De Cid besteeg Babieca, en bracht zijne soldaten in het veld tegen de
Mooren van Afrika. Toen begon een hardnekkige en woeste strijd. De
Spaansche speren waren dien dag rood van het Moorsche bloed, en de
Cid zwaaide zijn scherp zwaard Colado zóó verwoed, dat de Saracenen
werden weggemaaid als het koren door de zeis. Hij richtte het zwaard
op den helm van Koning Yussef, maar de Moorsche aanvoerder ontweek den
slag, gaf zijn paard de sporen, en vluchtte in razende vaart, gevolgd
door zijne zwarte troepen. Onmetelijk was de buit in goud, zilver,
kostbaar opgetuigde paarden, schilden, zwaarden en wapenrustingen.
Door deze onafgebroken gevechten was de Cid te vermoeid, om den vijand
te vervolgen, en met zijn zwaard nog druipend van het bloed, reed hij
naar de plaats, vanwaar zijn vrouw en dochters den strijd gevolgd
hadden. En zich voor zijne dames terneder buigende, riep hij uit:
»Zóó worden de Mooren op het slagveld vernietigd.« Maar als steeds
gedachtig aan zijn Koning en leenheer, zond hij oogenblikkelijk Alvarez
Fañez en Pero Bermuez naar het Hof met de tent van Koning Yussef en
200 kostbaar uitgeruste paarden. Alfonso was zeer verheugd. »Ik zal
dit geschenk van den Cid gaarne aannemen,« zeide hij, »en moge de
dag van onze verzoening spoedig aanbreken.«
Toen de Infantes van Carrión zagen, dat de roem van den Cid dagelijks
toenam, werden zij versterkt in hun besluit, den Koning om de hand
van de dochters van den Campeador te vragen. Alfonso beloofde hun,
met den Cid in onderhandeling te treden, niet alleen over een huwelijk
van zijne dochters, maar ook over een verzoening met hem, want hij
was zich volkomen bewust van de groote diensten, die de Campeador
hem bewezen had. Daarom ontbood hij Alvarez Fañez en Pero Bermuez,
stelde hen in kennis met het aanzoek van de Infantes van Carrión,
en verzocht hun, het den Cid oogenblikkelijk over te brengen en hem
tevens de verzekering van zijn hoogachting te geven.
De afgezanten begaven zich in allerijl naar Valencia en brachten den
Cid de vereerende boodschap van den Koning over. De Cid was bijzonder
verheugd over de toenadering. »Het is mij een vreugde de wenschen
van mijn Koning te vervullen,« zeide hij, »ofschoon de Infantes van
Carrión trotsch zijn, en slechte vasallen van den Troon. Maar de wil
van God en van den Koning geschiede.«
Daarop maakte de Cid zich gereed, en begaf zich op reis naar het Hof;
en toen de Koning vernam, dat hij naderde, verliet hij zijn paleis
en reed hem tegemoet. En de Cid knielde neder voor den Koning, en
hij beet in het gras, om zich voor zijn heer te vernederen. Maar Don
Alfonso was ontroerd bij dit gezicht, en hem opheffende, gaf hij hem de
verzekering van zijn gunst en van zijn liefde, bij welke betuiging de
Cid diep bewogen was, en van vreugde schreide. Toen richtte de Koning
een schitterend feestmaal aan, en toen dit ten einde liep, deed hij
namens de Infantes van Carrión aanzoek om de hand zijner dochters. De
Cid antwoordde, dat hij en zijne dochters het eigendom van den Koning
waren, en dat Alfonso dus de jonkvrouwen ten huwelijk kon geven.