Toen de jonge Bernaldo de Carpio den mannelijken leeftijd bereikt had,
was hij, zooals zooveel romanhelden, niet bekend met de omstandigheid,
dat hij van vorstelijken bloede was; want zijn moeder was een zuster
van Don Alfonso van Castilië en was in het geheim gehuwd met den
dapperen en edelen Graaf de Sandras de Saldaña. Koning Alfonso, diep
beleedigd dat zijn zuster iemand gehuwd had, die zoo zeer haar mindere
in rang was, wierp den graaf in de gevangenis, waar hij hem van het
gezicht liet berooven, en sloot de prinses in een klooster op. Hun
zoon Bernaldo voedde hij echter zeer zorgvuldig op. Toen hij nog een
jongeling was, bewees hij zijn oom belangrijke diensten, maar toen
hij vernam, dat zijn vader in de gevangenis zuchtte, maakte een diepe
zwaarmoedigheid zich van hem meester, en hij stelde geen prijs meer op
de dingen, die vroeger zijn grootste vreugde uitmaakten. Inplaats van
zich bezig te houden met dans en tournooi, kleedde hij zich in zwaren
rouw, en tenslotte begaf hij zich naar Koning Alfonso, en smeekte hem,
zijn vader de vrijheid terug te geven.
Alfonso was diep bewogen, toen hij bemerkte, dat Bernaldo bekend was
met zijne afkomst en de gevangenschap van zijn vader, maar zijn haat
voor den man, die zijne zuster veroverd had, was grooter dan de liefde
voor zijn neef. Eerst gaf hij geen antwoord, en plukte aan zijn baard,
zóó verbluft was hij. Maar koningen zijn niet spoedig uit het veld
geslagen, en daar hij dacht, de zaak het vlugst van de baan te helpen
door een barsch antwoord, zeide hij streng: »Bernaldo, als gij mij
lief hebt, spreek dan nooit meer over deze zaak, want ik zweer u,
dat uw vader, zoo lang ik leef, de gevangenis niet zal verlaten.«
»Sire«, antwoordde Bernaldo, »gij zijt mijn Koning en kunt doen,
wat u goeddunkt, maar ik bid God, dat Hij u tot andere gedachten
moge brengen.«
Koning Alfonso had geen eigen zoon, en in een zwak oogenblik stelde
hij voor, dat Karel de Groote, de machtige keizer der Franken, hem
zou opvolgen. Maar zijne edelen verzetten zich tegen zijne keus,
en weigerden een Frank te erkennen als erfgenaam van den troon van
Christelijk Spanje. Toen Karel de Groote hoorde van het voorstel
van Alfonso, maakte hij zich op, om Spanje binnen te vallen, onder
het voorwendsel, de Mooren uit te roeien; maar Alfonso, die berouw
had van zijn voornemen, de kroon aan een vreemdeling na te laten,
verzamelde zijne troepen om zich heen, en sloot een bondgenootschap
met de Saracenen. Er werd een zware en hardnekkige slag geleverd
bij Roncevalles, waarin de Franken ten slotte verslagen werden,
voornamelijk door de behendigheid van Bernaldo, die met eigen hand
den beroemden ridder Roland doodde.
Koning Alfonso trachtte deze en de andere diensten van Bernaldo te
beloonen, maar deze wilde geen enkele gunst uit 's Konings handen
ontvangen dan de vrijheid van zijn vader. Telkens weer beloofde
de koning het verzoek in te willigen, maar even dikwijls vond
hij een voorwendsel, om zijn woord te breken, totdat ten slotte
Bernaldo, bitter teleurgesteld, zijn bondgenootschap verbrak, en
zijn verraderlijken oom den oorlog verklaarde. De koning, die de
populariteit en de oorlogskunde van zijn neef vreesde, nam toen een
laffe krijgslist te baat. Hij verzekerde Bernaldo, dat zijn vader
in vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij er in toestemde, het
groote kasteel Carpio aan hem af te staan. De jonge ridder gaf hem
oogenblikkelijk zelf de sleutels over en smeekte, dat zijn vader hem
dadelijk zou worden teruggegeven. Als antwoord wees de verraderlijke
Alfonso op een troep ruiters, die in galop naderden.
»Daar komt uw vader, Bernaldo«, zeide hij spottend, »omhels hem.«
Bernaldo, zoo luidt het verhaal, ging tot hem en kuste zijne hand. Maar
toen hij bemerkte, dat deze koud was en zijn kleur zwart, begreep hij,
dat hij dood was; en onder den indruk van zijn leed begon Bernaldo
luid te schreien en te jammeren, zeggende: »Helaas, Graaf Sandas,
ik ben in een kwaad uur geboren, want nooit was iemand zóó verlaten
als ik; want nu gij dood zijt, en mijn kasteel is weg, weet ik niet,
wat ik beginnen moet!« Sommige Cantares de Gesta vermelden, dat de
koning toen zeide: »Bernaldo, het is nu geen tijd voor vele woorden,
en daarom beveel ik u oogenblikkelijk mijn land te verlaten.«
Met een gebroken hart, en volkomen vernietigd door dezen genadeslag,
wendde Bernaldo de teugels, en reed langzaam heen. En van dien dag af
werd zijn banier niet meer in Christelijk Spanje gezien, noch werd
de echo van zijn hoorn tusschen de heuvelen gehoord. Ongelukkig en
wanhopend nam hij dienst bij de Mooren. Maar zijn naam leeft in de
balladen en romances van zijn vaderland voort, als van een dapper
ridder, wien door het verraad van een leugenachtig en wraakgierig
Koning, groot onrecht is aangedaan.
Ofschoon de Cantares van Fernán González en de Kinderen van Lara ook
in de kronieken zijn opgenomen, heb ik er de voorkeur aan gegeven,
deze in het hoofdstuk over de ballades te behandelen, daar zij in
dien vorm het meest bekend zijn.