, dat de

aarde beefde en het kasteel onder hen heen en weer bewoog, toen zij

zich wendden en wrongen in een doodelijke omhelzing. Tenslotte slaagde

Esplandian er in, zijn rechterhand te bevrijden uit de grijparmen van

den draak, en, een tooverzwaard trekkende, dat Urganda hem gegeven

had, stak hij het door de geschubde huid van het monster. Doodelijk

gewond liet het tooverdier zijn prooi los, en het geweldige lichaam

verstijfde in den dood. Toen Esplandian zich ervan overtuigd had,

dat het monster werkelijk dood was, verliet hij het kasteel, en

keerde naar het strand terug, bij de invallende duisternis geleid

door een bovenaardsch licht, dat uit het betooverde zwaard straalde,

dat hij uit het rotsblok getrokken had.

Nu voer hij op het Schip van de Groote Slang weer verder en belandde op

een woeste plaats, bekend als de Verboden Berg, een vesting, gelegen

op de grens tusschen Griekenland en Turkije. Uit de verte zag hij een

kasteel, en toen hij zich daarheen begaf, ontmoette hij een kluizenaar,

die hem ontraadde, in de nabijheid daarvan te komen. Hij vertelde hem,

dat een beroemd vorst daarin gevangen gehouden werd. Oogenblikkelijk

begreep Esplandian, dat dit niemand anders dan Lisuarte kon zijn, en

dat het kasteel de vesting was van den boozen toovenaar Archelaus;

deze overwegingen deden hem natuurlijk besluiten, de plaats nader

te onderzoeken.

Toen hij bij de poort kwam, zag hij, dat deze bewaakt werd door

een reusachtigen schildwacht, die bij zijn nadering woedend op

hem afkwam een geweldige knots zwaaiende. Terwijl hij den aanval

van zijn reusachtigen tegenstander ontweek, doodde hij hem met het

tooverzwaard, en hij was op het punt, het kasteel binnen te treden,

toen hij plotseling tegenover Archelaus zelf kwam te staan. Er

volgde een vreeselijke worsteling. De toovenaar, hevig vertoornd

over de onbeschaamdheid van den jeugdigen knaap, die het gewaagd had

door te dringen in de geheimen van zijn vesting, en in het besef,

dat hij stamde uit het geslacht van zijn aartsvijand Lisuarte,

viel Esplandian met groote woede aan. Maar zijn blinde woede

was niet opgewassen tegen de koelbloedigheid van zijn jeugdigen

tegenstander, die erin slaagde, hem met zijn tooverzwaard te dooden,

en die hierdoor voor goed een einde maakte aan de gevaarlijke streken

van den sluwen toovenaar. Een neef van den verslagen boosdoener viel

daarna den jongen ridder aan, maar ook hij was niet bestand tegen het

tooverwapen van Urganda. Vervolgens trachtte de moeder van Archelaus,

Arcobone, die diep was doorgedrongen in de geheimen der zwarte kunst,

hem te verdelgen door hare vervloekingen, maar de tooverkracht, die

in zijn zwaard verborgen was, redde Esplandian voor de woede van de

vreeselijke heks, die zelfs gedwongen was, hem te gehoorzamen. Hij

beval haar, hem de plaats te wijzen, waar Lisuarte gevangen gehouden

werd, en smaakte de voldoening, zijn ouden bloedverwant te bevrijden.

Toen Esplandian en Lisuarte op het punt stonden, het eiland te

verlaten, landde de vloot van Matroed, den oudsten zoon van Arcobone

aan het strand, en de jonge held was gedwongen, weer met een nieuwen

vijand te strijden. Daar deze vertrouwde op zijn krijgskunst en

in verband met den jeugdigen leeftijd van zijn tegenstander, diens

krachten onderschatte, daagde hij hem uit tot een tweegevecht. De

beide mannen vochten, totdat de zon onderging, maar ten slotte was de

heidensche krijgsman door de vele wonden, die hem waren toegediend,

gedwongen den strijd op te geven, en hij smeekte Esplandian in vrede

te mogen sterven. Juist op dit oogenblik kwam een monnik voorbij, en

de stervende heiden vroeg zijn zegen, die hem liefdevol gegeven werd.

Esplandian noemde zich nu »de Zwarte Ridder« om de kleur van zijn

wapenrusting en hij leefde op den Verboden Berg als vorst van het

kasteel, dat hij veroverd had. Maar veel rust werd hem niet gegund,

want korten tijd na zijn overwinning werd het fort omsingeld door een

groot leger van den Sultan van Turkije. Er hadden zich echter vele

ridders bij Esplandian gevoegd en door hen geholpen, versloeg hij

de heidenen, en nam hij hun aanvoerder gevangen. Aangemoedigd door

dit succes, verplaatste hij den oorlog naar het hart van Turkije, en

veroverde de hoofdstad. Voordat hij op avontuur was uitgetrokken, had

hij Leonorina ontmoet, de dochter van den Keizer van Constantinopel;

hij had haar zeer lief gekregen en haar gedurende den oorlog vele

boodschappers gezonden, die haar de verzekering van de standvastigheid

zijner liefde moesten brengen. Hij hoorde nu, dat zij aan zijn trouw

was gaan twijfelen door zijn langdurige afwezigheid, en toen dus

de hoofdstad van Turkije gevallen was, begaf hij zich haastig naar

Constantinopel. Daar aangekomen kocht hij een kunstig gebeeldhouwde

kast van cederhout, en hij droeg zijn boodschappers op, deze naar

zijn geliefde te brengen. Toen zij de kast in de eenzaamheid harer

vertrekken opende, trad tot hare verbazing en vreugde, haar minnaar

er uit te voorschijn. In de Spaansche romance is het onvermijdelijk,

dat de liefde van den held en de heldin verborgen blijft voor de

verwanten van de jonkvrouw, niet alleen omdat de romantische smaak

van den Spaanschen lezer dit eischt, maar ook omdat de Spaansche

opvattingen ernstig gekwetst zouden worden door de gedachte aan eenige

toegeeflijkheid van den kant der ouders, waar het betreft iets meer

dan een uitsluitend vormelijken omgang tusschen de gelieven vóór het

huwelijk. Deze ouderwetsche opvattingen heerschen ook nu nog onder den

middenstand en in de hoogere kringen van Spanje en Spaansch Amerika,

en het is met een gevoel van verbazing, dat wij hooren, hoe verliefde

jongelingen met de meisjes, waarmede zij officiëel verloofd zijn,

slechts een vertrouwelijk woord kunnen wisselen door zich onherkenbaar

te vermommen, of door de vriendelijke hulp van ondergeschikten. Het

komt niet zelden voor, dat jonge Spaansche paartjes, wier verloving

volkomen en règle is, en tegen wier vereeniging niet het minste bezwaar

gemaakt wordt, hun toevlucht nemen tot een schaking, alleen om het

romantische van het geval. Door zulke toestanden krijgen wij eerst

een juist begrip van de groote macht, die de romantiek uitoefent op

het Spaansche hart.

Maar Esplandian had niet veel tijd te verliezen, daar de Turken

zich weer gereed maakten tot den strijd. Hij had een grooten steun

in Urganda; maar daartegenover stond, dat de ongeloovigen geholpen

werden door de toovenares Melia, de zuster van Armato, den overwonnen

Sultan, die erin geslaagd was te ontvluchten op den rug van een

gevleugelden draak, die hem voor dit doel door de Turksche toovenares

was toegezonden. Met grooten spoed vormde Armato een leger, waarmede

hij Constantinopel belegerde. Zijne bondgenooten waren talrijk als

het zand der zee; één ervan was een schoone Amazonenkoningin, die

naar de plaats der vijandelijkheden gekomen was met een troep van

vijftig griffioenen, die over de stad vlogen zooals bommenwerpers,

vuur en rook spuwende op de hoofden der ongelukkige inwoners.

Zóó vreeselijk was het verlies aan menschenlevens in dezen slag

tusschen Christenen en heidenen, dat er ten slotte overeengekomen werd,

den strijd te beslechten door een dubbel tweegevecht. Esplandian en

Amadis werden door de ééne partij aangewezen, en de Amazonenkoningin

en een bevriend heidensch Sultan door de andere. De heidenen werden

verslagen, maar zij waren zóó woedend over hun nederlaag, dat zij

zich met elken man (en vrouw), die hun gebleven was, op den vijand

wierpen. Maar de Christenen, aangemoedigd door de overwinning hunner

kampioenen, brachten hun groote verliezen toe en drongen den vijand

terug van de grenzen van het Grieksche Rijk. De Grieksche Keizer was

overgelukkig zich te kunnen ontdoen van een last, die hem langzamerhand

te zwaar was geworden, en hij deed afstand van den troon, ten behoeve

van Esplandian, die zijn dochter Leonorina huwde en zich in Griekenland

vestigde, waar hij zich aan zijn regeeringstaak bleef wijden.

Nadat de wijze Urganda ontheven was van hare oorlogsplichten,

kon zij weer meer aandacht schenken aan de persoonlijke belangen

harer beschermelingen. Maar toen zij haar tooverspiegel en andere

hulpmiddelen raadpleegde, zag zij tot haar groote droefheid, dat

Amadis, Galaor, Esplandian, in het kort, al haar liefste ridders, aan

het einde van hun aardsch bestaan waren. Indien haar profetische ziel

in staat geweest was, alle wonderbaarlijke verwikkelingen te voorzien,

waartoe hunne verdere avonturen aanleiding zouden geven, dan zou zij

ongetwijfeld de natuur haar beloop hebben gelaten; en hieruit moeten

wij dus besluiten, dat haar helderziendheid niet onbeperkt was. Zij

besloot het wreede noodlot te trotseeren, riep hare beschermelingen

naar het Versterkte Eiland, en raadde hun, wanneer zij zich aan de

sterfelijkheid wenschten te onttrekken, zich te onderwerpen aan hare

bevelen. Zij beloofden haar gaarne, dat zij haar onvoorwaardelijk

zouden gehoorzamen, en stemden er met de grootste opgewektheid in

toe, in een betooverden slaap te worden gebracht, waaruit zij eenmaal

zouden worden gewekt door Lisuarte, den zoon van Esplandian, die in

het bezit zou komen van een tooverzwaard, waardoor hij in staat zou

zijn, hun een nieuw leven en verjongde krachten te schenken.

Het Zesde Boek van de Amadis-Serie behandelt de avonturen van

Florisano, zijn neef; maar daar deze niet in rechte lijn afstamt van

de vorige helden, en hij daarenboven onverdragelijk vervelend is,

zullen wij slechts volstaan met de vermelding van zijn persoon.

Legenden en Romances van Spanje · 第 74 / 165 题